Spinoza en de werkelijkheid [6 en slot]

Kunnen we Spinoza’s God lezen als ‘de werkelijkheid’? [Het voorstel dat een lid van de SKL deed was om: "Overal waar "God" staat in het werk van Spinoza voortaan "Werkelijkheid" schrijven en zetten. Dat zou, denk ik, de sfeer van deel I veranderen, het wat frisser, koeler en minder mystiek maken. En mogelijk tot andere inzichten leiden? Zoals je een schilderij verhangt en er weer eens van een heel andere kant naar kijkt (en er soms andere dingen in ziet)?"]

Dat was de vraag resp. het voorstel en ik keek in het eerste blog eerst naar de herkomst van het woord via Meister Eckhart’s 'Werkelicheit', dat een vertaling was van het scholastieke actualiteit, actualitas. In het tweede blog ging ik nog even door met de filosofie en het godsbeeld van Meister Eckhart. In het derde blog bekeek ik de betekenis en het gebruik van 'realitas' bij Spinoza. In het vierde blog keerde ik weer terug naar die fascinerende Meister Eckhart die ons aan het woord 'werkelijkheid' had geholpen en vroeg ik mij af of er studies bestonden naar Spinoza en Meister Eckhart, wat je zou verwachten daar beide filosofen door de Duitse romantici werden herontdekt, maar die bleken - op één artikel na - tot mijn verbazing niet te vinden. In het vijfde blog onderzocht ik de twee domeinen, 'werelden' of 'werkelijkheden' die Spinoza onderscheidde: dat van de rede en de filosofie en dat van geloof en theologie - en stelde ik mij de vraag of Spinoza in beide werelden thuis hoorde, n.l. of hij ook godsdienstig gelovig was (wat hij volgens mij niet op die manier was; hij geloofde niet in een 'openbaring'). In dit blog wil ik deze kleine reeks afsluiten en trachten een antwoord te geven op de opgeworpen vraag (resp. voorstel).

Ik begin met mij af te vragen: Waarom intrigeert die vraag mij zo dat ik er graag op inga en er wel 6 blogs aan wijd? Ik vermoed, omdat ik "ergens" wel iets zie in de vraag (die eigenlijk een voorstel is), maar uiteindelijk zie ik er toch ook flinke bezwaren tegen, die ik in dit blog wil vermelden. Een behoefte om 'God' uit de Ethica te verwijderen, die ik wellicht vroeger ook koesterde, heb ik in het geheel niet meer; daar heb ik in diverse blogs inmiddels genoeg uiting aan gegeven.

Meerderen hebben in de loop der tijd getracht Spinoza's term 'God' door een andere term te vervangen. Johannes van Vloten zette er de term 'Leven' voor in de plaats. J.W.T.E. Sikkes (cf. dit blog) zette de term 'Zijn' ervoor in de plaats. In deze tijd is Haije Bouwman bezig geweest om Spinoza te 'hertalen' door overal de term 'Natuur' i.p.v. God in te brengen.
Een woord is maar een woord. Woorden op zich zeggen niets over de werkelijkheid, maar worden als menselijke maaksels daarop geplakt. Zo schreef Spinoza in zijn brief aan Johannes Hudde (Brief 36), waar hij het had over het noodzakelijk bestaan van "een absoluut onbegrensd en volmaakt zijnde": "dit zijnde wil ik God noemen" [
quod Ens ego Deum nuncupabo]. Juist Spinoza was van het "afspraken-" en conventiekarakter van de taal, het feit dat taal een menselijke uitvinding was, heel goed op de hoogte: woorden zijn van de verbeelding, lichtte hij toe. Maar juist daarom ook hechtte hij eraan dicht bij het gewone taalgebruik te blijven en duidelijk te maken waar hij aan woorden andere betekenissen gaf. Ik kom daar verderop op terug.

