Spinoza en Vermeer

In 1986 had het Holland Festival weer eens (na 1964 en 1971) een productie waarin Spinoza figureerde - deze keer samen met Vermeer. Het ging om 'Vermeer en Spinoza' van Gilles Aillaud, onder regie van Jean Jourde Heuil i.s.m. Leonard Frank. Een co-produktie met Theatre Sapajou, Parijs. Maker van het affiche was Studio Dumbar  (van hier)

Zie hier verslag van 10 funi 1986 in Leidsch Dagblad

Gilles Aillaud (1928-2005), schilder van vooral afgerichte en gekooide dieren, heeft zich met Vermeer bezig gehouden (zie verderop een boek waaraan hij bijdroeg), schreef theoretische essays over 'la représentation picturale' en schreef ook twee theaterstukken, waaronder Vermeer et Spinoza (1987) – het stuk dat door het Holland Festival al in 1986 werd opgevoerd. (Wiki)

Hoezo Spinoza en Vermeer? Hadden die twee dan wat met elkaar? Daarover is niets te vinden, maar velen konden en kunnen de - kennelijk aantrekkelijke - gedachte dat dit wél het geval zou zijn, niet weerstaan. In dit blog breng ik bijeen wat ik hierover op internet vond.

Over Spinoza en de kunst zijn velen bezig geweest en in het bijzonder over de mogelijke beïnvloedingen of verwantschap tussen Spinoza (1632–1677) en Vermeer (1632-1675).
Waarom zo in het bijzonder Vermeer? Dat laatste wellicht doordat beiden in 1932 geboren zijn, maar wellicht ook doordat de afstand tussen Voorburg, Den Haag en Delft tamelijk gering is, terwijl bekend is dat Vermeer wel in Den Haag kwam.

[van hier]

Zo is te lezen in een interview van april 2005 op de beste Vermeer-site “Essential Vermeer” (E.V.) met Albert Blankert, among the most authoritative contemporary Vermeer scholars and has written extensively both on Vermeer's art and Dutch painting. His volume Johannes Vermeer van Delft, 1632-1675... etc 
E. V.  Some scholars have recently begun to view Vermeer’s work in close association with the scientific and philosophic inquiry of his time. In particular, Robert Huerta in a recent publication*) perceives this kinship, as did John Constable, who saw painters as natural philosophers attempting to discover the laws of nature and used their paintings as experiments toward this end. What do you think of this development?
A. B.  It is most intriguing that Spinoza was Vermeer's exact  contemporary and belonged (broadly defined) to the same milieu. The possible link between Vermeer's work and the revolution in science that took place during his lifetime also is a puzzling issue. These considerations are not new and I doubt that recent speculations would offer truly new insights. [van hier]

*) Hier werd verwezen naar het boek Giants of Delft (zie onderaan)

Voorkant
Recensent Stephen Goode, senior writer voor Insight (hier),  verwijt Anthony Bailey, een andere Vermeer-schrijver, dat hij in zijn Vermeer: A View of Delft (Henry Holt, 272 pp), geen vergelijking tussen beide tijdgenoten maakt: “As thorough as Bailey is in this information-Gezicht op Delft, Johannes Vermeer, ca. 1660-1661, Olieverf op doek, 96,5 x 115,7 cm, Mauritshuis, Den Haagpacked book, he fails to mention Vermeer's connection with surrealism: Salvador Dali, for example, regarded the Dutch painter as his idol. Nor does the writer take up the curious similarity between Vermeer and the philosopher Baruch Spinoza, his almost exact contemporary and fellow countryman.
Spinoza was born in the same year as the artist, 1632, and died in 1677, two years after Vermeer. The two had much in common. Spinoza's praise of the contemplative and intellectual life as the highest of man's achievements seems embodied in the people who appear in Vermeer's paintings, many of whom are shown absorbed in contemplation or engaged in intellectual pursuits.”

Enfin, zo hebben meerdere auteurs in het bijzonder Vermeer (ook een relatie met Rembrandt is uiteraard onder de loep genomen) door de heel aparte schilderstijl van Vermeer graag een verband gezien met Spinoza.

