Prof.dr. P.H. Ritter (1851 - 1912) Verslag van een lezing over Spinoza

In vervolg op het vorige blog is er aanleiding om aan de vader van P.H. Ritter jr., eveneens P.H. Ritter geheten, een blogje te wijden [hoewel, ik had al informatie over hem in dit blog van 18 oktober 2010 over "De Vrije Gemeente" te Amsterdam  en de zoekgeraakte gebrandschilderde ramen, waarin ook Spinoza].

Deze Ritter was op 24 januari 1882 in Leiden gepromoveerd op De monadenleer van Leibniz. Op 15 oktober 1906 werd hij Gewoon hoogleraar in de geschiedenis der wijsbegeerte, de logica, de metaphysica, en de zielkunde aan de faculteit Letteren en wijsbegeerte te Utrecht. Hij werd benoemd hoewel Bierens de Haan als eerste op de voordracht stond. Het werd voor Bierens de Haan aanleiding zijn toga aan de wilgen te hangen.

Voor die benoeming was Ritter Hoofdredacteur van Het Nieuws van de Dag te Amsterdam.

In het eerste decennium van de 20e eeuw hield hij diverse lezingen over Spinoza. Hij zat in het bestuur van de Vereniging het Spinozahuis, werd daarin herkozen, zoals uit bijgaand krantenstukje blijkt. En in 1912 werd hij voorzitter van de VHS.

Het Rotterdamsch nieuwsblad heeft uitvoerige verslagen van lezingen die Ritter gaf. In een serie "Figuren uit de Wijsbegeerte” kwam meermalen Spinoza aan de orde. Hieronder geef ik de tekst uit de krant van 27 februari 1905 waarin hij Spinoza's theorie van de hartstochten schetst. Interessant om te lezen hoe uitvoerig hij die theorie brengt en opmerkelijk hoe lyrisch hij zich aan het eind uit.

Figuren uit de Wijsbegeerte.

Alvorens over te gaan tot Spinoza's theorie van de hartstochten, wenschte dr. P. H. Ritter uit Amsterdam in zijn achtste voordracht een weinig critiek te geven op het systeem van Spinoza. In Descartes, systeem twee substanties, denking en uitgebreidheid, wat den mensch betreft lichaam en ziel. Dit is dualistisch en elk dualistisch systeem wikkelt ons in moeielijkheden. Bij Geulincx werd dat dualisme in het occasionalisme een weinig verzacht en bij Spinoza komt alles tot één substantie met oneindig veel attributen, waarvan we er twee kennen: denking en uitgebreidheid.

Nu ontkomt Spinoza in dit systeem niet aan het dualisme. Wel logisch zijn die twee attributen één in de substantie, maar in werkelijkheid niet. De mensch levert tweeërlei verschijnselen op: hij denkt en hij beweegt zich, enz. Ten tweede: hoe weet Spinoza, dat de substantie er is? Spinoza zegt: de substantie is er, omdat ik ze mij niet denken kan zender dat ze bestaat. Maar het bestaan kan nooit een eigenschap van een ding zijn. Eerst bij Kant, die staat aan het eind van een ontwikkelingsreeks en met wien een nieuwe wijsbegeerte aanvangt, wordt die vraag opgelost. Een derde bezwaar: Spinoza zegt, dat alles ontspruit uit een oorzaak; men moet zich alzoo niet boos maken, niet vroolijk maken, niet schreien, maar bedaard blijven. Doch waar blijft nu de lyriek? Waar blijven de klaagliederen van Israël: Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen", enz.? Wij menschen moeten uiting geven, wij zijn niet onaandoenlijk, niet ongevoelig.

Maar gelukkig staat de mensch altijd boven zijn stelsel, als het zwak is — helaas staaft hij er altijd onder als het sterk is! Toen de De Witten vermoord waren moest Spinoza's hospes, v. Speyk, hem tegenhouden. Tranen stroomden langs zijn bleek gelaat; hij wilde alléén de bent te lijf. De natuur hernam haar recht; hij was wèl verontwaardigd, wèl bedroefd...