Eén ding is zeker: de werkelijkheid is groter, omvangrijker dan wij in ons bewustzijn kunnen bevatten. Maar eerst even over wat we bedoelen met 'werkelijkheid'. De vraag uit welke zijnden de werkelijkheid is opgebouwd en hoe deze zijnden zich tot elkaar verhouden behoort van oudsher tot de metafysica. Voor Spinoza bestaat de werkelijkheid uit niets anders dan de substantie en de modi ervan [1/28bewijs].
Neem een omschrijving als deze: "Reality is the state of things as they actually exist, rather than as they may appear or might be imagined," aldus de Engelse wikipedia. Op het eerste gezicht lijkt dat een omschrijving die wellicht weergeeft zoals ook Spinoza erover dacht. Maar let wel: al datgene wat verbeeld wordt, het fictionele of virtuele en dergelijke meer, behoort óók tot de werkelijkheid. Hier stuiten we al meteen op een moeilijkheid. Er zijn (minstens) twee betekenissen die we aan 'werkelijkheid' gegeven: dat wat
écht, waar, werkelijk is én dat wat alles is: het alomvattende.

We hebben dus de échte (ware) werkelijkheid en de hele (totale) werkelijkheid van al wat er is. En dat onderscheid zet deze werkelijkheden niet eenvoudig naast elkaar, want de totale werkelijkheid omvat uiteraard de échte werkelijkheid (het geheel van reële dingen, gebeurtenissen en adequate/ware ideeën) en alle mogelijke imaginaire, fictionele dingen, gebeurtenissen en denkbeelden (waaronder godsdiensten, literatuur, de virtuele wereld van de films en de games etc.).
Beide betekenissen slaan op de God van Spinoza, want buiten de substantie ofwel God bestaat er niets: alles is en beweegt in God.

In het voorbijgaan. Ik had het over 'minstens' twee betekenissen. Je kunt ook denken aan de zgn. "driewereldentheorie" van Karl Popper (1902-1994), waarin de substantiële eenheid van de totale werkelijkheid gecombineerd wordt met een ontologische driedeling: een overzichtelijke indeling van alle zijnden in materiële (wereld 1: alle materiële entiteiten; atomen, cellen, organen, lichamen, gebouwen etc.), psychische (wereld 2: alle subjectieve psychische entiteiten; subjectieve kennis, dromen, gevoelens, ervaringen, attitudes etc.) en abstracte zijnden (wereld 3: concepten, proposities, theorieën, argumenten, getallen etc.). Ik wilde hiernaar slechts verwijzen [cf. De Emergentie en Evolutie van Drie Werelden. Tweede Revisie van Poppers Driewereldentheorie proefschrift van André de Vries, 2009 PDF; en cf. hier]

Ook binnen de interpretatie van Spinoza's filosofie in de secundaire literatuur kom je verschillende uitleggingen tegen over hoe Spinoza de werkelijkheid schetst, m.n. bij de uitleg van de zgn. onmiddellijke oneindige modi ("beweging en rust" in de uitgebreidheid en het "oneindige verstand" in het denken. Volgens de een verwijst dat naar de totaliteit van alle singuliere modi of eindige dingen resp. ideeën, volgens de ander (Curley m.n.) verwijst het naar de natuurwetten resp. denkwetten (werkelijkheid scheppende natuur- en denkwetten). Ook dit zijn verschillende zienswijzen op de Spinozistische werkelijkheidsleer, waarnaar ik slechts verwijs.

Hoe God verdwijnt uit de Ethica?
In wat als de 'echte werkelijkheid' valt te zien leidt tot soms fel debat. De één (Spinoza) ziet het geloof in transcendentie en in een antropomorfe, persoonlijke God als verbeelding, terwijl anderen die daarin geloven die transcendente God juist als de 'echte en ware' werkelijkheid zien. Ik beschouw de wens om 'God' uit de
Ethica te weren als een poging om kritiek vanuit de gelovige werkelijkheidsopvatting op de Spinozistische te omzeilen wellicht?

Als je in de Ethica op de plaats van God 'werkelijkheid' wilt invullen, kom je op diverse (misschien vele) plaatsen in problemen. Hoe wijzig je bijvoorbeeld "Dei actuosa essentia" in 2/3s [Gods energiek werkende wezen]? Wordt dat iets als: het actief werkende aspect van de werkelijkheid? En wellicht wordt een probleem: hoe breng je onderscheid aan tussen de diverse betekenissen van werkelijkheid?

