Spinoza in verkeerde handen

Gisteren had ik een beetje een dag van balen. Ik had het gevoel dat ik m’n dag verprutst had met het lezen van de bijdrage van A.E. Taylor, “Some Incoherencies in Spinozism (I)” in: S. Paul Kashap, Studies in Spinoza, Critical and Interpretive Essays. Berkeley (1972) en met daarop benodigd zoekwerk. Ik heb deze Spinoza-reader onlangs aangeschaft en lees er af en toe een hoofdstuk uit.

Er zijn er al velen geweest die “incoherenties” bij Spinoza hebben aangegeven, waarvan door anderen vele van de zgn. incoherenties weer kon worden ‘gladgestreken’ met een andere, vaak duidelijker lezing van Spinoza. Je kunt van deze debatten best veel opsteken en een almaar omvattender en helderder beeld van Spinoza krijgen. Maar soms, als je merkt dat de bedoelingen van een auteur niet begrijpen zijn, maar bestrijden en als dat laatste op een verhulde wijze gebeurt, geeft dat een slechte smaak in de mond.

Maar bij deze Taylor kreeg ik wel erg de indruk dat hij Spinoza’s filosofie aan het afkraken was – dat zijn kritiek van het afbrekende soort was, iets wat ik eigenlijk niet van zo’n Spinoza-reader verwachtte. En toen ik de slotwoorden van het eerste deel las, werd mijn vermoeden dat de achtergrond van de kritiek een totaal ander godsbeeld was bevestigd. Ik citeer dit slot:

In a word, I would urge that Descartes has the merit of avoiding two grievous errors which are really fatal to Spinozism:

(1) He rightly insists on the transcendency of his summum ens, making it a source of all other entia, but never dreaming of treat-ing it as a subject of which they are predicates; he sees, what I should say is perfectly true, that a philosophy which puts a summum ens at the head of things must be a doctrine of Creationism.

(2) Consequently, he, unlike all Spinozists, can be strictly consequent in his theory of nature as a mechanism. If nature is a machine at all, it ought to exhibit the obvious and salient characteristics of all mechanism, that (a) there is always, behind the machine, intelligence, not its own, to construct and operate it; (b) that the machine is constructed with a view to definite work to be got out of it, and that 'mechanism' demands the reality of 'final causality', however presumptuous it may be in us, who only see part of its working, to assume that we know just what the purposes of its inventor and operator must be. Descartes' great machine is not, like Spinoza's, one which constructs and operates itself, and all to grind nothing. But Descartes' rejection of final causes from Physics does not mean that he has any doubt that there is a purpose in creation; it is a mere confession of our inability—apart from revelation—to say what the purpose may be.

Toen ging ik maar eens naar internet om na te gaan wie deze Taylor was. En inderdaad, een diep gelovig man.

Alfred Edward Taylor (1869–1945),

was a British idealist philosopher most famous for his contributions to the philosophy of idealism in his writings on metaphysics, the philosophy of religion, moral philosophy, and the scholarship of Plato. He was a fellow of the British Academy (1911) and president of the Aristotelian Society from 1928 to 1929. At Oxford he was made an honorary fellow of New College in 1931. In an age of universal upheaval and strife, he was a notable defender of Idealism in the Anglo-Saxon world. [Wiki] Met z’n Varia Socractica schijnt hij nogal succes gehad te hebben.

We lezen hoe hij toegenegen was “to the ideals of the Christian faith which he professed,” in het Obituary door A. J. D. Porteous. [i] Dat hij “A deeply religious man,” was lezen we in het review[ii] van T. M. Knox van het boek van SIR W. D. Ross. Alfred Edward Taylor, I869-I945. [iii]

Kortom, weer een bewijs dat je alert moet zijn op wat gelovigen over Spinoza beweren. Je kunt een eerlijke beoordeling van Spinoza nu eenmaal niet aan deze mensen overlaten. En het valt me dan ook behoorlijk tegen de artikelen uit Mind van 1937 van deze auteur in dit boek, samengesteld door Kashap, aan te treffen.

