Spinoza, de dood en het in eeuwigheid 'onsterfelijke'

Volgens Elias Canetti is de grootste uitdaging voor de mensen "sich nicht an den Tod zu gewöhnen". Maar volgens Martin Heidegger zou gelden dat de mens is een "Sein zum Tode." Hoe weinig, maar ook hoe anders spreekt Spinoza over de dood.

De aanleiding voor dit blog is deze e-mail die ik onlangs ontving van een bezoeker van dit blog:

Hoe Spinoza precies denkt over de dood, kan ik niet eens verwoorden (ik heb er niet een studie van gemaakt), maar ik denk wel in de eerste plaats aan stelling 67 uit de Ethica, deel 4: Homo liber de nulla re minus quam de morte cogitat et ejus sapientia non mortis sed vitae meditatio est (de propositie die Taine tot zijn levensmotto maakte [Was het motto van Taine niet "Vivre pour penser"? SV]).

Ik ben het hartgrondig eens met Spinoza, dat het "leven vieren" een goede levenshouding is. Niettemin: als ik zoveel mogelijk in het nu wil zijn, ontkom ik er niet aan dat ik ook geconfronteerd word met aspecten van vergankelijkheid, veranderlijkheid, de dood. Dat kan een mens ertoe brengen in te zien dat alles in dit leven voorbijgaat, dat hij de illusie van alles wat naam en vorm heeft gaat inzien.

Hij wordt dan een "voorbijganger", aldus een uitspraak van Jezus in het Thomasevangelie. Dat "voorbijgaan" heeft ook betrekking op het vergankelijke karakter van het menselijk bestaan, in casu mijn eigen leven. Hierin zit, zonder gepreoccupeerd te hoeven raken met de dood, een meditatie op de dood. Dat zou een reden kunnen zijn waarom in de meeste godsdiensten erover wordt gesproken "om te sterven vóór de dood". Als ik nu al, in dit leven, ben gestorven (aan de tijdelijkheid van alle dingen) is het doodgaan op zich angstvrij geworden en hoef ik me er niet mee bezig te houden. Bovendien, als - ook een idee dat overal op de wereld wordt aangetroffen - de dood nu eens niet bestaat? De spanne tijds tussen geboren worden en doodgaan is slechts een heel klein stukje van het leven (bewustzijn). Wat was ervóór en wat is erna? Dit is een reële vraag, die niet door een filosofie is op te lossen, denk ik.

De vraag kan alleen, individueel, opgelost worden door er heel serieus in zichzelf naar te zoeken. Misschien is dit ook wel wat Spinoza in essentie bedoelde? Dat leven bewustzijn is (maar niet per se alleen gebonden aan de ratio). Of ben ik dan helemaal abuis?”

Wat was ervóór en wat is erna?

Een intrigerende vraag. Maar Spinozistisch misschien ook een verkeerde vraag. “Vanuit de eeuwigheid” gevraagd: kan er vanuit dat gezichtspunt wel een vóór en een ná zijn? Dat vragen kan alleen geschieden vanuit een tijdelijke, eindige visie vanuit de singuliere dingen. Vóór mijn dood waren er alleen de oorzaken (stoffen en bijpassende ideeën e.d.) en was er alleen de visie, de kennis (de idee in het oneindige intellect), dat ik ooit tot bestaan zou komen en na mijn dood zal er de visie, de kennis zijn dat ik eens bestaan heb (alsmede de stoffelijke dingen en ideeën erbij die uit mij voortkwamen). Maar Spinoza gaat toch in op deze vraag, daar kom ik zo op.

De dood niet te belangrijk maken

Spinoza heeft inderdaad weinig tekst over de dood. Op die manier is hij – zoals we van hem gewend zijn - consequent in zijn leer: de wijze heeft het niet veel over de dood, maar is bezig met het leven. Dan moet je het er dus ook echt niet veel over hebben. Als ik die consequente houding vergelijk met de stoïsche van Epictetus: in zijn Colleges heeft hij het voortdurend over de dood, waarover hij dan telkens weer benadrukt dat je die niet in je macht hebt en dat je je daardoor dus niet moet laten ‘bezetten’. Maar hij heeft het er zó vaak over dat het bij hem wel een obsessie lijkt. Hoe anders bij Spinoza.

