Richard Avenarius (1843 – 1896) begon met Spinoza-studie, maar… hoe ging het daarna verder?

Richard Heinrich Ludwig AvenariusTot voor kort had ik, meen ik, nog niet van Avenarius gehoord, althans was zijn naam niet tot mij doorgedrongen. Tot ik over hem in het boek The Two Eyes of Spinoza van Leszek Kolakowski, waarop ik nog eens terug kom, het hoofdstuk las: “Richard Avenarius and the Apparent Suicide of Philosphy.” Geen enkele relatie met Spinoza werd daar gelegd, maar het deed me wel verder zoeken naar deze Avenarius en daarbij ontdekte ik dat deze radicaal positivistische Duits-Zwitserse filosoof, die een soort wetenschappelijke filosofie voorstond waaruit hij alle metafysica trachtte te bannen en een leer van het 'empirisch criticisme’ uitdroeg, zijn carrière als filosoof begon met een proefschrift over Spinoza.

Tijdens zijn studies in Zürich, Berlin en Leipzig was Avenarius bijzonder geïnteresseerd in de psychologische kant van het monistische denken van Spinoza, terwijl hij zich tegelijk zeer in fysiologisch-neurologisch onderzoek verdiepte (bij K. F. W. Ludwig). De titel van zijn proefschift luidde: Über die beiden ersten Phasen des Spinozischen Pantheismus und das Verhältnis der zweiten und dritten Phase, nebst einem Anhang über Reihenfolge und Abfassungszeit der älteren Schriften Spinoza’s (Leipzig, 1868 - te lezen in PDF bij archive.org en tevens bij de KB).

Na enige grote buitenlandse reizen habiliteerde hij in 1876 in Leipzig (bij W. Wundt, M. Drobisch en M. Heinze) met Philosophie als Denken der Welt gemäß dem Prinzip des kleinsten Kraftmaßes. Prolegomena zu einer Kritik der reinen Erfahrung. [Habilitationsschrift. Leipzig: Fues 1876 - te lezen in PDF bij archive.org]. In dat werk, waarin hij de eerste beginselen van zijn werkelijkheidsbenadering voorlegde, voerde hij geen discussie met Spinoza, maar opmerkelijk is dat hij op de titelpagina van zijn habilitatie liet drukken dat hij op 10 januari 1876 een lezing zou geven over Spinoza’s Substantie.  Datzelfde jaar werd hij docent aan de Universiteit van Leipzig.

Avenarius nam deel aan de feestelijke Spinozaherdenking die op 23 febr. 1877 in Leipzig in de Kaiseraal van de Centralhalle plaatsvond. Dit blijkt uit Max Grunwald’s Spinoza in Deutschland [Berlin, 1897] waarin hij Avenarius niet behandelt, maar in de aantekeningen bij de paragraaf over Auerbach citeert uit diens beschrijving van die dag: tijdens het diner “hielt Dr. Avenarius eine längere wohlgesetzte Rede, in der er die Schwierigkeiten, Spinoza populär eindringlich zu machen, besonders betonte und zuletzt auf mich und mein Wirken mit grosser Liebenswürdigkeit hinwies. Der Jubel war gross, und ich antwortete sofort." Aldus Auerbach.

In datzelfde jaar, 1877 werd Avenarius gewoon hoogleraar voor filosofie en werd hij de opvolger van W. Windelband in Zürich waar hij zijn kennistheoretische systeem van het “Empiriokritizismus” uitbouwde.  

Op de website van de Universiteit Zürich is te zien hoe hij er enige cursussen gaf over Spinoza: in 1877 (Spinoza's Ethik, Lectüre und Interpretation) en in 1882 (Historische und psychologische Entwicklung des Spinozischen Monismus). Op welke site van een universiteit kom je zo'n inventarisatie van docenten en wat zij brachten tegen?