Alfred Edward Taylor was vooral een Plato- en Aristoteles-geleerde. Hoe kwam hij dan aan zijn ‘kennis’ van Spinoza? In een voetnoot gaf hij aan dat hij zich baseerde op

Augusto Guzzo, Il pensiero di B. Spinoza [Vallechi, 1924, reprint La nuova Italia, 1964]

En door het hele stuk kwam zo vaak die naam Guzzo naar boven dat duidelijk wordt dat hij al zijn ‘kennis’ wel bij hem had opgedaan.

Augusto Guzzo (1894 - 1986) was een  Italiaanse filosoof [it.wiki]

Het denken van Spinoza was zijn eerste boek. In een daaraan voorafgaand artikel had hij de correspondentie van Spinoza met Willem van Blyenbergh behandeld:

“Il primo critico dello Spinoza.” [In: Giornale critico della filosofia italiana, 1922: 226-242.]

Ook hier zijn er twee besprekers door wie ik mij laat informeren. Julius Evola[iv] en Pio Bondioli[v]. Zij geven mij de indruk dat toen dit boek verscheen in Italië nog geen vertalingen van alle werken van Spinoza bestonden en dat Augusto Guzzo de eerste was die een breed overzicht van Spinoza´s filosofie gaf, waarbij hij uit alle Latijnse werken en de Nederlandse KV putte om zijn Italiaanse lezers de hele Spinoza voor te zetten. Maar te denken geeft dat Julius Evola Guzzo van "Schulmeisterei" en van nogal uit de hoogte doen beschuldigt. En te denken geeft vooral  dat in de laatste zin het Spinozisme – “malgrado tutto al fondo della filosofia idealistica moderna: - in de kern een vorm van moderne idealistische filosofie is.

Uit de bespreking door Pio Bondioli wordt heel duidelijk dat Taylor z’n Spinoza-kritiek van Gusso had, die n.l. een 'innerlijke tegenstrijdigheid’ erin zag dat Spinoza God de immanente oorzaak van de wereld, de natura naturata, liet zijn. Als God bestaat (en Spinoza’s bewijs ervoor is niet alleen a priori, maar het is het uitgangspunt van zijn filosofie), is hij te onderscheiden van de wereld en dient daarmee de schepper te zijn - transiens, niet immanens. De begrippen ‘substantie’ en ‘immanent veroorzaken’ zijn volgens Guzzo tegenstrijdig, omdat het effect daarin blijft, terwijl de substantie, gedefinieerd als iets wat staat voor zichzelf, onvermijdelijk het effect van de oorzaak scheidt. Dus het denken van Spinoza bestaat uit twee filosofieën: een filosofie van de substantie, en een filosofie van immanente causaliteit. Bondioli geeft dit citaat.

» Il sistema della sostanza riassorbe tutti i modi della sostanza, il sistema della causalità immanente diffonde tutta la sostanza nei modi. Il primo deifica la sostanza, il secondo deifica il mondo. Il primo è il più rigido teismo che si sia mai concepito, il secondo è il più radicale panteismo che la storia conosca « (p. 116).

»Het systeem van de substantie absorbeert van alle modi de substantie, het systeem van de immanente oorzakelijkheid diffundeert alle substantie naar de modi. De eerste vergoddelijkt de substantie, de tweede vergoddelijkt de wereld. De eerste is het stijfste theïsme ooit bedacht, de tweede is het meest radicale pantheïsme dat de geschiedenis kent.«

Interessante, tot denken uitlokkende uitspraak is het wel. Maar hieruit blijkt toch dat ook dit boek niet echt als uitleg, maar eerder als bestrijding van Spinoza bedoeld geweest moet zijn. Dit was dus de bron van Taylor.



[i] In: Mind, Vol. 55, No. 218 (Apr., 1946), pp. 187-191

[ii] In: Philosophy, Vol. 23, No. 87 (Oct., 1948), pp. 374-375

[iii] . (From the Proceedings of the British Academy. London: Cumberlege. I947. Pp. 26.

[iv] In: Julius Evola, L'individuo e il divenire del mondo. Edizioni Mediterranee,  1926, 2 1976, 3 2015 – books.google

[v] Pio Bondioli, In: Rivista di Filosofia Neo-Scolastica, Vol. 16, No. 5/6 (SETTEMBRE-DICEMBRE 1924), pp. 448-449

Cover van boek over Augusto Guzzo van hier.