Maar nu de zegen van zijn groot, imposant, in zichzelf afgerond stelsel. Aan dat eenvoudige manneke dat op zijn kamertje op de Paviljoensgracht zat te denken, heeft de wereld een harer schoonste monumenten der beschaving te danken. De ware beschaving van een volk, een tijd, blijkt het duidelijkst uit zijn strafrecht. In 't oude strafrecht gold het jus talionis, heb recht van wedervergelding: gij slaat mij, ik sla u. Een tweede beginsel was de satisfactie-theorie: er is een heilig recht geschonden en aan dat recht moet worden voldaan. Dit is in geheim hetzelfde als het jus talionis. Door de satisfactie-theorie heeft de pijnbank geheerscht en hebben de vreeselijke kerkers bestaan, die er bij de Fransche revolutie nog waren. Een derde beginsel was de afschrikking: hoe meer pijn men den misdadiger doet, des te meer zullen anderen worden afgeschrikt; hij lijdt nu eigenlijk ter wille van hen, die afgeschrikt moeten worden. Een vierde principe is, dat de straf dient tot verbetering van den mensch, maar nu krijgt de misdadiger meer dan een ander, die misschien ook verbetering van noode heeft. Wat blijft er nu over? Dit: de misdadiger kan niet anders. Wat den staat bedreigt, moet de staat isoleeren, alleen zetten, tot 't vermoeden bestaat, dat beter 'besef gekomen is. Nu is er alleen van noodweer sprake. Er kunnen nu maatschappijen tet zedelijke verbetering van gevangenen werkzaam zijn, de kerk kan op het gemoed der misdadigers werken, de staat kan daarvoor faciliteiten geven, maar er wordt niet anders gedaan dan zorgen voor de veiligheid van den staat. Dit is in beschaafde landen het beginsel, in den geest van Spinoza, van die bestaande strafwetboeken. Zoo heeft die machtige geest op de practijk gewerkt.

Nu zijn theorie der hartstochten. Voor hem dacht .men, dat de hartstochten een wild woud vertegenwoordigden, dat er geen peil op te trekken viel, dat 't geen terrein was, dat studie toeliet. Maar Descartes schreef er over. Van hem is dit: Hoe kan ik een mensch leenen kennen? Door op te letten Wat hij liefheeft. Welke menschen bewondert gij, noemt gij van beteekenis, aan welke geeft gij u? Daardoor leer ik niet die menschen kennen, maar uzelf. Als gij u verknocht gevoelt aan een medelijdend karakter, zijt gijzelf medelijdend, terwijl, als uw bewondering uitgaat naar een fijne ziel, uw eigen ziel ook fijn is. Wie ge zijt, weet ik, wanneer ik weet wie uw vriend is, wanneer ik weet, wat het object is, dat gij vereert, wie uw vertrouwen wekt, aan welk hart uw hart gehecht is.

Spinoza zegt dat de hartstochten wel te bestudeeren zijn. Wat niet aan wetten gehoorzaamt, kan ik niet bestudeeren, want studeeren is het zoeken naar die wetten. Men dacht, dat 't weer niet te bestudeeren was, tot Buys Ballot zijn wet ontdekte. In Spinoza's tijd dacht men, dat ook de hartstochten aan alle regelen ontsnapten. Maar in de inleiding van het derde deel zijner Ethica zegt Spinoza: Tot heden toe heeft men de hartstochten der inenschen geacht als onberekenbare dingen, als lacunes, doch ik zal ze behandelen alsof ik sprak over punten, lijnen en vlakken in de wiskunde. Alsof het wiskundige fiuren waren. Dit is zeker terrein, zegt hij. Hoe doet Spinoza dat?

Alles, wat er is, is een modus der substantie; de mensch ook. ledere modus heeft in zich de begeerte van in zijn bestaan te volharden, elke modus wil blijven, niets wil sterven. Dit zet Spinoza voorop. Nu sterft niets door zichzelf. Als ik een voorwerp aan zichzelf overlaat, blijf het, wat het is. Maar de lucht, een stoot of iets anders werkt er op in. Een andere modus komt bet bestaan er van bedreigen. We weren alles van ons af, wat ons bestaan bedreigt en halen naar ons toe, wat ons bestaan verhoogt. Als uitgangspunt dus: in eiken modus is aanwezig de drift om te blijven. Uit die begeerte van den mensch om te blijven volgt met noodwendigheid, met mathematische zekerheid, dat hij van zich doet, wat zijn bestaan bedreigt en naar zich toe haalt, wat zijn bestaan verhoogt. Wat zijn bestaan verhoogt geeft hem vreugd, wat zijn bestaan bedreigt geeft hem smart. Zoo volgen uit het beginsel, dat hij in het bestaan wil blijven volharden, twee hartstochten: vreugde en smart. Maar wat mij nu vreugde geeft, haal ik naar mij toe en heb ik lief, en wat mij smart geeft stoot ik van mij af en haat ik. Met noodzakelijkheid volgen dus uit vreugde en smart die twee sterkste hartstochten liefde en haat.

