Rondom de salon van d'Holbach

Philipp Blom: Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de Verlichting [Vertaling Pon Ruiter. De Bezige Bij, 2010]

Tussen Jonathan Israels eerste pil (Radical Enlightenment), zijn tweede (Enlightenment Contested) en het nog te verschijnen derde deel* van zijn trilogie over de Radicale Verlichting, waarin vooral de tweede helft van de achttiende eeuw centraal zal staan, en in het jaar van diens ‘tussendoortje’ A Revolution of the Mind. Radical Enlightenment and the Intellectual Origins of Modern Democracy, verscheen dit boek van Philipp Blom over de volgens hem vergeten Franse radicale filosofen.

De historicus, romanschrijver, journalist en vertaler Blom schreef een aardig en goed leesbaar boek, maar is toch niet degene die d’Alembert, Diderot, d’Holbach en andere philosophes uit de vergetelheid heeft gehaald. Hij deed geen eigen onderzoek, maar maakte gebruik van allerlei studies, monografieën, correspondenties e.d. van de hoofdrolspelers. De verdienste van Blom is dat hij uit al die deelstudies die veelal vooral door specialisten worden gebruikt, voor een breder publiek een interessant verhaal heeft samengesteld over de groep rondom de eerste Franse Encyclopedie. Een aardige vondst is dat hij de salon van de baron d’Holbach (door hem meestal Holbach genoemd) centraal stelde. Zijn enige eigen speurwerk was naar de locatie(s) van deze salon en van de verblijfplaats van de stoffelijke resten van de hoofdpersonen: Diderot, d’Holbach en Helvetius. Die laatste gegevens mogen dan min of meer in vergetelheid zijn geraakt, de auteurs zelf toch bepaald niet.

Centraal staan baron Paul-Henri Thiry d'Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784). En van die twee vooral Diderot. Hun verzet tegen de kerk, hun wens om een samenleving opgebouwd te zien vanuit de rede, waarbij het Diderot daarbij toch ook om erkenning van en ruimte voor de hartstocht gaat.

De wrijving en strijd tussen de fel atheïstische filosofen en de deïstisch gelovigen, zoals Rousseau en Voltaire is boeiend om te lezen. Ook het bezoek van David Hume, ‘le bon David’, aan de salon en vervolgens diens meenemen van Rousseau naar Engeland, waar - uiteraard, gezien de paranoia van de laatste - een grote ruzie tussen beiden ontstond, krijgt een hoofdstuk. De bij de revolutionairen van 1789 populaire Rousseau wordt door Blom zelfs bij de Contra-Verlichting ingedeeld.

Blom gaat helemaal mee met Israel en spreekt - alsof dat al lang gemeengoed was - voortdurend over de radicale verlichting en hij verwijst regelmatig naar de schatplichtigheid van de radicalen aan Spinoza. Hij weet dat overigens minder geloofwaardig te maken dan Israel dat - naar verwachting - in zijn derde deel zal doen. Blom schrijft: “Diderot koos ervoor om geen openheid te geven over de invloed die Spinoza op zijn denken had gehad.”(p. 133) En: “Het is wel duidelijk waarom Diderot en Holbach ervoor kozen om de beruchte ketter Spinoza niet openlijk in hun werk te noemen. Als ze eerlijk hadden gezegd dat ze zich door zijn ideeën lieten leiden, zou dat gevaarlijk voor hen geweest zijn, ook al kwamen Holbachs werken anoniem uit.”(p. 134) De vraag hoe de auteur dan weet dat ze dat toch deden komt niet aan de orde. Tot de tekstanalyse en –vergelijking die daarvoor nodig is, zou Blom niet in staat zijn. Daarvoor vaart hij helemaal op Israel (zonder steeds naar hem te verwijzen). Dat Spinoza zijn terrein niet is blijkt aan een zinnetje als “Hij schijnt ook te hebben gewoond in het dorp Rijnsburg…”(p. 128) Ook heeft hij het over de belangstelling die La Mettrie zou krijgen voor “de interactie tussen lichaam en geest, die hij, net als Spinoza, niet als twee afzonderlijke dingen zag, maar als twee aspecten van hetzelfde wezen.” (p. 70) Toch schrijft Blom over ‘interactie’. Ook de zekere vervalsing in het beeld van Spinoza die ontstaat doordat de materialistische lijn van deze filosofen aldus met terugwerklende kracht in Spinoza gelezen wordt. Zo kan de schets van Spinoza die Blom geeft (blz. 126 – 132) uitmonden in de zin: “Spinoza had niets meer of minder gedaan dan met zijn lof God uitgummen.”(p. 132) Daar blijkt de volstrekt seculiere, materialistische en atheïstische uitleg van Spinoza, zoals ook Israel die biedt.

