Spinoza en engelen

Zoals ik eerder in een blog vermeldde vormen we in Maastricht met vier leden van de Ver. Het Spinozahuis een leesgroepje. Vorige week bespraken we het schitterende zevende hoofdstuk van de TTP, waarin Spinoza zijn methode van Bijbelanalyse weergeeft. Een gesprekslid beweerde bij het commentaar dat Spinoza op Maimonides’ methode geeft, dat Spinoza ergens in zo’n discussie met Maimonides zou beweren dat hij geloofde dat engelen bestaan. Dat konden de anderen moeilijk geloven, maar de betreffende passage waaruit dat zou moeten blijken was niet zo snel gevonden. Later ontvingen we deze mail:

De engel van Spinoza heeft mij niet losgelaten. Hij (Mannelijk?) bleek in eerste instantie onvindbaar. Maar na enig speurwerk bleek hij zich verstopt te hebben op blz. 101.

Alinea [14]:  ….. Maimonides en anderen willen dat deze geschiedenis en ook alle andere die van de verschijning van een engel vertellen, …..in een droom gebeurd zijn; zij accepteren niet dat iemand met open ogen een engel heeft kunnen zien. Maar dat is gebazel:……

Welnu als Spinoza schrijft “zij accepteren niet” impliceert dit mijn inziens dat hij wel accepteert, dat met open ogen een engel is waargenomen. Dat vind ik nu gebazel van Spinoza. Want het betekent dat ook Spinoza vindt dat ten eerste engelen bestaan en ten tweede dat zij in werkelijkheid gezien zijn. Want dat is het gevolg van zijn methode die hij op de Schrift toepast. Waarom Spinoza hier zijn rede niet gebruikt is mij een raadsel.

Als Spinoza denkt dat engelen niet bestaan, waarom brengt hij dat niet voor het voetlicht. In tegendeel, hij aanvaardt het bestaan van engelen.

Het vraagstuk waar het om draait is in hoeverre je de filologisch-historische achtergronden als waar accepteert zonder daarbij de rede te raadplegen in de gevolgtrekkingen van je filologisch-historische benadering. Mijns inziens kun je hooguit zeggen dat men in die tijd er van uit ging dat men engelen ook werkelijk kon zien en dus bestonden. Dat is alles. Maar of ze ook werkelijk bestonden is een geheel andere vraag. Spinoza mag mijns inziens niet die conclusie trekken.

Met spinozistische groet,

C[…]

Trekt onze gesprekspartner een juiste conclusie en zou Spinoza in het bestaan van engelen geloven of dat voor mogelijk houden?

Dat is niet erg waarschijnlijk. Het gaat Spinoza er hier om dat je moet kijken en accepteren wat er stáát. Je moet als wat er staat je niet uitkomt, dat niet wegpoetsen, door het anders te interpreteren (in dat geval: dat er gedroomd werd). Van een heel aantal passages geeft hij aan dat het om Hebreeuwse manieren van zeggen gaat (zoals waar geschreven wordt over “Gods geest”), maar als een passage niet duister is moet je gewoon erkennen dat er staat wat er staat. Spinoza heeft er vervolgens geen moeite mee om, zoals hij doet in paragraaf 25 van hoofdstuk 1 te erkennen: “Door welke wetten van de natuur zich dit voltrokken heeft, dat, zo moet ik bekennen, weet ik niet.”

 

Onze gesprekspartner is niet de enige die meent dat Spinoza het bestaan van engelen aanneemt. Zo schrijft ene George MacDonald Ross in een stuk over engelen over: “thinkers who accept the existence of angels only in so far as it is a belief required by scriptural authority. This would seem to be the case with Descartes, Spinoza, and Hobbes.”

En inderdaad schrijft Spinoza in § 19 van hoofdstuk 1 van de TTP: “en, ten slotte, dat de oude wet door een engel en niet rechtstreeks door God is medegedeeld enz.” (eumque viam salutis esse, & denique veterem legem per Angelum, non vero a Deo immediate traditam fuisse &c.). Dat klinkt behoorlijk stellig. En zo komen ook in hoofdstuk 2, Over de profeten, nog enige malen de boodschappende engelen langs. En in hoofdstuk 4, Over de goddelijke wet, komt in § 10 nog eens terug dat "God heeft door de geest van Christus (..) zoals eerder door engelen, namelijk door een geschapen stem, door visioenen enz. bepaalde dingen aan het menselijk geslacht geopenbaard” (Deus enim per mentem Christi (ut in Cap. I. ostendimus) sicuti ante per Angelos, nempe per vocem creatam, visiones &c. quaedam humano generi revelavit).

