Spinoza was het voorbeeld voor vele joden op weg naar emancipatie

OmslagfotoMichael Goldfarb’s De weg uit het getto. Drie eeuwen emancipatie van de Joden in Europa [Meulenhoff, 2011, oorspr. 2009] biedt precies wat je ervan verwacht: een goed leesbaar en heel informatief overzicht van de lotgevallen der joden op weg naar emancipatie en hun volwaardige integratie in de westerse maatschappijen. [Zie hier mijn eerdere aankondiging en Trouw-recensie]

Goldfarb doet dat als betrokken (onderzoeks-)journalist: zijn eigen familie emigreerde vanuit Oost-Europa naar de Verenigde Staten, waar hun nakomelingen in een paar generaties hun goede posities wisten te veroveren. Zonder dat hij er telkens in de tekst naar verwijst (er zijn eindnoten) is duidelijk dat hij het grote joodse lotgevallenverhaal dat hij te vertellen heeft, destilleert uit vele deelstudies, biografieën, monografieën en brede overzichtsgeschiedenissen van specialisten. In eerste instantie lijkt hij het boek geschreven te hebben voor zijn eigen ‘volksstam’ (“om weer te begrijpen wie wij zijn”), maar wij anderen mogen meelezen, want strijd voor gelijkwaardigheid van de een gaat niet zonder (en vaak tégen) die anderen.

Uit die geschiedenissen koos hij een reeks sprekende voorbeelden die elk staan voor een deel van die geleidelijke opmars. De tegenstelling tussen de vele arme voddenkooplui en andere sloeberaars en de rijke (hof-)joden komt goed uit de verf. Ook het parvenuleven beschrijft hij zonder de sterke verontwaardiging die Hannah Arendt in haar beschrijvingen kon leggen. Goldfarb blijft nuchterder.

Aan het begin staat de Verlichting. Niet de zgn joodse Verlichting of Haskala, maar die van de Tractatus theologico-politicus van Spinoza. Aan de hand van diens biografie komt kort de verdrijving van de joden uit Spanje en Portugal aan de orde, maar Goldfarb’s geschiedenis start in de 17e eeuw. Hij laat goed zien hoe Spinoza als voorloper voor velen model stond. Maar snel daarop gaat het wel over die Haskala en krijgen we de biografie en uitzonderlijke status van Moses Mendelssohn die zich opwerkte en op slag beroemd werd door zijn vertaling van Plato’s Phaedon. We krijgen diens worsteling met de onbehoorlijk uitdaging van Lavater die uitleg vraagt waarom hij geen christen wordt.

Goldfarb bouwt zijn verhaal sterk op rond een aantal spraakmakende affaires, waarvan de meeste mij afzonderlijk bekend waren, maar die hier een betekenis in het grotere verband van de emancipatiegeschiedenis krijgen. Zo geeft hij veel informatie voor de prijsvraag van juni 1787 van de Kon. Academie van Metz, waar vanouds wat méér joden woonden dan gemiddeld in Frankrijk, over de vraag “hoe we de joden gelukkiger kunnen maken.” Het leverde een gedegen voorbereiding  voor de argumentaties bij de opstelling van de grondwet en de vaststelling van de rechten van de mens tijdens de Franse Revolutie. Hij schetst uitvoerig de vele pogingen die moesten worden gedaan om te bereiken dat deze grondrechten ook voor de joden golden. Dat ging bepaald niet vanzelf en ondervond veel verzet. We lezen er uitvoerig over tot tenslotte, als het ware nog op de valreep,  het decreet van 28 september 1791 de joden het recht van actief burgerschap verleende. Jaren later bracht Napoleon Bonaparte dit als exportproduct naar Duitsland en andere landen. In de Duitse landen werd overigens na het definitieve verslaan van Napoleon een einde gemaakt aan de ‘gelijkheidsnonsens van de Franse Revolutie’. Maar niet alles werd teruggedraaid. Men wilde niet terug naar de 333 Duitse territoria en kwam in Wenen tot een lossere Duitse Bond van 39 bestuurlijke eenheden. Maar de geest was uit de fles en vele Duitse joden begonnen aan hun zelfemancipatie.

