Pantheismusstreit - mijlpaal of steen des aanstoots? [3]

Ursula Goldenbaum laat in haar essay “The Pantheismusstreit – Milestone or Stumbling Block in the German Spinoza Reception?” goed zien hoe Friedrich Heinrich Jacobi het er opzettelijk op aanlegde om de reputatie van Moses Mendelssohn onherstelbaar te beschadigen. Jacobi had een heel eigen stijl om dingen op de kaart te zetten. Zijn strategie was niet om in een publicatie rechtstreeks een kwestie te bestreken en daarbij voor zijn eigen mening uit te komen. Hij deed dat indirect door anderen uit hun tent te lokken, hun brieven te publiceren en daarop zijn commentaar te geven. Hij volgde wel de zgn. Fragmentenstreit [zie de blogs van 28 en 29 sept 2011], maar mengde zich daar niet in. Wel deed hij dat – onrechtstreeks - in het publieke debat over de joodse emancipatie dat in de eerste helft van de jaren 1780 speelde. Daarom eerst over dat

Debat over de joodse emancipatie
De joden in Pruisen en de hoofdstad Berlijn verkeerden in de 18e eeuw in meerderheid in erbarmelijke omstandigheden. Slechts een beperkt aantal joden werd toegestaan in die stad te wonen, waarvoor ze een flink ‘tolerantiebedrag’ hadden op te brengen. Een groep verlichte ambtenaren was al enige tijd bezig met de voorbereiding van nieuwe wetgeving. Het was hen ook bekend dat keizer Joseph II voornemens was met politieke hervormingen voor de Oostenrijkse joden te komen.

Mendelssohn (li) Lessing (staand), Lavater (re) geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim, 1856Mendelssohn was intensief bezig aandacht te vragen voor de joodse zaak van de burgerrechten, begrip te vragen voor de joodse religie. Tevens deed hij inspanningen om deze religie te moderniseren. Daartoe bracht hij nieuwe vertalingen uit van canonieke teksten en publiceerde hij over rituele wetten inzake huwelijks- en erfkwesties; publiceerde hij een nieuwe vertaling van de Torah met uitgebreid commentaar. Op verzoek van Ernst Ferdinand Klein, een van de Pruisische ambtenaren die met wetshervorming bezig waren, leverde hij een nieuwe eedformule die joden voor de rechtbank konden gebruiken. Ook kwam Mendelssohn met een nieuwe vertaling van de Psalmen in een prachteditie.

Christian Konrad Wilhelm von DohmEen andere hervormingsambtenaar was Christian Wilhelm Dohm (1786 - 1820). In 1781 publiceerde Dohm een boek “Over de burgerlijke verbetering van de joden” [Über die bürgerliche Verbesserung der Juden]. Hij deed dit op eigen initiatief, maar leunde sterk op informatie en adviezen van Mendelssohn. Hij was goed op de hoogte van wat het betekende als je uitgesloten was van het aantal ‘getolereerde joden’, maar ook voor de wel getolereerden om de hoge tolerantiepremie op te brengen of die voor de toestemming om te mogen trouwen. Die geëiste sommen waren voor de meesten niet op te brengen, waardoor ze sterk in de schulden kwamen of tot de bedelstaf. Resultaat was dat vele joden bedelaars werden of criminelen, bijvoorbeeld lid van roofbendes die vanuit de bossen opereerden. Kortom, de Pruisisische wet, “Judenprivileg” genoemd was zeer verouderd en vroeg aanpassing. Eind 1781 kwam Joseph II met zijn hervormingswet. Dohm bepleitte dat een oplossing voor de joodse criminaliteit bestond uit het toestaan dat zij burgerlijke en ambtelijke beroepen mochten uitoefenen en door het afschaffen van de tolerantiekoopsom. Als ze gewone Pruisische burgers mochten worden zouden ze ook productief kunnen worden. Dohms boek werd aanleiding voor langdurig debat. In 1782 publiceerde Dohm een tweede boek, waarin hij de geopperde bezwaren geduldig en in detail behandelde.

Mendelssohn mengde zich in het debat door in te gaan op de meer traditionele vooroordelen over de antichristelijke gewoonten van de joden, hetgeen hij deed door in 1782 een boek van Menasseh ben Israel te vertalen. Ook dit boek ondervond veel bezwaren. Twijfels werden geuit of joden so-wie-so in staat waren beschaafd en verlicht te worden en vooral was de vraag: konden zij wel 100% burger zijn, hoopten zij niet altijd naar Jeruzalem te kunnen terugkeren? Om deze bezwaren te pareren bracht Mendelssohn in 1783 weer een ander boek uit: Jerusalem oder über religiöse Macht und Judenthum, waarin hij een uitvoerige en systematische uiteenzetting van de joodse godsdienst binnen de rabbijnse traditie gaf. Vooral het eerste deel was duidelijk geschreven in de geest van Spinoza: dat geen godsdienstige gemeenschap op macht gebaseerd mocht zijn, maar alleen op vrije, spirituele overtuiging, zonder druk zich aan de godsdienstige gemeenschap te conformeren. De staat diende over de macht te beschikken om de wetten te handhaven en de leden van de gemeenschappen te beschermen. Ze diende echter alleen controle uit te oefenen over de handelingen, niet op overtuigingen. Hij bepleite daarom gewetensvrijheid en scheiding van kerk en staat. In het tweede deel paste hij deze algemene beschouwingen toe op de situatie van de joden  voor wie hij erkenning vroeg als eveneens een private religieuze groep. Tegen de opvatting dat ze als joden de opleiding en beschaving ontbeerden en dat ze zich tot christenen dienden te assimileren alvorens ze aanvullende rechten konden krijgen, argumenteerde hij dat het niet door de joodse religie kwam dat ze slecht opgeleid waren. Integendeel, het jodendom stond juist volledige intellectuele ontwikkeling toe en legde daaraan geen beperkingen op zoals het christendom dat in sommige opzichten wel deed (door de geloofsmysteries – de onbegrijpelijke waarheden). Joden waren niet verplicht dingen te geloven die ze niet konden begrijpen. Zo gezien zouden joden zelfs meer verlicht zijn dan de christenen. Hij kwam in dat boek zelfs met een joods credo – een opsomming van geloofsinhouden die de joden eigenlijk niet kenden. Juist dit laatste deed vele tijdgenoten versteld staan.