“Empiriokritizismus
Avenarius noemde zijn leer “Empiriokritizismus”. Wat bedoelde hij daarmee?
Oskar Ewald schrijft in zijn Richard Avenarius als Begründer des Empiriokritizismus. [Berlin, Ernst Hofmann 1905]: “Am empfindlichsten wird man vielleicht vermissen, daß ich davon abstehe, eine exakte Definition des Titelwortes „Empiriokritizismus” zu geben, die man gleich am Eingang des Buches vermuten konnte. Der Grund davon ist darin zu suchen, daß dieser Begriff von Avenarius selber nie deutlich definiert worden ist, da er bei ihm noch gar nicht die Rolle spielt, die ihm erst von den Epigonen aufgeladen wurde, als sie für die neue Weltanschauung ein charakteristisches Umhängeschild benötigten.”

Ik doe een poging. In de tijd na de dood van Hegel, versterkt na de dood van Schelling, ontstonden er diverse denkbewegingen die een groter accent op ‘echte’ wetenschap en minder op speculatieve metafysica wilden leggen; de jong-Heglianen meenden een einde gemaakt te hebben aan elke metafysica. Eén zo’n nieuwe richting was die van Richard Avenarius en Ernst Mach die - overigens geheel onafhankelijk van elkaar - een vergelijkbare richting van positivisme formuleerden. Beiden verzetten zich sterk tegen de Kantiaanse transcendentaltheorie, maar wilden wel proberen te voldoen aan de Kantiaanse eis om in de kennistheorie de vooronderstellingen van het ontstaan van wetenschappelijke kennis te analyseren en de methoden te onderzoeken om die met positivistische middelen te realiseren. Dat wat betreft het element “kritizismus”. Wat het eerste element betreft: Avenarius’ belangrijkste werk was Kritik der reinen Erfahrung (2 delen, 1888–1900). Hij wilde uitgaan van hetgeen in de ervaring gegeven is . De al sinds de antieke oudheid door metafysici gemaakte opdeling van de werkelijkheid in a.h.w. twee domeinen: de innerlijke en de buitenwereld - waarbij de waarnemingen van het uitwendige het ruwe materiaal levert voor de geest, en waarbij de processen van abstractie en conceptualisatie de wereld van het inwendige uitmaken – wilde hij terugbrengen tot één ‘natuurlijk wereldbegrip’ dat hij wilde herstellen - een monisme. Er is in zijn ogen alleen ervaring. Met name ook de Kantse tegenoverelkaarstelling van “Ding an sich” en “Erscheinungswelt” vond hij volkomen verkeerd. Zijn opzet was een algemene wetenschap van het „Vorgefundenen", het onbetwijfelbare direct gegevene. Volgens Avenarius is bij alle kennis sprake van betrekkingen tussen ervaringsgegevens in het bewustzijn: in mijn ervaring tref ik mijn ‘Ik’ net zo in de ervaringsgegevens aan als dingen in de buitenwereld. Sommige indrukken die wij ons lichaam noemen, zijn in bepaalde regelmatige samenhang met belevingsindrukken gegeven waarbij we spreken van bewustzijn, ziel en ‘Ik’, terwijl andere complexen van indrukken niet met ons lichaam in nauwe samenhang staan zodat we spreken van empirische buitenwereld. Het is door ‘introjectie’ dat we die scheiding van binnen- en buitenwereld doen ontstaan en dat ziet hij als een vorm van zelfbedrog. We verdubbelen de wereld in dingen en indrukken en gaan ons dan afvragen of de kopie (het idee in ons) wel echt op het origineel (het ding) lijkt. En die dingen projecteren we dan ergens voorbij onze waarneming. Maar we hebben helemaal geen methode om de kopie (de impressie) te vergelijken met het origineel of om de “relatie ertussen” te bestuderen.