Ik denk dat bij Spinoza, in zijn houding tegenover de dood, meespeelde dat hij om zich heen en vanuit de voorafgaande eeuwen zo’n overdreven sterke focus op het bestaan ‘na de dood’ aantrof, dat hij wel sterk moest benadrukken dat er maar één wereld bestaat – niet nog een na-wereld of bovenwereld waarin ons bestaan zou kunnen worden voortgezet (in een hemel of een hel). Volgens mij vond hij dat zonde van de energie (energie die dan aan het leven en het genieten van dit enige ons gegeven leven werd ontrokken). Vandaar dat hij er goed beschouwd zo weinig aandacht aan besteedt: alleen maar in de geciteerde stelling 67 in deel 4, nog één keer herhaald als “nauwelijks angst hebben voor de dood” in stelling 38 en het bewijs van stelling 39 van deel 5. En indirect in zijn ontkenning van de vrij gewilde zelfmoord. Zelfdoding komt altijd en alleen door externe veroorzaking, niet vanuit de eigen conatus.

 

Eén keer gaat het over sterven

Nadat Spinoza in deel IV Ethica in de stellingen 38 en 39 gehad heeft over wat goed of slecht is voor het lichaam, de goede stofwisseling, beschrijft hij in het scholium bij stelling 39 wat hij onder sterven verstaat. Hij verstaat daaronder het sterven van een lichaam: het moment dat zijn delen in zo een toestand terechtkomen dat hun verhouding van beweging en rust verandert. Maar dan denkt hij niet alleen aan de letterlijke dood: “Ik durf namelijk niet te ontkennen dat het menselijk lichaam met behoud van de bloedsomloop en de andere verschijnselen die men als wezenlijk voor een levend lichaam beschouwt, toch een volledig andere natuur kan aannemen. Geen argument dwingt me immers tot de bewering dat een lichaam alleen sterft door verandering in een lijk, want de ervaring lijkt ons van het tegendeel te overtuigen. Want het gebeurt soms dat een mens zulke veranderingen ondergaat, dat ik niet graag zou willen beweren dat hij dezelfde is gebleven.” Volgt het voorbeeld van de Spaanse dichter.

Er is dus een soort sterven tijdens het leven mogelijk. Sommige mensen zijn als levende doden. Hier zijn we bij de waarschuwing van Elias Canetti "sich nicht an den Tod zu gewöhnen".

Eeuwigheid van de geest

Bij Spinoza niets van het bijna teleologisch Heideggeriaanse Sein zum Tode. Wel heeft hij het in het tweede deel van het vijfde deel van de Ethica over het deel van de geest dat eeuwig blijft.

Tamelijk algemeen wordt als het moeilijkste gezien wat Spinoza schrijft over de eeuwigheid van de geest. Dit is ten onrechte soms uitgelegd alsof Spinoza daar iets zegt over onsterfelijkheid van de geest – dus iets zou zeggen over ‘na de dood’. De Korte Verhandeling heeft die uitleg wel bevorderd, want die heeft het in II.23 Over de onsterfelijkheid van de geest. Daarin komt ook het “ervoor en erna” ter sprake. Ik neem deze tekst in de hertaling van Jan Knol (zonder noten) over:

1. Als we goed letten op wat de geest is en waaruit zijn veranderingen en duur resulteren, is gemakkelijk in te zien of deze sterfelijk of onsterfelijk is. Van de geest zeiden we dat die in het Attribuut Geest een idee is, ontstaan uit het werkelijk bestaan van een ding. Waaruit volgt dat de duur en verandering van de geest overeen moet komen met de duur en verandering van dat ding. We zeiden al dat de geest verenigd kan worden of met het lichaam waarvan hij de idee is, of met God zonder welke hij noch kan bestaan noch kan verstaan worden. Hieruit kan gemakkelijk geconcludeerd worden:

