Spinoza’s gebruik van 'openbaring'

Het volgende stukje tekst uit, jawel, een Gereformeerd Dogmatiek-handboek neem ik hier over, mede met het oog op de Maatrichtse Spinoza Kring i.o. waarin al meerdere malen over dit onderwerp werd gesproken: over de manier namelijk waarop je moet verstaan hoe Spinoza van ‘openbaring’ spreekt. Wellicht hebben ook andere bezoekers van dit weblog hier iets aan.

De gezaghebbende Herman Bavinck gaf in zijn “Gereformeerde Dogmatiek I [Kampen, J.H. Bos, 1895] een m.i. voortreffelijke zeer bondige samenvatting die ik hier graag overneem.

D. De bijzondere openbaring en het Naturalisme.

9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst een aanvang in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het woord openbaring nog wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract. theol.-polit. cap. 15, 27, maar hij verstaat daaronder niets anders, dan dat de eenvoudigen de ware religie, het woord Gods, niet door het licht der rede kunnen vinden, maar op gezag moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37. Overigens erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle decreta Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch, ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan eene scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard, ib. cap. 1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en rationalisme voortgezet. Maar het rationalisme kan in verschillende vormen optreden en wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant, Religion innerhalb usw. ed. Rosenkranz S. 185. Enz.  [van hier zie hier een overzicht van alle plaatsen waarin Bavinck op Spinoza ingaat]

Herman BavinckHerman Bavinck (1854 – 1921) begon zijn studie aan de Theologische School te Kampen, vertrok in 1874 naar Leiden om daar theologie en semitische talen te studeren, en promoveerde er op 10 juni 1880 tot doctor in de godgeleerdheid. Van 1881 tot 1883 was hij Christelijk Gereformeerd predikant te Franeker. De Christelijk Gereformeerde synode van Zwolle 1882 benoemde hem tot docent aan de Theologische School te Kampen voor de dogmatologische vakken.

Bavinck had al snel een invloedrijke positie binnen de Christelijke Gereformeerde kerken, die hij onder meer gebruikte ten bate van de eenwording met de Nederduits Gereformeerde kerken, die zich onder leiding van o.a. Abraham Kuyper uit de Nederlands Hervormde kerk hadden losgemaakt. Binnen de verenigde Gereformeerde Kerken in Nederland heeft hij steeds een pacificerende rol proberen te spelen. Toen in 1902 de spanning rond de eenheid van opleiding een nieuw hoogtepunt bereikt had, ging Bavinck (met zijn collega Petrus Biesterveld en een groot aantal studenten) over naar de Vrije Universiteit. In zijn Amsterdamse jaren groeide Bavinck uit tot een figuur van maatschappelijke betekenis, die zich actief inzette in de politiek en voor het christelijk onderwijs. In 1911 kwam hij voor de Antirevolutionaire Partij in de Eerste Kamer. Eerder al (1906) was hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. [Van hier]

De Bavinck Institute & Bavinck Society

Bavinck op het Project Neocalvinisme