Maar niets dwingt ons zo te doen, aldus Avenarius. Het door onszelf opgeroepen mysterie kunnen we eenvoudig laten verdwijnen door te stoppen met die verdubbeling van de werkelijkheid door hem op te delen in ‘externe’ dingen en ‘interne’ mentale realiteiten. Met uit te leggen hoe we dit doen, hoe uit deze ‘introjectie’, die een misinterpretatie van de ervaring zou zijn, aldus allerlei fantastische ideeën ontstaan (als aparte zielen, geesten en goden) en hoe we dit kunnen oplossen (door ons van die foutieve gewoonte te ‘ontdoen’ en illusies te ‘rippen’) was hij de rest van z’n leven bezig.

Maar ook Avenarius liep steeds aan tegen de onmogelijkheid om in het spreken, in de taal, in het denken af te zien van het onderscheid tussen de kenner en het gekende. Hij wilde mijn ‘Ik’ niet zien als degenen die ervaart, maar als iets dat ook wordt ervaren en onlosmakelijk verbonden is met de andere elementen van mijn ervaring, elementen die alle gelijk en van dezelfde orde zijn – geen heeft een logische of causale voorrang. Hij wilde weg van het scheiden van subject en object, weg van een theorie van de kennis of van metafysica, weg van elk ‘zoeken naar waarheid’. Waarheid is geen element van de ervaring, niets iets gevondens zoals een ding, maar net zo’n kwaliteit als lekker, fijn, mooi etc.

Iets klopt er niet
Het observerende ‘Ik’ is echter noodzakelijk aanwezig in alles wat we zeggen en is daaruit niet weg te snijden. Volgens Avenarius is het ‘Ik’ niet ervarend (niet het subject van ervaring), maar iets dat mede ervaren wordt. Maar wie hééft dan de ervaring? Wie doet die ervaring op? Zeggen dat iets alleen maar gegeven is, dat “er ervaring is” lost niets op, is te simpel. Kolakowski wijst er in het boven genoemde hoofdstuk op, dat ik niet kan zeggen: “ik ervaar beide: de boom die ik zie en tegelijk mijn ik dat ziet.” Dat eerste ‘Ik’ is illegitiem, heeft geen recht daar te zijn, want moet óók gereduceerd worden tot iets dat ervaren wordt en niet zelf ervaart. En zo tot in het oneindige...

Avenarius is nu nog vooral om dit introjectie-begrip bekend: de internalisering van het geziene etc. naar het binnen in de mens. Maar volgens hem moest het mogelijk zijn alle empirische data en verschijnselen binnen één empirische wetmatigheid als van gelijke aard te beschrijven, hetgeen een kennislogische vooruitgang zou betekenen. Er is maar één realiteit en die is ons direct in onze bewustzijnsgegevens aanwezig. Daarin onderscheiden we enerzijds wat hij noemde een “centrale positie tot de wereld” die samen met de andere gegevenheden een gesloten systeem van ideeën vormen die t.o.v. elkaar in een ondergeschikte positie bestaan. Voor het praktische leven en voor wetenschap is voldoende dat wij spontaan van een van ons bewustzijn onafhankelijke realiteit uitgaan. Vragen over het bestaan van de werkelijkheid los van ons kennen, zijn onbeantwoordbaar en daarom onzinnig, zo meende hij. Van dat soort speculatieve filosofie wilde hij af.