Nu maakt Spinoza een zeer fijne opmerking. In den geest van onzen tijd is het te spreken over associatie van denkbeelden. Spreek ik hier over Spinoza en staat er een orgel buiten, dat een bepaalde wijs speelt en hoort ge over tien jaar dezelfde wijs, dan denkt ge aan Spinoza. Vooral met den reuk is dat het geval. -Bij de een of andere begrafenis is er een zekere geur in uw neus gekomen. Ruikt gij die weer, dan denkt gij aan een begrafenis. Dat is associatie van denkbeelden. Spinoza zegt nu: hoe komt het, dat men bij het gezicht van iemand, dien men nooit te voren heeft gezien, sympathie voor of antipathie tegen hem gevoelt? Omdat hij een weinig gelijkt op iemand, die ons bestaan verhoogde en ons vreugde gaf en dien wij dus liefhebben, of op iemand, die ons bestaan bedreigde, en ons smart gaf en dien wij dus haten. Onbewust herinneren wij ons dien ander, daarom gevoelen wij sympathie of antipathie. Men heeft een broeder, wiens voorletters zijn J. H. Nu ontvangt men een brief van iemand met dezelfde voorletters. Zonder dat wij den schrijver kennen stemt dat feit ons sympathiek jegens hem.

Langs dezen weg verklaart Spinoza ook het bijgeloof. Eenmaal in de geschiedenis der menschheid heeft men met zijn dertienen aan eeen tafel gezeten en één er van is gestorven. Door associatie van denkbeelden komt er vrees in ons op als er weer dertien personen aan een tafel zitten. Wij achten er aan verbonden, wat er oorzakelijk niet aan verbonden is.

De vreugde over iets, dat in de toekomst ons bestaan verhoogen kan, noemen wij hoop; de smart over iets, dat in de toekomst ons bestaan bedreigen kan noemen wij vrees. Hebben wij zekerheid van iets, dat in de toekomst ons bestaan zal verhoogen, dan «preken wij van vertrouwen ; bij iets, dat in de toekomst ons bestaan, zal verminderen, van vertwijfeling. Zoo vloeit noodzakelijk het een uit het ander voort. We hebben lief, wie onze dagelijksche handelingen begeleiden: onze huisgenooten, ambtgenooten, landgenooten. Zoo ontstaat de solidariteit. Nu willen wij, dat, wie wij liefhebben ook door anderen zullen worden bemind, dat, wie ons vreugde geeft zelf vreugde ondervinden zal. En wie wij haten, wenschen wlj ook door anderen gehaat te zien. Zoo ontstaat een nieuwe categorie van hartstochten. 't Geheele tableau van menschelijke hartstochten zouden wij zoo kunnen ontvouwen of 't meetkundige figuren waren.

Nog dit: Spinoza leert, dat liefde liefde wekt en haat haat. Wat is liefde? Zij openbaart zich daarin, dat men het geliefde voorwerp zooveel mogelijk wil weldoen en vereeren. Aan zichzelf overgelaten eindigt ze in een apotheose, een vergoddelijking. De haat openbaart zioh ln het zooveei mogelijk versmaden van het gehate voorwerp en laat men hem zijn gang gaan, dan eindigt de haat steeds in vernietiging. Meestal verhinderen andere factoren die vergelding, die vernietiging. Nu wil 't geliefde voorwerp weer bemind worden. Daarom is er geen grooter vernedering dan gehaat te worden door wie wij liefhebben. Spinoza spreekt 2 wetten uit: Liefde voor den mensch die volgt op haat, is grooter dan dat de haat niet vooraf ware gegaan. Hoe verklaart men dat? Vooreerst, de onaangename aandoening van den haat verdwijnt en ten tweede voor haar in de plaats komt de aangename aandoening van de liefde. Winst van ‘t aangename paart zich aan verlies van ‘t onaangename: de sensatie is dubbel. Zoo is ook de haat grooter, als er liefde aan voorafging, èn omdat de aangename sensatie van de liefde verdwenen is, èn omdat gekomen is de onaangename sensatie van den haat: 't onaangename gevoelt men dubbel. Nu heeft iemand gezegd, zegt Spinoza, dat wij eerst moeten haten om onze liefde te verhoogen. Maar men kan niet haten op commando. En dan nog, om onze liefde te verhoogen zouden wij den haat zoo groot, zoo langdurig mogelijk, dus eeuwig moeten maken en zoo kwamen we nooit aan onze liefde.