Maar stel dat het je lukt om de Gods-term weg te werken en er 'werkelijkheid' (of Leven, Zijn, natuur) voor in de plaats hebt gekregen, dan loop je nóg de kans dat dat geïnterpreteerd wordt als: eigenlijk is daar God bedoeld. Zoals er interpretatoren zijn die van Heideggers gebruik van 'Zijn' en "het Zijn' zeggen dat hij er blijkbaar 'God' mee bedoelde uit te drukken. Zo zou je niet veel opschieten met je hertaling.

En wat doe je met de andere noties van theologische herkomst die Spinoza een andere betekenis heeft gegeven? Bijvoorbeeld 'attributen', 'intellectus infinitus' e.a. moeten die ook alle weggewerkt worden in een hertaling?

Ik heb er al op gewezen dat Spinoza met zijn taalgebruik zich zo dicht mogelijk aansloot bij het gewone taalgebruik. Dat had hij zich al voorgenomen in de TIE: "Ad captum vulgi loqui." Behalve dat het praktisch een heel moeilijke klus zou zijn, is mijn grootste bezwaar tegen een dergelijke hertaling dat je dan ook de kritische lading van Spinoza's godsbegrip kwijtraakt. Hij had zeer zeker een (ped)agogische bedoeling ermee om de traditionele, vol verbeelding zittende, manier van denken over de werkelijkheid en dan met name wat betreft het transcendente godsbegrip, te helpen ombuigen om de mensen een andere kijk op de immanentie van de werkelijkheid te geven. Daarbij nam hij een flink aantal theologische begrippen (God, zijn attributen, het oneindige intellect e.d.) en bij de Korte Verhandeling zelfs de structuur van theologisch traktaat over (eerst "wat God is", dan "dat God is", dan de attributen van God etc.) en eigenlijk ook nog in de Ethica: eerst de definitie van God (1/Def6) dan het bestaan van God bewijzen (1/11 ). Hij wilde degenen die serieus studie van de werkelijkheid wilden maken, zien mee te krijgen in zijn ander zicht erop, waarbij hij die ingebakken noties van andere inhoud voorzag. Daaraan ging de benadrukking vooraf in de TIE om je verstand uit te zuiveren van vooroordelen, culturele en andere normen, waarden en gangbare ideeën waarin je opgegroeid bent; dát is zijn emendatio.

Eerlijk gezegd moet ik er niet aan denken dat je door die vertaal-operatie dat krachtige aanhangsel van het eerste deel, waar hij eerst kort zijn filosofische godsleer samenvat om dat vervolgens het antropomorfe godsbeeld aan te vallen en uit te leggen hoe dat samenhangt met de teleologische werkelijkheidsopvatting. Die krachtige tekst zou teruggebracht worden tot een slappe papieren tijger.

Er is m.i. nog een meer inhoudelijk argument tegen het idee om Spinoza's 'God' in 'werkelijkheid' te willen vertalen. Het dynamische betekenisaspect van 'het werken', 'het actieve, 'het zich actualiserende', het 'zich doorzettende', zoals Eckhart 'werkelijkheid' '(vertaling van actualitas) oorspronkelijk bedoeld moet hebben (zie eerste blog), zijn we naar mijn inschatting enigszins kwijtgeraakt, terwijl de meer 'optellende' kant, het vaststellende totaalaspect of "alles wat het geval is" de overhand heeft gekregen. Laten we het daarom maar bij 'God' houden. Ik zie ons namelijk 'werkelijkheid' niet direct definiëren als "een volstrekt oneindig zijnde ofwel een substantie die uit oneindige attributen bestaat die elk de eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengen."

Je kunt je afvragen waar die behoefte vandaan komt om God uit de Ethica en de TTP te verwijderen? Komt dat niet voort uit mogelijk nog in zekere zin doordrongen te zijn van het traditionele religieuze begrip van een scheppende en enigszins op een mens lijkende God? Zoals dat eigenlijk ook geldt voor degenen die Spinoza per se atheïst willen noemen? Ik heb in eerdere blogs [b.v. hier] betoogd dat dan kennelijk van het godsdienstige persoonlijke Godsbegrip als norm wordt uitgegaan. Maar daar kún je - geëmendeerd - los van komen.

