Spinoza aan elkaar uitleggend bespreken

Een terugblik op de bespreking die we met onze Spinoza Kring Limburg afgelopen maandag hadden in Aon de Wan in Maastricht. Eigenlijk bestaat de groep waarmee we de Ethica bestuderen uit tien personen, maar vier waren er verhinderd. Met ons zessen hadden we interessante discussies, soms diepgaand, soms bewondering delend, soms fel tegenover elkaar staand bij verschillende interpretaties. Ik stel me hier geen verslag van de hele avond ten doel, maar haal een paar dingen naar voren die mij als bijzonder bijbleven.

Op voorstel van een der deelnemers maakten we een rondje waarbij ieder de dingen die hem bij het lezen van deel 2 t/m stelling 15 waren opgevallen, of waar hij tegen onduidelijkheden opliep en dergelijke. Zo hadden we ons tevoren ook voorbereid en aldus kwam ook ieder aan bod.

Twee van een oneindigheid aan attributen
In dit deel geeft Spinoza voor het eerst de twee attributen aan, de enige van de oneindig vele die wij kennen - aan den lijve en in onze geest ervaren: uitgebreidheid en denken. Velen hebben daar moeite mee: hoezo oneindig vele? Waar haalt Spinoza dat vandaan – hoe weet hij dat! Het is dan fijn van een deelnemer te horen hoe hij dat juist als een vorm van openheid ervaart, een vorm van gelukkig makende bevrijding: wij ervaren aan onszelf, zoals wij zijn, slechts twee attributen, maar hoe verruimend is het te erkennen dat God of de natuur aan geen enkele beperking onderhevig is en een onbepaald aantal, ja een oneindigheid aan kenmerken heeft, of kan hebben, die elk op zich het wezen van God of de natuur laten zien. Als er ooit nog een attribuut wordt ‘ontdekt’ is nu al duidelijk dat geen ‘andere wereld’ wordt ontdekt, maar dat ook dát aspect tot die ene God of natuur behoort. We hebben er samen even om geglimlacht dat sommigen (b.v. Isaac B. Singer en Martin Buber) bezig zijn geweest om een 3e attribuut te ontdekken.

Immanentie
Een moeilijkheid voor velen is het feit, niet zozeer dat Spinoza elke transcendentie ontkent en de nadruk legt op de volstrekte immanentie van alles in de ene natuur, de enige wereld die bestaat – de volstrekte Diesseitigkeit van alle bestaan, maar dat hij dat doet met gebruikmaking van een traditie en een taal die uiting gaf aan een geheel ander, omgekeerd wereldbeeld. Spinoza schiep slechts in bescheiden mate een nieuwe taal, maar creëerde a.h.w. een eigen taal door bestaande woorden en begrippen om te gooien, een andere betekenis te geven.
Ik ben er van overtuigd dat hij dat juist deed om langs die weg te bereiken dat anderen daardoor een andere kijk op de dingen kregen. Hij zette woorden uit het bedachte supernaturalistische, transcendente domein met beide pootjes op de natuurlijke grond. Maar hoe grote moeilijkheden kan dat niet geven.

Zo had en heb ik grote moeite met het uit de Scholastieke theologie stammende ‘oneindige verstand’ (intellectus infinitus), waarvoor ik intussen geleidelijkaan een mij bevredigende verklaring aan het 'ontrollen' ben. Ik heb daar op dit blog wel eens een tipje van opgelicht.
Ik uitte deze avond de moeite die ik heb met wat Spinoza, tamelijk achteloos in mijn ogen, in het Scholium bij 2/1 schrijft: “dat wij ons een oneindig denkend wezen kunnen indenken,” (zoals Vermeulen vertaalt), resp. “dat wij een oneindig denkend ding kunnen denken,” (Krops vertaling) - voor ding ‘zijnde’ te lezen, want er staat ens: “quod nos possumus ens cogitans infinitum concipere.”