Invloed
Avenarius heeft best wel grote invloed uitgeoefend. Albert Einstein vormde in 1902 in Bern een filosofische discussiegroep die de werken van Spinoza, Hume, John Stuart Mill, Mach, maar vooral Avenarius bestudeerde. Talrijke filosofen en psychologen ondervonden Avenarius’ invloed, zoals Alexander Bogdanov, Wilhelm Wundt, James Ward, Karl Pearson, Thomas Henry Huxley en Joseph Petzoldt. De laatste, J. Petzoldt, een duidelijke aanhanger van Avenarius, vestigde in 1912 in Berlijn de “Gesellschaft für positivistische Philosophie" met als orgaan Annalen der Philosophie (vanaf 1913/14 Zeitschrift für positivistische Philosophie). Hij stelde zich ten doel Avenarius’ leer te populariseren en verbreiden.
W.I. Lenin schreef in 1908 zijn pas in 1925 uitgegeven Materialismus und Empiriokritizismus, waarin hij uitgebreid in discussie ging met Avenarius, onder wiens invloed hij en het latere marxisme echter wel een ruimer materiebegrip ging aanhangen: namelijk “een filosofische categorie om de objectieve realiteit aan te duiden.” Apart is dat Avenarius juist meende dat hij elk idealisme had uitgebannen, terwijl Lenin hem ervan beschuldigde een sterk idealistische leer te hebben. Ook Edmund Husserl hield zich intensief met hem bezig (en is wellicht in zijn fenomenologie enigszins door hem beïnvloed); hij beschuldigde zijn leer van een petitio principii.  

Terug naar Spinoza
Daar Avenarius gedurende zijn studietijd een ontwikkeling in Spinoza’s pantheïsme-opvatting wilde ontdekken, was het van groot belang dat hij de chronologische volgorde van diens geschriften kon vaststellen. Daarvan maakte hij veel werk, maar sommige van zijn resultaten zijn later op goede gronden verlaten. Hij was er bijvoorbeeld van overtuigd te kunnen aantonen dat de KV vóór de TIE was geschreven. Hij was meen ik ook de eerste die tekstdelen als de dialogen in de KV als van de vroegste data aannam. Maar merkwaardig was weer wel dat hij meende dat Spinoza de eerste dialoog van de KV schreef vóór hij kennis had van Descartes, wat – gezien de inhoud van die tekst die duidelijk als een kritiek op Descartes is te lezen – wel een heel vreemd idee is.

Christoph Sigwart gebruikt in zijn inleiding bij de uitgave van “Benedict de Spinozas kurzer Tractat von Gott dem Menschen und dessen Glückseligkeit” [Tübingen, 1870] veel uit het proefschrift van Avenarius dat dan nog pas kort geleden is uitgegeven. Met name bestreed hij Avenarius’ opvatting over het voorcartesiaanse van de eerste dialoog. [Zie dit blog over Sigwart]

Er is veel studie gemaakt van en kritiek geformuleerd op Avenarius’ Empiriokritizismus. Maar opmerkelijk vind ik dat er, voor zover ik kan nagaan, geen enkele studie is gemaakt over of en zo ja hoeveel hij zich door Spinoza heeft laten beïnvloeden of juist zich tegen Spinoza afzette: welke de verschillen zijn tussen zijn en Spinoza’s monisme, en diens idee van de ene substantie en de twee attributen, uitgebreidheid en denken, die immers verwijzen naar die aloude tweedeling van dan wel niet aparte uitwendige en inwendige domeinen/werelden, welke onafscheidbare maar volkomen verschillende aspecten van die ene werkelijkheid zijn.

Heeft Avenarius zich op een vergelijkbare wijze tegen Spinoza afgezet als Ernst Mach deed tegenover Gustav Theodor Fechner – de belangrijkste theoreticus van de dubbel-aspect-theorie in het Duitsland van de 19e eeuw? “The view here advocated is different from Fechner's conception of the physical and psychical as two different aspects of one and the same reality. In the first place, our view has no metaphysical background, but corresponds only to the generalized expression of experiences. Again, we refuse to distinguish two different aspects of an unknown tertium quid; the elements given in experience, whose connexion we are investigating, are always the same, and are of only one nature, though they appear, according to the nature of the connexion, at one moment as physical and at another as psychical elements.” (Mach 1886, 61, citaat overgenomen van 't lemma Neutral Monism in Stanford Encyclopedia of Philosophy)

Oskar Ewald hield in zijn al vermelde Richard Avenarius als Begründer des Empiriokritizismus. [Berlin, Ernst Hofmann 1905 - PDF] uitdrukkelijk diens Spinoza-studie buiten beeld: “Die Spinozaschrift, biographisch und psychologisch zweifelsohne von Interesse, durfte ich ganz außer acht lassen.”