2. Ten eerste, als de geest alleen met het lichaam verenigd is en dit vergaat, moet de geest ook vergaan. Als de geest het lichaam (het fundament van zijn liefde) mist, moet hij met dat lichaam vergaan. Ten tweede, als hij met iets onveranderlijks verenigd wordt, zal hij onveranderlijk moeten blijven. Want waardoor zou de geest dan kunnen vergaan? Niet door zichzelf. Evenmin als de geest door zichzelf een begin heeft kunnen maken toen hij nog niet bestond, evenmin kan hij, nu hij er is, zich veranderen of tenietdoen. Zodat wat de enige oorzaak is van mijn bestaan, ook (bij zijn ondergang) oorzaak moet zijn van zijn niet-bestaan door zichzelf te veranderen en te vernietigen.

Dit komt in deel V van de Ethica terug in de stellingen 38 (“Naarmate de geest meer dingen met de tweede en derde soort kennis begrijpt, ondergaat hij slechte hartstochten minder, en vermindert zijn angst voor de dood”) en 39 (“Wie een lichaam heeft dat tot veel in staat is, heeft een geest die grotendeels eeuwig is). Hier is geen sprake meer van ‘onsterfelijkheid’ en gaat het veel meer over tot welk resultaat iemand met het inzicht van een wijze kan komen. Uiteraard alleen maar zolang hij leeft. Ware kennis is eeuwige kennis. Ook anderen bereiken die situatie, mede door de vruchten die eerdere ‘geesten’ bereikten en doorgaven. Zodat je kunt zeggen dat daarin de geest eeuwig is – ‘hun geesten’ eeuwig zijn die deelhebben in de eeuwige waarheden.

 

Ethiek van het leven in blijheid

Spinoza zal de laatste zijn die het nastreven van het vrij (en wijs, blij en gelukzalig) worden, het je niet laten beheersen door de slavernij van passies, te beschouwen als "te sterven vóór de dood." Dat is precies wat Spinoza op godsdienstige ethiek tegen heeft: bereiken dat de meeste mensen slechts deugdzaam zijn uit vrees voor straf en in de hoop op beloning. Dat houdt mensen af van echt te leven.
Het niet groter maken van je ‘Ik’, maar jezelf in de juiste proporties zien sub specie aeternitatis, is dan ook geen pleidooi voor het laten afsterven van het ‘Ik’. Ten onrechte is Spinoza als mysticus gezien met een soort boodschap als “om God te kunnen ontmoeten, moet je het ego, het Zelf afleggen.” Bij hem is het niet meer dan een beroep doen op realiteitszin: namelijk dat er in werkelijkheid helemaal geen ik en geen vrije wil bestaat. Wat niet bestaat kan ook niet afsterven.
Alleen de kracht van de verbeelding moet je bij hem proberen door te krijgen.

Dood als ‘ontologisch kwaad’?

Het zijn tegenstanders van Spinoza die hem een ‘metafysische rechtvaardiging van het kwaad in de wereld’ in de schoenen schuiven (zo bijvoorbeeld Max Scheler in Ordo amoris). Die nemen hem kwalijk dat bij hem goed en slecht/kwaad geen ontologische basis hebben, maar dat dingen alleen goed of slecht zijn t.o.v. onze menselijke natuur. Ook wat ons daadwerkelijk kwaad doet, is niet slecht in zichzelf. Zo is nu eenmaal de noodzakelijke orde der natuur. Het heeft totaal geen zin om over de dood als een kwaad in zich te denken en te spreken. Alles is perfect zoals het is. Zonder dood kan er geen leven zijn.
Zo nuchter en reëel moeten we zien te denken. Dat maakt je vrij.