Zo bijvoorbeeld Rahel Varnhagen en haar salon, opgezet vanuit de idee van ‘Geselligkeit’ (ik maakte op het spoor gezet door dit boek over haar een apart blog). Er ontstaat een eigen joods tijdschrift, Sulamith. Besproken worden Salomon Maimon, de ideeën van Johann Gottfried Herder over het belang van de naties. Als reactie op die zelfemancipatie ontstaan de zgn. Burschenschaften die na opstootjes bij de besluiten van Karlsbad van aug. 1814 verboden worden, waarbij ook de perscensuur versterkt werd. Dit leidde weer tot (zgn ‘hep-hep’-)rellen (naar de gebruikte kreet) tegen de joden. Dit soort gebeurtenissen krijgen we via de ervaringen van Heinrich Heine. Een versterking van het joodse zelfbewustzijn was te zien aan het tijdschrift Der Jude dat Gabriel Riesser begon.

Een uitgebreide impact had de affaire van de joden in Damascus die beschuldigd werden van de moord op en verdwijning van een priester die al 40 jaar in Damascus had geleefd en gewerkt. Deze kwestie mobiliseerde joden en medestanders uit heel Europa. De rol van de Rothschilds hierbij is aanleiding om de opkomst van deze bankiersfamilie te schetsen. De rol van enige joden die gekozen waren in het Parlement van Frankfurt na de revoluties van 1848 laat zien hoeveel belang de joden hechten aan de verdere eenwording van Duitsland, waarvan ze op gelijke rechten hoopten. Maar de koning van Pruisen, Fred. Willen IV, liet zich niet verzoeken om Kaiser van Duitsland te worden, waarna dat parlement als mislukt ontbonden werd. Die eenwording zou nog enige decennia op zich laten wachten.

De zaak Morteira in 1858 en volgende jaren, waarbij een joods jongetje dat door een dienstmeisje was gedoopt door de kath. Kerk werd geroofd om het katholiek te kunnen opvoeden, van wie tenslotte paus Pius IX zich als ‘vader’ opstelde, een voorbeeld van hoe de werkelijkheid krankzinniger kan zijn dan welke fantasie ook. Een affaire die tot veel commotie en bemoeienissen aanleiding gaf.

Nadat in 1866 eerst, door de oorlog van Pruisen tegen Oostenrijk, een einde kwam aan de Duitse Bond en de Noord Duitse Bond ontstond, verklaarde deze op 3 juli 1869 in een proclamatie van één lid ieders burgerschapsrechten ‘ongeacht religieuze denominatie’ waardoor de joden geëmancipeerd werden. Welke proclamatie na de Frans-Duitse oorlog van 1870 voor het ontstane hele Duitse Rijk gold. De vreugde erom was bescheiden, daar de joden zich in de praktijk al zelf geëmancipeerd hadden. Hoewel door de burgerlijke ongelijkstelling (men kon niet benoemd worden in juridische en andere overheidsbanen en op universiteiten), velen zich gedwongen hadden gevoeld zich te laten dopen (bijvoorbeeld Varnhagen, Heine en anderen). Dat was nu voorbij en kon nu leiden tot ambtelijke aanstellingen. Als reactie daarop ontstonden nu wel voor het eerst vormen van in verenigingen georganiseerd antisemitisme en grotere antisemitische demagogie met als toppunt vanaf 1895 de affaire Alfred Dreyfus, waarover al veel is geschreven en die we hier goed uit de doeken gedaan krijgen.

We krijgen soms korter, soms wat uitvoeriger informatie over Moses Hess, Karl Marx, Sigmund Freud, Theodor Herzl, diens Der Judenstaat  en de opkomst van het zionisme, Gustav Mahler, Arthur Schnitzler, Henri Bergson, Albert Einstein, Marcel Proust, Franz Kafka, Ludwig Wittgenstein.

De enige vooruitwijzing naar het lot dat de joden te wachten staat, is de vermelding van Hitlers afwijzing voor de kunstacademie in Wenen.

Af en toe valt door het boek heen de naam van Spinoza, maar dat lijkt er dan een beetje aangeplakt. Wat zou het boek een extra dimensie hebben gekregen, als juist de interesse in Spinoza van velen van de genoemde figuren erdoorheen zou zijn gevlochten. Wat zou Spinoza als de inspiratiebron van en het grote voorbeeld voor de joodse emancipatie een fraaie extra rode draad hebben geleverd aan een boek dat nu al zo interessant is. Maar goed, dat denken degenen die daar iets meer van weten er zelf wel bij.