Er is echter, zoals al gememoreerd nog nimmer enige archiefsplinter opgedolven, waaruit kon blijken dat er enig contact tussen beiden of zelfs maar enig besef van elkaars bestaan is geweest. Toch heeft dit velen niet verhinderd om op zoek te gaan naar sporen van geestelijke verwantschap.
Het kan alles echter niet anders zijn dan fantasie en speculatie.

Wat zoekt men dan? Men zoekt 'geest'...

In de ‘Verantwoording’ bij de uitgave van Spinoza’s Briefwisseling (Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1992), schrijft vertaler dr. F. Akkerman:
Het begin van brief 17 bijvoorbeeld, en de eerste alinea van brief 21 zijn van een zeldzaam hoge kwaliteit en bewijzen eens te meer hoezeer de geest van Vermeer en Sweelinck ook over onze Latijnse letteren van de zeventiende eeuw vaardig kon zijn.”(p. 20)

Dit is in zekere zin een wel grappige uitdrukking want, daar Spinoza geen esthetica heeft opgesteld (je mag veronderstellen dat dat hem niet interesseerde), zoekt men meestal omgekeerd hoe de geest, het denken van Spinoza is terug te vinden in de schilderkunst van met name Johannes Vermeer. Het is mij bij mijn speurtochten op internet, opgevallen hoe velen bezig zijn geweest met het naspeuren of construeren van een soort van geestelijke relatie of geestverwantschap tussen beiden, maar dan vooral een invloed van Spinoza op Vermeer, niet omgekeerd. 

Voor ik het brievenboek terzijde leg noteer ik daaruit nog deze aantekening van de andere brievenbezorger, prof. dr. H.G. Hubbeling, die de verklarende aantekeningen verzorgde. Bij brieven 54 t/m 56 schreef hij:
Verder stelt Spinoza in deze brieven tot ontsteltenis van velen van zijn bewonderaars, mijzelf niet uitgezonderd, dat de esthetische ervaring zuiver subjectief is, een punt waarover nog steeds gediscussieerd wordt.”(p. 493)

En waarover men, zo zal ik concluderen, wel altijd zal blijven discussiëren.

J. te Winkel had in 1925 geen moeite om gewoon te constateren dat Spinoza, die inwonend bij een (decor?)schilder in Den Haag wel getekend zou hebben, in zijn filosofie althans, niets met esthetiek had.

In zijn “De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde” Deel 6: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de eerste eeuw der Europeesche staatsomwentelingen (1) schrijft J. te Winkel in “Vijfde tijdvak. De vrijwording der letteren.1780-1830” op p. 15
In de stelsels der Nederlandsche philosofen was voor de schoonheid nog geene plaats geweest. Zij hadden, zooals Hugo de Groot en Spinoza*), uitsluitend naar de grondbeginselen voor staatsinrichting, recht en zedelijkheid gezocht en die bezien onder het licht van Gods wereldbestuur of van de eenige Oneindigheid. Overigens was ook hier te lande de wijsbegeerte van Descartes met ijver en ingenomenheid bestudeerd, en wel had men hier in de achttiende eeuw bovendien op aansporen van verschillende Spectatorschrijvers met de Engelsche wijsgeeren kennis gemaakt, maar toch ook dan weer uitsluitend aan hunne betoogen over staatsinrichting, recht en zedelijkheid (altijd liefst onder het licht van Gods wereldbestuur) bijzondere aandacht geschonken, zonder voor hunne beschouwingen over de schoonheid eenige belangstelling te toonen."

*) Hoe Spinoza over kunst dacht, zonder daarover opzettelijk en ook maar eenigszins uitvoerig te handelen, is uiteengezet door Franz Schlerath, Spinoza und die Kunst, Hellerau, 1920.  [zie hier]

  

Voor ik naar wat publicaties over Spinoza en Vermeer overga, vind ik het wel aardig om hier op de onderzoekslijn van Thijs Weststeijn, PhD Research Associate, University of Amsterdam, te wijzen. Hij veronderstelt dat wellicht Samuel van Hoogstraten (1627-1678), schilder en kunsttheoreticus, zich al heeft bezig gehouden met de betekenis van Spinoza’s filosofie voor de schilderkunst. Dat is af te leiden uit een volgende tekst (session abstract) over een lezing die hij verzorgde in Seattle in febr. 2004 onder de titel The Agonistic Arts: Redefining the Paragone Within and Without Italy.
Bij de volgende tekst is nuttig te weten dat ‘paragone (Italian: paragone, meaning comparison), is a literary form from the Italian Renaissance in which one form of art (architecture, sculpture or painting) is championed as superior to all others’. (wiki)

Hier dan die intrigerende inleidende tekst, getiteld: “Painting as 'Philosophy's Sister': A paragone argument in Samuel van Hoogstraten's treatise on painting that provides a key to Dutch genre painting and its relation to the visible world.

