quasi per nebulam

In het verlengde van twee recente blogs [cf. en cf.] waag ik mij aan de uitleg van een subtiel grapje, een knipoogje dat Spinoza in 2/7s aan de goede verstaander geeft. Hij schrijft daar: “wat sommige joden quasi per nebulam, als door een nevel (‘vaag’, vertaalt Henri Krop) hebben gezien, die n.l. beweerden dat God, Gods verstand en de door hem begrepen dingen één en hetzelfde zijn.”

Hij heeft Maimonides en anderen op het oog. Zij zagen goed dat alles één is, want alles wat is, is in God en God is één (d.w.z. uniek, niet telbaar). Maar zij zagen die eenheid anders: zij zagen het verstand en al het daarin begrepene, als behorend tot het wezen van God. Zij zagen nog niet dat, wat het verstand betreft, het ook om een maaksel van God ging. Dat inzicht bleef hun nog nevelig. Maar volgens Spinoza stak de eenheid van alles in Gods immanente handelen waarmee de natura naturans zich zonder restrictie in de natura natrurata uitdrukt, en de natura naturata ínblijft in de natura naturans.

Zo had hij in 2/3s tussen haakjes kunnen zeggen: sicut omnes uno ore statuunt – zoals allen het erover eens zijn… n.l. dat God zichzelf begrijpt. Daar nam hij een brede algemene consensus die hij waarnam, mee naar z’n eigen straatje. Bij hem gaat Gods begrijpen van zichzelf en van alles wat uit zijn natuur volgt, namelijk niet vooraf, maar gaat als het ware mee in (ontstaat in) al wat uit zijn wezen volgt: ontstaat daaruit, maar immanent.

Gods begrijpen van zichzelf heeft niet minder eenheid dan de goddelijke substantie zelf en evenzo hebben de dingen die hij begrijpt niet minder eenheid dan God. Alles is één substantie en speelt zichaf binnen één substantie. Dit is het antwoord dat hij met verwijzing naar 2/3s geeft aan Tschirnhaus op diens vraag (in brief 66) of de oneindigheid aan attributen niet verwijst naar een oneindigheid van werelden. Nee dus, alles is één.

____________

Misschien had Spinoza bij quasi per nebulam de passage uit Cicero in gedachte: quasi per caliginem videre [Cic. Phil. 12, 2, 2 – cf.]