Als je eenmaal Spinoza's benadering van de werkelijkheid een beetje doorhebt ga je 'God' heel anders zien. Dan kun je in het uitleggen van zijn filosofie - bijvoorbeeld in het overdragen ervan aan anderen - heel goed uit de voeten met hier en daar af en toe gebruik te maken van de term 'werkelijkheid', bijvoorbeeld zoals Ton van der Stap dat deed om de God van Meister Eckhart uit te leggen en van wie ik in het 2e blog een aantal alinea's overnam. Maar dan heb je ook geen enkele behoefte meer om Spinoza's God uit zijn filosofie uit te zuiveren, waar die zo'n eigenstandige functie vervult in het leren begrijpen van hoe oneindig de werkelijkheid in elkaar zit.

Toegift

Soms lees je dat Spinoza met zijn Deus sive Natura niet zozeer God heeft genaturaliseerd, maar de natuur heeft vergoddelijkt. Het is de vraag wat daar dan weer mee bedoeld wordt - toch niet een soort sacralisering, heiliging van de natuur? Dat zou dan weer tot misverstanden aanleiding kunnen geven. Waarom was het voor De Dijn zo belangrijk om Spinoza's immanente God tocht transcendent te noemen? Dat laatste hóeft geen probleem op te leveren (ik schreef al: de werkelijkheid is groter dan wij kennen), als er maar niet iets van een 'boven' of 'buitennatuur' mee wordt gesuggereerd. Als ermee wordt bedoeld te benadrukken dat Spinoza een niet simpele, reductionistische natuuropvatting heeft, helpt dat om het kritische, brede natuur en werkelijkheidsbegrip van Spinoza te beseffen. De natuur, de werkelijkheid, is rijker aan eigenschappen dan we vaak geneigd zijn te denken. En ja, Spinoza lijkt een zekere afstand tussen het gehele universum welke een verschijningsvorm van God is [facies totius universi] en de substantie resp. God: de substantie is eerder dan, gaat vooraf aan de modi (niet in tijd, maar logisch). God is de natura naturans, de dingen van de wereld zijn natura naturata. Maar hoe méér we die dingen werkelijk leren kennen, hoe meer we God kennen; zo groot is die afstand niet. Als dát de functie en het nut is van het handhaven van het godsbegrip, is het oké; als divinisering van de natuur maar niet iets anders dan dat betekent.

Stan Verdult

Reacties

Ik vroeg me direct in het begin al af: waarom onderzoek je deze vraag? Suggereert Spinoza zelf dat God gelijkgesteld kan worden aan 'de werkelijkheid' of 'realitas'? (Nee, denk ik) Is er een Spinoza-deskundige die dat beweert? Dat zou dan misschien Melamed kunnen zijn die in zijn proefschrift beweert dat de eindige modi 'eigenschappen' van God zijn die van hen 'geprediceerd' kunnen worden (waarmee hij 'in line' komt met Descartes over eigenschappen van substanties, maar waarom zou je dit willen?) Dan behoort alles tot God en zou je misschien kunnen zeggen dat God 'de werkelijkheid' is (= de stelling dat Spinoza een 'pantheist' is: al wat is behoort tot God). Je (Stan) neemt blijkbaar zelf het standpunt in dat God vereenzelvigd kan worden met de 'natura naturans' (hoe krijg je die cursief trouwens in de tekst?), zoals blijkt uit de laatste regels. Daar ben ik het mee eens. Blijft het probleem dat Spinoza bijvoorbeeld de ideeën van singuliere dingen aanduidt als ''God, in zover hij wordt aangedaan door de idee van een ander singulier ding". Is 'God, in zover hij wordt aangedaan door ...' God of niet?