Ik ‘bekende’ dat ik dat niet kan. Ik heb daar moeite mee. Spinoza sloot zich wel aan bij Descartes opvatting (zoals hij in de TIE het heeft over het “gegeven ware idee” dat wij in ons zouden hebben) dat wij in ons een notie van een hoogste, volmaakt wezen aantreffen; iets waar wij als eindig wezen nooit vanuit onszelf zouden opkomen – dus is dat (a.h.w. ‘van buitenaf’) in ons aangebracht. Maar ik tref in mijzelf zo’n idee van een ‘oneindig denkend wezen’ niet aan. Die bewering staat mij daar veel te makkelijk.
Terwijl ik daarover sprak, om te achterhalen hoe de anderen daar tegenover stonden, of zij ‘ja’ op deze bewering konden zeggen, kreeg ik als reactie: “je moet je het niet proberen voor te stellen…” En al pratend ontstond bij mij het idee, zoals ik ook het intellectus infinitus meer en meer lees: niet als een je concreet in te denken (laat staan voor te stellen) werkelijk ‘wezen’ of ‘zijnde’ – ergens – met een oneindig actueel denken, maar meer als de metafysische grond, de mogelijkheidsvoorwaarde zeg maar, welke het fundament uitmaakt van elk denken zoals we het in ons ervaren. Die fundamentele voorwaarde en grond voor denken moet je hier misschien als bedoelde betekenis aannemen: er is denken, wij ervaren in ons denken, we beseffen dat we dat denken niet uitgevonden hebben, maar dat het ‘iets’ is dat zich in ons afspeelt. Daaraan is geen enkele beperking opgelegd of op te leggen (daarom de wenselijkheid van “vrijheid van denken”). Daarin openbaart zich wellicht een oneindige openheid tot nog gigantisch veel denken. Als je het zo mag opvatten, en als Spinoza het zo misschien bedoelt, verzoent dat mij met de geciteerde passage, waarin ik in eerste instantie zo’n moeite had.

En daarmee ervoer ik aan den lijve het nut van zo’n gesprekgroep: ik kwam 'zelf', almaar tegen de anderen aanpratend op deze gedachten, maar mede door een enkele interruptie van een ander.

Spinoza's attributen-dualisme
Ik kon bij de anderen wel waardering merken voor mijn lezing van  2/6 en bewijs: hoe ik daar Spinoza zo nadrukkelijk zie stelling nemen tegen de aloude christelijk-scholastieke leer van de alleen geest of denken zijnde God, die vanuit zijn denken de materiële dingen schiep. Dat kan bij Spinoza niet. Vanuit het ene attribuut kun je niets begrijpen van het andere attribuut - dat zijn twee niets met elkaar van doen hebbende kanten van de dingen. Telkens als ik die passages lees, klinkt dat verzet tegen die achtergrond luid en duidelijk in mij mee.

Animata, diversis gradibus
Verder spraken we over de opmerking hierover in 2/13s, maar daarover is hier in diverse blogs denk ik genoeg geschreven. Alleen werd er door iemand op gewezen, via de 1e noot van Henri Krop bij het tweede deel, dat Spinoza in de PPC 1 def. 6, waar hij Descartes  in de ik-vorm uitlegt: “Ik spreek hier liever van geest [mens]  dan van ziel [anima] aangezien het woord ziel dubbelzinnig is en vaak voor iets stoffelijks wordt gebruikt.” Krop schrijft dan: “Aangezien anima staat voor alle het leven kenmerkende vermogens, bijvoorbeeld ook de vermogens tot voortplanting en de voedselopname, hebben Descartes en Spinoza een voorkeur voor het woord mens.”
Ook dit ondersteunt m.i. mijn interpretatie van de enige plaats (2/13s) waar Spinoza animata – in diversis gradibus – gebruikt dat ook hier het animata zijn van alle modi meer op de lagere kenfuncties slaat dan het (rationele) denken.

Tenslotte wilde ik ook nog spreken over een onderwerp dat uitgebreid aan de orde kwam en dat mij hoog zit (nogmaals een aspect van het attributen-dualisme), maar dit blog is al te lang, zodat ik nog iets bewaar voor een andere keer.