In his book, Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst, anders de zichtbaere werelt ['Introduction to the academy of painting, or the visible world'] (1678), Samuel van Hoogstraten refers to a specific paragone argument when he calls painting "philosophy's sister". This comparison of painting and philosophy relates to Hoogstraten's concepts concerning the aim of painting and the depiction of the visible world. Enigmatically subtitled "The Visible World", the book had an unpublished second volume, no longer extant, entitled "The Invisible World". This lost volume most probably contained philosophical issues relating to Van Hoogstraten's readings of Bacon and Spinoza (among others). The two books, on the realms of the "visible" and the "invisible" elaborated on the paragone between painting and philosophy as stated in his Introduction.
Hoogstraten's well-known definition of painting as a 'mirror of nature' is firmly rooted in the tradition of art theory, however, he refers it to a changing concept of nature best expressed as the Spinozist division into 'natura naturans' and 'natura naturata'. These alternative concepts of nature make it possible to attach particular value to the painter's focus on the external surface of things rather than on an 'idealized nature'. Ultimately I will demonstrate how Van Hoogstratens 'visible world' and his view of painting as the 'mirror of nature' relate to a world view that was, to a large extent, shaped by Calvinism
." [van hier aldaar ook een pdf van Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst]

Een tekst die nieuwsgierig maakt naar meer.

Vermeer by Gilles Aillaud, Albert Blankert, John Michael Montias. Rizzoli, New York, 2007 [zie hier bij amazon]
Dit is het boek waaraan Aillaud meewerkte en waarnaar ik boven verwees.

Dan vermeld ik nu een aantal voorbeelden van studies die gewijd zijn aan Vermeer en Spinoza - als service aan hen die op dit onderwerp aan de studie willen...

 

• De Deense kunstkenner Pontus Hulten (1924-2006) studeerde kunstgeschiedenis in Kopenhagen en kunstgeschiedenis en etnologie aan de universiteit van Stockholm, waar hij in 1951 afstudeerde op een studie over Vermeer en Spinoza. [van hier]

• Roberto Diodes: Vermeer, Gongora, Spinoza: L'estetica come scienza intuitiva (Testi e pretesti). Publisher: B. Mondadori (1997) [van hier]

• Hubertus Schlenke: Vermeer, mit Spinoza gesehen.  Abgeschlossene Dissertation 1997 am Kunsthistorisches Institut der Freien Universität Berlin. [zie hier] De dissertatie verscheen direct als boek:  
Schlenke, Hubertus. Vermeer, mit Spinoza gesehen. Gebrüder Mann Verlag 1998, Leinen, 137 Seiten, 27 meist farbige Abbildungen

Die in dieser Arbeit gestellte Frage nach einer geistigen Nähe zweier im Jahre 1632 geborenen Zeitgenossen, des jüdischen Philosophen Baruch de Spinoza und des zum katholischen Glauben konvertierten Malers Johannes Vermeer, die wohl wegen der verfehlten Annahme, die Malerei Vermeers stehe unter dem Siegel eines katholischen Leitgedankens, bisher nicht diskutiert wurde, führt zur Feststellung engster Seelenverwandtschaft dieser aus der Zeit herausragenden Persönlichkeiten.
Bislang rätselhafte Teilaspekte in den Bildern sind jetzt zu entschlüsseln und neu zu interpretieren, weil besondere Stil- und Formmerkmale in den Gemälden Vermeers mit den philosophischen Entdeckungen Spinozas erklärt werden können. Die göttliche Diesseitigkeit (Immanenz) als tragendes Element in der Philosophie Spinozas findet ihr Pendat bei Vermeer in der natürlichen, geradezu naturwissenschaftlichen Auffassung des Lichtes.
Vermeer versteht es, die von ihm gemalten Figuren im Zustande der intuitiven Vernunft, der höchsten Stufe spinozistischer Erkenntnis, darzustellen. So vermag der Künstler den Gedanken der diesseitigen, intellektuellen Liebe zu Gott (amor dei intellectualis) - unter anderem durch Anwendung innovativer Mittel - poesie- und utopiehaft in das Medium des Bildes zu übertragen. Das Sehen mit Spinoza führt zu einem tieferen Verständnis der Bilder, da das meditative Staunen vor den Gemälden nun eine in sich schlüssige Erklärung findet, die Beweis ist für das universale Genie des Delfter Künstlers.
[van hier en hier in pdf en bij amazon]