Slechts één recentere verwijzing naar Avenarius kwam ik tegen en wel in Lucia Lermond, The Form of Man: Human Essence in Spinoza's Ethic [Brill Archive, 1988 - books.google]. Daarin schrijft zij in een voetnoot: “While the varying readings of Spinoza's pantheism presented here do not find place within equally valid interpretations of Spinoza, they serve to illustrate problems with use of the term. That the term may, in fact, be effectively utilized in exposition of Spinoza is witnessed by Richard Avenarius's classic study of the development of Spinoza's thought. See Richard Avenarius, Ueber die beiden ersten Phasen des Spinozischen Pantheismus und das Verhältniss der zweiten zur dritters Phase (Leipzig: E. Avenarius, 1868).” [note 4, p. 76 ]

                                            * * *

Ik zou willen dat ik iemand kon verleiden tot een diepgaande wetenschappelijke studie van het positivisme van Avenarius en hoe hij daarin omging met wat hij bij Spinoza had bestudeerd. Ik denk namelijk dat in deze tijd hersenwetenschappers nog ongeveer dezelfde denkfiguren maken als die Avenarius indertijd ontwierp; al hoor je daar weinig meer over.

______________

Richard Avenarius op de.wikipedia

Richard Avenarius op wikisource en op Deutsche Biographie

Richard Avenarius in History of Modern Philosophy by Falckenberg [1892]

Oskar Ewald, Richard Avenarius als Begründer des Empiriokritizismus. Berlin: Ernst Hofmann 1905 [PDF]

Dr. Friedrich Carstanjen (Zürich University), “Richard Avenarius and His General Theory of Knowledge, Empiriocriticism.” [In: Mind, N.S., Vol. 6 (1897): pp. 449-475. op wikisource

Zijn broer was de Kulturreformer Ferdinand Avenarius (1856-1923)

Aanvulling 22 mei 2013

Uit een bespreking door Wilfred van de Poll in Trouw van 15 mei 2013 van het boek van Jan Geurtz, Verslaafd aan denken. De weg naar verlichting en levensgeluk [Ambo, Amsterdam], blijkt dat deze benadering van Avenarius ook heden nog voorkomt (ik weet niet of in dat boek naar Avenarius verwezen wordt) Je gedachten creëren volgens Geurtz een schijnwerkelijkheid, met een subjectief ik-bewustzijn en een objectieve buitenwereld. En haast automatisch accepteren we die tweedeling. Dit dualisme ziet Geurtz zo’n beetje als de wortel van alle kwaad.

Maar (anders dan Avenarius) zoekt Geurtz wel antwoord op de vraag naar de ontologische status van de ‘objectieve’ werkelijkheid los van mijn zintuigelijke waarneming ervan. Alleen gaat hij daarvoor op het spirituele pad. Niet je gedachten zijn het probleem, maar je identificatie met die gedachten. Je moet je geloof in de juistheid van je gedachten leren ontmaskeren. En daar heb je ‘transcendente wijsheid’ voor nodig om te komen tot ‘pure ervaring’ in een ‘realisatie van non-dualistische aard’. Een religieus iemand vult bij die ruimere, bovenpersoonlijke blik God in, zelf spreekt Geurtz liever van ‘niet-waarneembare waarnemer van subject en object.” Wie die blik lukt, bereikt verlichting.

De kritiek op deze benadering is dezelfde als bij Avenarius: wie is de ‘ik’ die zich niet meer met zichzelf moet identificeren? Is dat ook niet alweer dualistisch? Hoe kun je je ooit zonder een ik-perspectief bewust zijn van het feit dat je je ik-perspectief overtijgt? Dit is taalgymnastiek voor gevorderden.