Jacobi’s vriend Hamann was in alle staten en publiceerde een pamflet tegen Mendelssohn, Golgatha und Scheblimini. Von einem Prediger in der Wüsten (1784), waarin hij zijn jodendom vergeleek met het christendom en hem zelfs van atheïsme beschuldigde. Jacobi, Herder en ook Goethe waren enthousiast over Hamann’s boek. In feite echter participeerden geen van de Duitse filosofen en dichters uit Weimar en Jena in het joodse emancipatiedebat; zei vormden een zwijgende oppositie. Alleen Kant was enthousiast over Mendelssohn Jerusalem, zei tijdens een diner dat hij een positieve bespreking in het Berlinische Monatsschrift zou publiceren, maar die is nooit verschenen. Juist dat tijdschrift zag Jacobi als de ‘morgue berlinoise’ [Berlijns lijkenhuis] – een in zijn ogen gevaarlijke samenspanning van hervormingsgezinde ambtenaren en andere Berlijnse verlichters. Toen Dohm Jacobi een bijdrage vroeg voor zijn tweede deel weigerde deze daaraan deel te nemen.

Maar op een verborgen manier deed Jacobi wel aan dat debat mee door in 1782 een boekje “Iets dat Lessing zei” te publiceren, waarmee hij duidelijk Mendelssohn op ’t oog had – een vooruitwijzing naar zijn volgende aanpak. Het betrof oorspronkelijk een recensie van een boek dat keizer Joseph II als absolutist kritiseerde, als erger zelfs dan de paus. Jacobi was het eens met die kritiek en deelde z’n lezers mee dat ook Lessing zich kritisch over absolutistische politiek had uitgelaten. Jacobi ging het om kritiek op de hervormingen m.b.t. de joden die hij als absolutistische maatregelen introduceerde; aan hun omstandigheden liet hij zich niets gelegen liggen. Hij zond de bespreking eerst naar Johann Heinrich Reimarus in Hamburg, die niet aan een tegen de keizer gerichte publicatie wilde meewerken. Daarop bracht Jacobi een uitgebreidere versie anoniem op de markt. Die stuurde hij toe aan Mendelssohn en Dohm en vroeg hun om hun mening. Zij antwoordden kritisch: ze vonden het absolutisme van de paus heel wat verwerpelijker dan de regeerders van Oostenrijk of Pruisen, die hun burgers immers betere rechten wilden garanderen. Jacobi vroeg hen om toestemming hun brieven te mogen publiceren in zijn blad Teutsches Museum. In het volgende nummer beantwoordde hij hun kritiek met als resultaat dat Jacobi het eens leek met Lessings kritiek op het absolutisme, terwijl hij Mendelssohn en Dohm presenteerde als verdedigers van het absolutisme – iets dat zelfs niet in de buurt van de waarheid kwam. Integendeel, beiden hadden duidelijk hun voorkeur geuit voor liberaal en republikeins beleid en er kan, zo benadrukt Ursula Goldenbaum, absoluut geen twijfel over bestaan dat Lessing het eens was met de strijd om joodse emancipatie en het project van Mendelssohn en Dohm zou hebben gesteund.

Vragen die opkomen luiden: waarom publiceerde Jacobi zijn recensie niet direct in zijn blad? Waarom wilde hij Mendelssohn en Dohm in zijn controverse betrekken? Waarom vond hij het nodig een uitspraak die Lessing en passant had gedaan, zoveel aandacht te geven? Waarom besteedde hij zoveel tijd aan deze toch eigenlijk mineure zaak?
De hele aanpak laat Jacobi zien als een strateeg - iemand die elke open uitlating over een gevoelig onderwerp vermeed, die meeliftte op de bekendheid van Lessing, maar die uitkeek naar een indirecte weg om zijn opponenten in het openbaar te beschadigen. Juist via Lessing kon hij Mendelssohn beschadigen. Het is een werkwijze die Jacobi ook toepaste in de controverse die bekend zou worden als de Pantheismusstreit.

_______________

http://de.wikipedia.org/wiki/J%C3%BCdische_Emanzipation

http://de.wikipedia.org/wiki/Johann_Georg_Hamann

http://de.wikipedia.org/wiki/Christian_Wilhelm_Dohm

De vierdelige reeks

Pantheismusstreit - mijlpaal of steen des aanstoots? [1], [2], [3], [4