• Pontus Hulten. Vermeer et Spinoza. Echoppe (avril 2003), 79 pages [hier]
                 

• Sara Hornäk. Spinoza und Vermeer: Immanenz in Philosophie und Malerei. Publisher Königshausen und Neumann, Würzburg, 2004 ISBN 3-8260-2745-0 [269 p., [8] p. pl] EUR 39.80 [Thesis:  Zugl.: Düsseldorf, Univ., Diss., 2003] Schriftenreihe der Spinoza-Gesellschaft - 11

Zie hier een pdf met uitvoerige inhoudsopgave.


"Spinozas Philosophie der Immanenz entspricht einer Denkweise, die konsequent mit philosophischen Traditionen bricht. Indem Spinoza   auf extern angesiedelte Bezugskategorien jeglicher Art verzichtet, markiert er eine Wende für das Selbstverständnis des Menschen, dem alle Wirkmacht selbst zugesprochen wird.
Um die These von Gilles Deleuze,   Spinoza   bilde den Anfang aller Philosophie, zu überprüfen, setzt sich das Buch neben der Analyse von Spinozas Ethik unter dem Leitbegriff der Immanenz mit möglichen "Wegbereitern" auseinander. An vier exemplarischen Ansätzen wird deutlich, dass sich der sprachliche Umgang mit dem Immanenzphänomen äußerst schwierig gestaltet   und   sich in unterschiedlichen terminologischen Konstruktionen niederschlägt: in der Partizipation Platons, in der Emanation Plotins, in der Doppelrelation complicatio - explicatio von Nikolaus von Kues oder in der Infinitisierung des Universums durch Giordano Bruno.
Sara Hornäk weist nach, dass im 1 7. Jahrhundert in Holland auch die Malerei Vermeers Immanenz realisiert. Dass   Spinoza     und     Vermeer   in unmittelbarer zeitlicher   und räumlicher Nähe gearbeitet haben, stellt dabei nur den äußeren Anlass des Versuchs einer Parallelisierung zweier Phänomene dar." [van hier]

"Volgens Sara Hornäk breekt Spinoza volledig met de filosofische traditie, door de weg van de immanentie in te slaan. Zo staat Spinoza aan het begin van de moderne filosofie, waarbij ze refereert naar de these van Deleuze. (..) In haar boek Spinoza und Vermeer: Immanenz in Philosophie und Malerei legt ze aan de hand van dit begrip immanentie tevens een uitdagende vergelijking met de schilderkunst van Spinoza’s tijd- en landgenoot Johannes Vermeer. Helaas zonder plaatjes." - hier in een weblog van een medewerker van de UB Groningen, waarbij de vraag is of hij het in handen heeft gehad of goed bekeken, want volgens deze recensie bevat het boek wel illustraties. Uit deze recensie blijkt ook dat het boek voor driekwart over Spinoza’s Ehica gaat [hier ook als pdf].

Zie Thijs Weststeijn: Hollandse horizon. Schilderkunst als raamwerk voor een Nederlands wereldbeeld. In: De Academische Boekengids 58, september 2006, pp. 3-5, waarin veel over dit boek van Sara Hornäk [Hier]

Waarschijnlijk het meest recente boek w.b. dit onderwerp:

 

• Carolin Bohlmann, Thomas Fink, Philipp Weiss, Hrsg. Lichtgefüge des 17. Jahrhunderts: Rembrandt und Vermeer - Spinoza und Leibniz. München: Wilhelm Fink, 2008. 24cm., pbk., 275pp. illus., kart., EUR 34.90 / CHF 58.50 - ISBN: 978-3-7705-4454-7 [van hier; zie ook bij amazon]