Deze redeneeringen zijn natuurlijk, aldus spreker, niet anders dan 't constateeren van feiten. Voorschriften worden niet gegeven en kunnen niet gegeven worden. Tot zijn spijt kan spreker 't heele exposé niet geven. Maar niet onthouden wil hij zijn hoorders de twee middelen, die Spinoza aangeeft om de hartstochten te bestrijden. Hier is men midden in de practijk van ’t leven. 't Is een groot probleem. Goethe, die het wist, zei: ga aan het strand staan en beveel den vloed terug tekeeren. Evenzoo kunt gij tegen den hartstocht zeggen: ga heen, maar zonder resultaat. Goethe noemde den hartstocht ook een koorts, die moet uitwerken. Toen Augustinus een ongeoorloofde verhouding had, bad hij God: „O, God, geef mij reinheid, maar... nog niet!" Hoe komt dat? Omdat het van ons zetten "van een hartstocht neerkomt op 't verdragen van pijn, en wij zien tegen pijn op. Dit is de analyse. Nu komt Spinoza en 't is een mirakel, hoe die man op zijn kamertje, niet verkeerend in de wereld, dat uit zijn brein heeft te voorschijn gebracht. Om onze hartstochten meester te worden, zegt hij, moeten wij ons plaatsen buiten onszelf, moeten wij onszelf daar zien handelen. Er zijn nu middelen, die dat mogelijk zouden maken. Dronkenschap slaat iemand op de tong. Konden wij nu wat de dronkaard zegt en den klank, waarop hij het zegt, opvangen in de phonograaf en hem die den volgenden dag laten hooren, dan zouden we doen wat Spinoza aangeeft. Dit als wijsgeerig middel om de dronkenschap te bestrijden: de man zal misselijk worden van zichzelf. Laat den man, den ongelukkige, die daar met dat vreeselijke gevoel in maag en hoofd op straat loopt, met wien we niets dam deernis moesten gevoelen — op de school moest men den kinderen leeren, hoe ze een dronkaard moeten bekijken — laat den man een fotografie zien van hemzelf. Dàt is het in practijk brengen van wat Spinoza zei. Hij zal zichzelf zien, zooals hij was midden in den hartstocht.

Het tweede middel is het volgende. Hier zijn wij in het fijnste deel der kennis van de mnschelijke ziel. Zooals overal in de wereld bestaat er in den mensch een horror vacui, een haat van het ledige. Doe den hartstocht weg, goed, maar nu staar ik in een ledig. Wat nu? Zet er nu een andere hartstocht voor in de plaats, dan zijn we er. “Overwin het kwade door het goede”, is het woord van den apostel Paalus. Laat den mensch leeren gloeien voor wat anders.

Nu vindt spreker vrijheid dat woord uit te spreken ever de deugd. Laat ons de deugd eeren met den psalm van Emanuel Kant, laat ons zeggen: gij heilige plicht en laat ons dat doen met de wereldberoemde woorden van dien wereldberoemden wijsgeer,opdat wij vooral van de deugd zelf geen kwade gedachten hebben. Maar: — in de practijk is de deugd nutteloos. Ga tot een slaaf van den hartstocht en spreek hem over de deugd. Hij zal antwoorden: gij hebt gelijk; denkt gij, dat ik ook niet weet, dat ik mijn vrouw en kinderen vermoord? Maar ik kan het niet laten; de hartstocht is sterker dan ik. Doch nu wil spreker dat woord uitspreken, dat zijn hoorders hier misschien niet verwacht zouden hebben: wedergeboorte. Dat is het in een nieuwe wereld komen. Dit is in de taal der Christenen en wat Spinoza als philosoof gezegd heeft. Verjaag een booze wereld en stel er een nieuwe voor in de plaats; vervang een boozen hartstocht door een anderen. Nu gaan de oogen tintelen van hoop, nu gevoelt men, dat 't eenvoudig wordt verolaatsing van terrein, vervanging van de wereld, waarin men geboeid, betooverd was door een betere, een schoonere. Spreker herinnert zich hier de woorden van zijn hooggeachten vriend Gunning, wiens stoffelijk overschot nog boven de aarde staat. Stel: iemand heeft den wellust aangeraakt, die ook bij den edelsten aanleg den vleugelslag des geestes verlamt. Nu leert hij reine hoogheid kennen, een vrouw vol zielenadel, en nu gaat hij in zijn hart in gericht over elke gestalte van den wellust en vol berouw, vol haat van het gemeene waagt hij het haar te begeeren. Hij leert kennen niet het eeuwig vrouwelijke uit het mystische slot van den Faust, maar het vrouwelijke eeuwige, dat nooit zal ophouden het hart van den mensch te veredelen.