Maar Henk, alles hoort toch tot God? 1/15: "Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of worden gedacht." Dat is overigens niet de pantheïsme-stelling, die gaat verder en stelt dat alles, alle dingen, God ZIJN. Dat is niet Spinoza's stelling. In 2/10s maakt hij duidelijk dat het wezen van God niet het wezen van de dingen uitmaakt [et tamen Deus ad earum essentiam non pertinent]. Daarom kan hij geen pantheïst genoemd worden.
De dingen zijn dus niet God, maar wel is God of de natuur werkzaam in alle dingen. Dat is wat Spinoza op allerlei manieren duidelijk maakt, b.v. door te benadrukken dat elk ding een eigen kracht (conatus) krijgt uit Gods kracht; b.v. via de door jou geciteerde zinnen als ''God, in zover hij wordt aangedaan door de idee van een ander singulier ding"; welk idee op zijn beurt ook weer God is, voor zover hij wordt aangedaan door een ander singulier ding etc.. God of de Natura Naturans is in alles actief. God is hét actief werkzame wezen [Dei actuosa essentia] waardoor alle dingen, samen de Natura Naturata ontstaan.
Wat ik uitdagend vind aan én bezwaarlijk tegen het gelijkstellen van God en de werkelijkheid heb ik hoop ik in het blog duidelijk gemaakt; ook wat de herkomst van die vraag was (niet Melamed).
Tot slot, cursief kan ik wel in het blog aanbrengen, maar in de reacties kan dat niet.

We zijn het helemaal eens. Alles is in God en God is in alles, maar niet alles IS God. Het ging mij om de formulering die Spinoza gebruikt voor singuliere dingen: 'God, in of voor zover .....'. Is een singulier ding volgens deze zin nu God (weliswaar in zover deze wordt aangedaan enz.) of niet? Sommigen beroepen zich op deze formulering als argument dat God niet alleen Natura naturans is, maar ook Natura naturata.

We zijn het inderdaad volkomen eens. Laat ik hetzelfde anders zeggen: De Natura naturans veroorzaakt de Natura naturata (niet-transiënt, maar immanent blijvend); de Natura naturata is en blijft in de Natura naturans (immanent); De Natura naturata IS NIET de Natura naturans. De Natura naturans IS NIET de Natura naturata, maar daarin veroorzakend werkzaam.
De term "werkelijkheid" gebruiken maakt het moeilijk dit onderscheid te maken.
Sommigen zien de werkelijkheid als de waarneembare werkelijkheid en hebben dan geen oog voor de werkende krachten die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van die werkelijkheid. De totale werkelijkheid is groter, rijker.

Maar wat zeg je tegen mensen die op grond van de genoemde wijze van formuleren zeggen dat de natura naturata ook God IS (het STAAT er toch, zie mijn vorige reactie)?

Henk, ik zeg tegen die mensen precies wat ik hierboven zei en hierna zal zeggen. [Er staat niet wat er staat...]
Dit is misschien wel een mooi voorbeeld om het "Principle of charity" toe te passen - hoe lees je Spinoza?
Zie daarover het volgende blog
http://spinoza.blogse.nl/log/yitzhak-melamed-bestrijdt-de-domesticatie-van-spinoza.html

Er staat b.v. in het bewijs van 2/13 "... niet inzoverre God onze geest vormt, maar in zoverre God de geest van een ander vormt." Dit is telkens de formule. En als er een keer i.p.v. "vormt" "is" staat, dient dat zó gelezen te worden: God is daar aan het werk; dat is het werk van God. Dat verwijst dus telkens precies naar het handelen (agere) van God en naar het resultaat ervan (onze geest of de geest van een ander ding). Maar daar staat niet dat God onze geest IS, zodanig dat je kunt zeggen dat onze geest God IS. Hij veroorzaakt het, bewerkt het, brengt het tot stand. Dat is het WERK van God, maar de gebakken pot IS NIET God.

Ik sluit me volledig aan bij de mening dat God alleen de natura naturans is, en ik begrijp niet goed waarop men zich zou kunnen baseren om te beweren dat Spinoza ergens stelt dat (een deel van) de natura naturata God zou zijn:
- Ik heb in de Ethica gezocht waar de zinsnede zou staan die Henk aanhaalt ( “God, in zover hij wordt aangedaan…”) en heb dit nergens kunnen terugvinden (toch niet in de vertaling van Nico van Suchtelen). Wel vind je dikwijls uitdrukkingen zoals “voor zover God de Geest vormt” of “…uitmaakt”, of in het Latijn “…constituit”, maar dit verwijst naar God als bewerkende oorzaak, niet naar God als (verzameling van ) veroorzaakte singuliere dingen.
- Er staat wel (heel dikwijls) dat een singulier ding (bv. een voorstelling) “in God” is, maar de uitdrukking “iets ‘is in’ iets” betekent in de Ethica altijd: “iets ‘heeft als onderliggende oorzaak’ iets”. Zo bv. blijkt uit het bewijs van E1p15 “Als wat is, is in God…” dat het hier gaat om God als substantie die de bewerkende oorzaak is van bestaan en wezen van alle dingen.
- En tenslotte: in E1p31 staat expliciet: “een werkend verstand, hetzij eindig of oneindig, moet…tot de genatuurde natuur behoren en niet tot de naturende”. Dit impliceert dat elke voorstelling tot de genatuurde natuur behoort.