Boek voortgekomen uit het volgende Projekt:
Ein Ausstellungs- und Tagungsvorhaben in Berlin (Gemäldegalerie Kulturforum) und Kassel (Fridericianum) exponiert und untersucht den Zusammenhang von künstlerischem und naturwissenschaftlichem Licht des 17. Jahrhunderts. Anhand prominenter Gemälde der Zeitgenossen Rembrandts und Vermeers soll die neue Helldunkelmalerei des 17. Jahrhunderts in ihren Variationen gezeigt und mit den naturphilosophischen Lichtkonzepten (Descartes, Huygens) und den zeitgenössischen optischen Geräten in Verbindung gebracht werden. Das Licht löst in der Malerei die Vorherrschaft der Zentralperspektive ab, es generiert Gegenstände und Räume rein optisch durch ein komplexes System aus tonalen und Farb-Werten. In der Naturphilosophie unterliegt es einer Substantialisierung - unterschiedliche Vorstellungen (Plenums- oder Kontinuumskonzepte) werden zu seiner Substanz und Fortpflanzung entwickelt - neben Partikelmodellen stehen die ersten Wellentheorien. Das Ausstellungsvorhaben ist bemüht, diese wichtige, von den Niederlanden auf Europa ausstrahlende Entwicklung, für ein breiteres Publikum in den Ausstellungen anschaulich nachvollziehbar zu machen und zugleich in einer wissenschaftlichen Tagung vertiefend zu erforschen. Sowohl die malerische Artikulation des Lichtes wie auch die naturphilosophischen Konzepte stellen wichtige Grundlagen für unsere heutige Bildkultur und unser modernes wissenschaftliches Verständnis vom Licht dar. Zunächst soll in Berlin als Vorspiel im Herbst 2009 ein kommentierter Parcours zur Lichtmalerei durch die ständige Sammlung der Gemäldegalerie im Kulturforum eingerichtet werden (verabredet mit dem Direktor, Professor Lindemann). Im Herbst 2010 soll das Projekt einen Teil der umfangreicheren Ausstellung zu 'Wissenschaft und Wahrnehmung', die die Kasseler Museen planen, übernehmen (verabredet mit Gregor J. M. Weber, Direktor der Sammlung Alte Meister, Schloß Wilhelmshöhe, Kassel). Hier wollen wir Gemälde des 17. Jahrhunderts mit optischen Geräten und zeitgenössischen Experimenten um das Licht zusammen ausstellen und auch die Tagung abhalten.
Die planende 'Forschungsgruppe historische Lichtgefüge' hat zum selben Thema 2004 in Wolfenbüttel eine Tagung organisiert, deren Beiträge 2008 bei Wilhelm Fink unter dem Titel 'Lichtgefüge des 17. jahrhunderts - Rembrandt und Vermeer, Leibniz und Spinoza' erschienen sind. An der Vorbereitung der Veranstaltungen sind neben der Forschungsgruppe der Philosoph Professor Dr. Thomas Leinkauf (Uni Münster) und die Kunsthistorikerin Professor Dr. Victoria von Flemming (Uni Braunschweig) beteiligt. [van hier]              

Tenslotte, daar het boek in bovenvermeld interview genoemd werd, hetgeen verwachtingen wekte, neem ik ook de volgende informatie op:

• Robert D. Huerta. Giants of Delft: Johannes Vermeer and the Natural Philosophers: The Parallel Search for Knowledge During the Age of Discovery, Bucknell University Press, Lewisberg, 2003, 156 pages illus., bibl., index

In this interdisciplinary work, Robert D. Huerta points out that the conceptual and methodological links between the Delft painter Vermeer and his near neighbor and exact contemporary, the microsopist Antony van Leeuwenhoek, broadening his study to consider the connections between painting and science during the seventeenth century. Huerta argues that Vermeer’s use of the camera obscura parallels van Leeuwenhoek’s pursuit of the "optical way," and embodies a profound philosophical connection between these investigators. Vermeer’s informed observations enabled him to confront the same issues as other natural philosophers regarding the interpretation of unfamiliar images presented by instrumental systems (viz, the telescope, microscope, camera obscura). Giants of Delft is poised to expand contemporary understandings of Vermeer’s methods and purpose, enlarging an appreciation of his art. [van hier, alwaar ook een interview met Robert D. Huerta]

Uit de inhoudsopgave van Giants of Delft (hierna) is duidelijk te merken dat onder die natuurfilosofen niet Spinoza meebegrepen is.