Engelen in de Metafysische gedachten (Cogitata Metafysica)

Ook in de CM die toch voor rekening van Spinoza zelf zijn, komen de engelen binnen...

In Deel II hoofdstuk 7 (Over het verstand Gods): “Maar inmiddels moeten wij niet voorbij gaan aan de dwaling van sommigen, die stellen dat God alleen maar de eeuwige dingen kent, zoals namelijk de engelen en de hemelen, die zich als door hun natuur niet te verwekken en onvergankelijk voorgesteld, (…)”

Maar waar hij in hoofdstuk 9, Over de macht Gods, het onderscheid tussen gewone macht en buitengewone macht aan de orde stelt (onder dat laatste hoort het spreken van een ezel en de verschijning van engelen) begint z’n cynisme over die wondermacht "terwille van de dwaasheid der mensen" door te schemeren; hij laat het daar over aan theologen om erover te beslissen.

Dat doet hij ook in hoofdstuk 12, Over de menselijke geest, “En hoewel engelen ook geschapen zijn, behoren zij niet tot de metafysica, omdat zij niet door het natuurlijk licht gekend worden. Want hun essentie en bestaan zijn alleen door openbaring bekend, en zodoende behoren zij uitsluiten tot de theologie, wier kennis geheel anders is dan, of totaal verschillend is van de natuurlijke kennis en dus daarmee volstrekt niet vermengd moet worden. Laat dus niemand verwachten dat wij iets zullen zeggen over engelen.”

Lucas, de biograaf van Spinoza, geeft een beschrijving van hoe, vóór de banvloek werd uitgesproken, enige jongemannen zich tot Spinoza wendden om hem uit de tent te lokken over hoe hij werkelijk over dingen dacht als ‘onsterfelijkheid van de ziel’ en de ‘lichamelijkheid van God’ (het is bij Nadler’s Spinoza na te lezen op p. 174/75 van de Nederlandse vertaling): “Wat geesten betreft, het is zeker dat de Schrift niet zegt dat dit werkelijke, duurzame substanties zijn, maar alleen fantomen, engelen genoemd omdat God zich van hen bedient om zijn wil te verkondigen. De engelen en alle andere geesten zijn slechts onzichtbaar omdat zij uit heel fijne, doorzichtige materie bestaan, die alleen te zien valt zoals men fantomen ziet in een spiegel, in een droom of in het donker.”

Of deze getuigenis erg betrouwbaar is? Congruent met andere plaatsen is wel dat Spinoza erkent dat die boodschappende rol van engelen in de Bijbel voorkomt en daarvan niet te ontkennen is.

Hoe Spinoza spot met degenen die denken dat geesten bestaan kunnen we nalezen in zijn correspondentie met Hugo Boxel (brief 54).
Ik ben benieuwd wat Charlie Blake hierover gaat schrijven in het hoofdstuk “A Preface to Pornotheology: Spinoza, Deleuze, and the Sexing of Angels” in het nog te verschijnen boek van Frida Beckman (Ed.) Deleuze and Sex. Edinburgh University Press (forthcoming).

Dat het bestaan van engelen absoluut niet past in Spinoza's filosofie moge duidelijk zijn. We mogen uit het feit dat hij niet wil ontkennen dat hun bestaan in de Bijbel wordt bevestigd, niet aannemen dat zij tot zijn wereldbeeld behoren. Engelen passen alleen in een Bijbels-theïstisch gelovig wereldbeeld, niet in de Spinozistische filosofie. Daarom vindt Spinoza het niet de moeite waard om er apart op in te gaan.

Toch meent Eric Schliesser in dit blog, "Spinoza, angels, and empirical matters of fact, " uit de Ethica, m.n. E2p13S stellig te kunnen aantonen dat Spinoza (dogmatisch, niet empirisch) het niet bestaan van engelen zou hebben bewezen. Erg evident of overtuigend vind ik het niet. Maar ik ben het wel eens dat engelen absoluut niet bij Spinoza passen. Daar gelooft hij echt niet in. Dat is wel duidelijk uit het geheel van zijn filosofie.

                                              * * *

Het is wel aardig om te zien hoe een engel zelf zich in de discussie mengt... Het boek (zie afbeelding bovenaan) Maimonides, Spinoza and Us: Toward an Intellectually Vibrant Judaism [Jewish Lights Publishing, 2009] is geschreven door Marc D. Angel.