Het is boeiend om zo uitvoerig over de betrekkingen van de belangrijkste bezoekers van de salon van d’Holbach te lezen. De dingen waarmee ze zich bezig houden, de Encyclopedie vooral, de ideeën die ze ontwikkelen, de verschillen met de ideeën van Rousseau, het komt aardig goed uit de verf. Merkwaardig is wel de omwisseling van inductie en deductie in een uitvoerige passage (op p. 202), hetgeen vraagtekens zet bij de vertrouwdheid van de auteur met de ideeën en wetenschapsgeschiedenis. Ook het schrijven over het ‘nihilisme’ van La Mettrie ver voor de tijd waarin die term voor het eerst door Jacobi werd gebruikt, doet merkwaardig aan. Het zijn kleinigheden die weinig afbreuk doen uit een goed verteld boeiend boek.

                                                     * * *

*) Net vandaag lees ik in een stukje van Diccon Hyatt die een telefonisch interview met Jonathan Israel had n.a.v. de viering van de 80e verjaardag van the Institute for Advanced Study in Princeton, waarop uiteraard ook Israel sprak. Daarbij vertelde hij dat dit derde deel zal lopen tot 1820 en de harde reactie tegen de ideeën van de radicale verlichting zal behandelen. Gezien de brede opzet van de eerdere delen, zou het mij niet verbazen als dan de Duitse Pantheismusstreit etc. ook door hem 'meegenomen' wordt.

“For the moment, I’m exploring the ideological side of the French Revolution, which has been surprisingly little studied,” Israel said. “Most people think there can hardly be thing really significant about the French Revolution that has not been said. But everyone has been looking at the social background and the politics. But what I find very strange is that nobody writes about the ideological battles of the French Revolution which are so important. That’s pretty complicated. The radical enlightenment is only one side of it. The people who took over in 1789 were eventually pushed out by Robespierre. These Robespierristes were very much opposed to all this intellectualism and the philosophical side of things. They said it’s not reason, it’s the feelings of the ordinary person that have to be the main guide. They used this as an excuse to create a very authoritarian system of popular sovereignty. It actually came about that 1789 brought in complete freedom of the press, but by the summer of 1793 it had been shut down completely and you had total authoritarian censorship.”

 

Interview & recensies

‘Doe wat nuttig is en geniet’ Interview met Philipp Blom in de NRC van 13 november 2010.

Goddeloze levensgenieters, bespreking van Marinus de Baar in Trouw van 20 november 2010

Jan van Duppen 22 november 2010

Bespreking van Frank Hellemans in de Knack van 1 december 2010

De gedurfde denker Diderot, bespreking van Alexander van Kesteren in 8Weekly van 8 december 2010

 

Reacties

Stan,
Paul Cliteur wijdt in 'Het monotheïstisch dilemma' - dat als onderwerp het religieus terrorisme heeft - een hoofdstuk aan de analyse van Holbach's 'Le Christianisme dévoilé'. Een van de kenmerken van de religieuze terrorist is volgens Cliteur duaal burgerschap: hij maakt deel uit van een nationale staat, èn hij leeft geestelijk in een andere wereld van waaruit hij zijn opdrachten ontvangt. Holbach stelt dat overal waar het christendom vaste voet krijgt 2 rechtsorden tegeover elkaar komen te staan: 1. de politiek die streeft naar eendracht en eenheid, en 2. de religie die noodzakelijk tweedracht doet ontstaan op basis van ambiguë orakeltaal. er wordt een staat binnen de staat gevormd die de burger opstookt tot rebellie tegen de vorsten. Citaat van Holbach: 'une telle religion, dis-je, est destructive pour toute société'.
In feite geeft Spinoza een gelijksoortige analyse over de ondergang van de Hebreeuwse staat: het gezag van de koningen werd ondermijnd door priesters en profeten die 'een staat in de staat' gingen vormen (TTP17.29). In TTP18.1-4 schrijft hij dat er amok in het rijk kwam toen priesters het recht kregen om zich met staatszaken te bemoeien, terwijl zij voordien alleen 'godsspraken' moxhten geven als de leiders er om vroegen.

Adrie,
vandaag was ik in Amsterdam waar ik in twee boekwinkels een schuin oog op het nieuwste boek van Paul Cliteur heb laten vallen. Nóg heb ik het kunnen laten liggen (en kwam terug met een stapeltje boek uit het Spinoza Antiquariaat. Maar ooit zal het er wel van moeten komen en ga ik ook dat boek lezen.

Philipp Blom heeft een heel hoofdstuk "Het geloof ontsluierd," naar aanleiding van dat boek van d'Holbach. Het is interessant te lezen welke voorzorgsmaatregelen genomen werden om maar te voorkomen dat de auteur kon worden achterhaald. Zo werd het manuscript eerst door een ander overgeschreven voor het naar de drukker ging; en zo waren er meer voorzorgen, opdat maar niet zou kunnen worden ontdekt wie de schrijver was.
Volgens Blom uitte d'Holbach vooral zijn woede over de geestelijke en morele slavernij die de kerk de mensen oplegde. Maar een politiek aspect zoals Cliteur er - door jou beschreven - uit haalt lees je bij Blom niet.