List of Illustrations 9
Johannes Vermeer, Christiaan Huygens, Vatican City
Introduction 15
camera obscura, Vermeer, Christiaan Huygens
Leeuwenhoek Galileo van Eyck and Vermeer 30
Galileo, camera obscura, specular highlights
Galileo Huygens Leeuwenhoek and Vermeer 54
Galileo, Cigoli, Witelo
Leeuwenhoek Galileo Hooke and Vermeer 72
trompe-l'oeil, Micrographia, William Ivins
Vermeer and Mapping 90
Vermeer's, Seventeen Provinces, Blaeu
Vermeer Raphael and Huygens 102
mazzocchio, Astronomer, Urania
Conclusion 120
Camera Obscura, Dutch Republic, Early Netherlandish Painting
References 145
Owen Gingerich, Antoni van Leeuwenhoek, Michael Clarke
Index

Ook in Giants of Delft wordt de Engelse landschapschilder John Constable geciteerd:
"Painting is a science, and should be pursued as an inquiry into the laws of nature. Why, then, may not landscape painting be considered as a branch of natural philosophy, of which pictures are but the experiments?" [p. 137]

JIM BENNETT University of Oxford reviewed: This book opens uncharacteristically with a documented historical fact: Johannes Vermeer and Antoni van Leeuwenhoek were baptized just four days apart in October 1632 and they appear on the same page of the records of the New Church in Delft. Baptismal proximity may not seem a strong biographical basis for an account of sustained intellectual connection but it is more than is cited for the other relationships asserted in the book, whose author presents us with a web of connections he sees between a small group of scattered historical celebrities. The connections can be imaginative, even startling : ‘ I propose that van Eyck used oil technique itself as a kind of meta-instrument in much the same manner that Galileo used logico-rational calculations and the telescope to help him explicate earthly mechanics and heavenly arrangements’ (p. 41). The connectedness of the characters is based on their use of optical techniques of different sorts (mostly instrumentation), on their reliance on sustained and repeated observation and on their recognition that the mind is integral to the visual process – what the author calls ‘mental lensing’.

Other themes are the relationships between text and image, and the problem of how to represent the unfamiliar. The author has read a great many secondary sources and quotes from them frequently. If the cast of characters is small, the period they cover is worryingly long; the chapter titled ‘Leeuwenhoek, Galileo, van Eyck and Vermeer’ might extend from the late fourteenth to the early eighteenth centuries.

Suggested links become assumptions on which to build further connections. One outcome of this process is the reinterpretation of Vermeer’s The Art of Painting as a homage to Christiaan Huygens; the personification of Clio is also Urania, her crown of laurel with its leaves at different angles to the viewer represents Huygens’s solution to the changing telescopic appearance of Saturn, where the ring presents different views depending on the mutual orientation of the Earth and Saturn.

There has been much debate recently on the use of optical instruments in painting, and the importance of historians being detailed, precise, practical and realistic is now well recognized.

Very general and speculative accounts are not likely to contribute to the debate at present. It may be that this book has a role in other disciplines but I cannot recommend it to historians of science.

[uit een pdf van hier]

Spinoza komt dus in Giants of Delft niet of nauwelijks voor. Op één pagina (p. 121) wordt iets gezegd over Spinoza ('with his mathematical formulation of philosophical concepts'), maar daar is via googlebooks niet verder dan dit bij te komen.  

Duidelijk is: ook de relatie tussen Vermeer en Van Leewenhoek is even speculatief als die tussen Vermeer en Spinoza. 

Al met al zal het thema "Spinoza en Vermeer" een eeuwigdurend onderwerp voor de verbeelding van velen blijven. Het zij hun gegund.

________

Toegevoegd 12 oktober 2015

Cf. via blog van 12 oktober 2015  interview met regisseur Jean Jourdheuil over dit toneelstuk Vermeer et Spinoza van Gilles Aillaud.