Wat is vreugde? Ze komt voort uit een gevoel van macht. En dat komt voort uit kennis, terwijl kennis is het zien van de dingen in hun oorzaak. Wat is tijd? Gij kunt niet slapen en hoort den slinger van de klok, terwijl gij alleen zit: tik, tik! En uw pols: tik, tik! Dat houdt nooit op. Daarop is de mensch niet aangelegd. De mensch vervloekt den tijd. Maar al was hij eeuwig, onsterfelijk, dan nog hoorde hij in die eeuwigheid, in die onsterfelijkheid den slinger: tik, tik! Daarop is hij niet gebouwd, hij wordt er moedeloos van. Hegel spreekt over „de slechte oneindigheid".

Welnu, zegt Spinoza. wij kunnen ontkomen aan den vermoeienden cadans van den tijd, waarmee al wat mensch is worstelt, door de dingen te zien sub specie aeternitatis, onder de gestalte der eeuwigheid. De som der hoeken van een driehoek is twee rechte hoeken. Dat heeft met den tijd niets te maken, het staat boven den tijd. Al wat in zijn oorzaak gekend wordt heeft niet te maken met den slinger eener pendule, met den slag van een pols; dat is eeuwig. Zoo staan het goede, hét ware en schoone boven den tijd. Wanneer wij de dingen kennen in hun oorzaak, hoe zij zijn vastgehecht op den grooten grond der substantie, wanneer wij ze zien alleen in ‘t licht der eeuwigheid, dan — aldus Spinoza — zijn wij in God en is God in ons. Dan zijn wij in den Vader en is de Vader in ons. Dan sluimeren wij in des Vaders schoot, aan des Vaders hart. Dan is er geen straf en geen loon. De zaligheid is niet het loon na de deugd, de deugd zelf is zaligheid. Hoe komt het dan, dat zoo weinig menschen de deugd liefhebben? Omdat al wat voortreffelijk is, even moeieliik als zeldzaam is.

Hier eindigt de Ethica. Nu valt weg al wat tijdelijk is als straf en loon. 't Is het opgaan in wat boven den tijd staat, in eeuwige waarheid, het goede en schoone, het opgaan in de eeuwigheid.

Rotterdamsch nieuwsblad, 27-02-1905 [KB krantenarchief PDF]

______

Gegevens en foto van Univ. Utrecht 

Dbnl-pagina P.H. Ritter

 

Reacties

Vanwege m.n. het 'TER GEDACHTENIS' heb ik gelinkt naar het blog over het gebrandschilderde raam (waar reageren niet mogelijk is) vanaf www.hooglerarenwijsbegeerte.nl - er is maar weinig over Ritter [sr.] geschreven.
Overigens spreekt Ritter ook in zijn oratie (een link is op mijn site aangebracht) over Spinoza:
"Maar daarna stond hij op, die tot heden niet is geëvenaard: Benedictus Spinoza, aan alle pogingen om verband te zoeken, waar het krachtens de eigen definitie der dingen niet aanwezig zijn kán, een einde makend, - en leerde de eenheid van lichaam en ziel, van God en wereld."
En:
"Het is Spinoza's onsterfelijke glorie, de gedachte te hebben verheven tot de eenheid van het Heelal, maar - de overtuigde Spinozisten in deze vergadering mogen het mij vergeven! - bereikt kunnen wij de eenheid niet achten."
Etcetera.

Dank voor deze informatie, heer Eissink.
Interessant, uw initiatief voor een website met wijsgerige oraties van professoren filosofie n Nederland.