Ja Stan, ik begrijp je standpunt wel en ben het daar ook mee eens, maar je komt met je uitleg weg omdat je het hebt over een voorbeeld met 'vormt'. Maar dat is niet telkens de formule. Bijvoorbeeld in 2/9: 'GOD, niet IN ZOVER hij oneindig is, maar IN ZOVER men hem beschouwt als aangedaan door een ander idee van een bestaand singulier ding'. Beide keren 'God, IN ZOVER', beide keren God dus (als je het neemt zoals het er staat). Om die formulering gaat het. Begrijp me goed, ik verdedig deze interpretatie niet, zou alleen een goede alternatieve uitleg willen (al of niet vanuit het 'principle of charity'). Je hebt me wel duidelijk gemaakt wat je (=onze) opvatting is, maar niet hoe je de interpretatie van dit stukje tekst kunt weerleggen.

Henk,
Zoals ik al schreef, Nico van Suchtelen gebruikt hier niet het woord "aangedaan door een ander idee", maar wel "hebbende een voorstelling van een ander...". Je kan het verschil muggezifterij noemen, maar m.i. is dit toch een aanduiding dat van Suchtelen moeite had met het idee dat God kon aangedaan worden. Ik moet wel toegeven dat er in de originele Latijnse tekst "affectus" staat, en dat van Suchtelen hier dus een mogelijk betwistbare vertaling geeft.
Dé weerlegging die je zoekt vindt je m.i. in het bewijs van E2p9: daarin gebruikt Spinoza alleen de formuleringen "voorstelling ... heeft god tot oorzaak" en "God voorzover hij zich in een andere voorstelling </font><font size="3"><em>openbaart</em></font><font size="3">".

@ Mark, dank voor de bijdrage die ik als ondersteunend beschouw.

Mooi is, @Henk, dat uit wat je weglaat uit 2/9 nu precies blijkt waar het om gaat: dat God de OORZAAK is, niet Deus quatenus infinitus est (dus niet a.h.w. rechtstreeks of 'verticaal'), maar - 'horizontaal' - Deus quatenus alia rei singularis etc. consideratur, cujus etiam Deus est CAUSA. Het gaat dus om de (hier via omwegen) werkende/veroorzakende God. Het past precies bij wat ik boven allemaal zei. God is daar niet zichzelf aan het (re)produceren, maar de wereld. Het resultaat is dus ook niet God, maar dat zijn wij en de dingen.
Dat 'consideratur' geeft precies aan dat Spinoza aan het filosoferen is - de ordo philosophandi aan het toepassen is: alles vanuit God of de natuur bekijken (niet vanuit onszelf).

Mark, misschien is de vertaling van Van Suchtelen in het bewijs van 2/9 betwistbaar, ik denk wel dat zijn vertaling een weg aangeeft waarop we voor de gehele uitdrukking niet 'God' hoeven te lezen. Ook als we in de vertaling 'aangedaan' aanhouden, zal een interpretatie in die richting moeten gaan. Bijvoorbeeld (bedenk ik nu): 'God, in zover aangedaan door iets' is de manier waarop Spinoza een modus omschrijft. Dat is dus niet de substantie of God.

Daar geef je zelf misschien wel het beste antwoord op je vraag, Henk

Stan, het ging mij om een 'taalkundige' analyse:
'God, in zover A' (oneindig) is God
'God, in zover B' (aangedaan door) is niet God
Taalkundig gezien wordt, volgens mij, met 'God, in zover' normaliter God bedoeld. Maar zie mijn reactie op Mark.
(Dat 'wordt beschouwd' speelt volgens mij geen rol. Daaraan beantwoordt bij Spinoza iets overeenkomstigs in de werkelijkheid)

Heb ik ook pas net bedacht!