Spinoza's geheime alchemistische leer (??)

Zelden las ik een merkwaardiger, ja vreemder artikel of hoofdstuk inzake Spinoza dan dat van María José Villaverde Rico, “Spinoza’s Paradoxes: An atheist who defended the Scriptures? A freethinking alchemist?”, in het boek dat zij samen met John Christian Laursen redigeerde, Paradoxes of Religious Toleration in Early Modern Political Thought [Lexington Books, 2012 - cf. Blog].

Het hoofdstuk is in z'n geheel op Academia.edu te vinden. Dat het stuk nogal warrig in elkaar steekt, want qua hoofdboodschap niet of nauwelijks past in een boek over religieuze tolerantie, zodat ze begint over de vraag of Spinoza als atheïst kan worden gezien, en hoe een atheïst dan met een verdediging van de Bijbel zou komen, uitmondend in de Zeven Dogma’s van het algemeen aan te hangen geloof, daarover wil ik het verder niet hebben.

Maar uit alles blijkt dat het ’t thema van het tweede deel van haar stuk is dat haar vooral interesseert: n.l. alchemie. Zij bespreekt, maar dat beperkt, de breed gedragen alchemistische interesse onder wetenschappers e.a. in de 17e eeuw, en gaat al snel over op het alchemistische van Spinoza en zijn bent.

Dat ik “niet wist wat me overkwam” kwam door de indruk die ik kreeg dat we hier met een schoolvoorbeeld te maken hadden van wat Karl Popper veel ‘wetenschappers’ verweet, namelijk vooral op zoek te gaan naar alle gegevens die hun ‘hypothese’ (zeg maar liever hun vooropgezette ‘geloofsovertuiging’) ondersteunen en de rest te negeren, in plaats van dat ze – hetgeen hun hypothese sterker zou funderen – op zoek gaan naar die ene zwarte zwaan die hun overtuiging zou weerspreken: in dat laatste geval zoeken ze te falsificeren in het eerste te verificeren – waar te máken.

Ze gaat als een Dan Brown op zoek naar clues. Een mooi voorbeeld daarvan is het volgende. Over het feit dat de TTP zou zijn uitgegeven door Heinrich Kuhnraht schrijft Jonathan Israel in een voetnoot op de titelpagina van de door hem uitgegeven TTP:The Tractatus was actually published, we know, in Amsterdam and not in Hamburg. The false place of publication, ‘Hamburg’, was doubtless inserted by Spinoza’s publisher Jan Rieuwertsz (c. 1616-87) as a precaution, as the work was illegally and clandestinely published in violation of the Dutch Republic’s censorship laws and without the name of any author or (true) name of the publisher. The choice of the false publisher’s name, Heinrich Kuhnraht, was probably intended by Rieuwertsz as an arcane joke, this being the name of a well-known early seventeenth-century German mystical writer, Heinrich Kuhnraht (1560-1605).”

Villaverde is daarentegen van mening: “Another known alchemist from the beginning of the century was the German Heinrich Kuhnraht, who died in 1605 and whose name appeared on the cover of the TTP as a (false) editor. Could this have been a way of letting other alchemists know that it was a book written by a coreligionist? It does not seem to be a mere coincidence.” Daarmee leidt ze haar verdere speurwerk in.

Uitgebreid gaat ze in haar laatste paragraaf in op hoevelen (ruim de meerderheid) van de kring van Spinoza in alchemie geïnteresseerd waren of actief zelf alchemie bedreven. Ze meent zelfs dat de linking pin tussen de meer religieus georiënteerden en de vrijdenkers de alchemie was; dat was het dat hen bond aan elkaar en aan hun meester-alchemist: Spinoza. Dat ook Spinoza alchemist was hoeft ons niet te verbazen volgens haar, want alle grote wetenschappers in die tijd waren het: Van Helmont, Leibniz, Boyle, Huygens en Newton.

Dat Spinoza geïnteresseerd was in alchemie is duidelijk en dat wil ik ook niet bestijden. Maar dat het mogelijk om een kritische, zelfs wellicht sceptische houding ging, bespreekt ze in het geheel niet, want past niet in haar straatje. Integendeel, ze speurt in zijn werken naar allerlei aanwijzingen voor een door hem aangehangen esoterische geheime alchemistische leer.

Hoe onkritisch ze haar sleutels bij elkaar sprokkelt blijkt eruit dat ze zelfs Leo Strauss' opvatting over hoe Spinoza zich genoopt voelde zich terughoudend te uiten en onder een exoterische oppervlakte een esoterische onderlaag verborg, als getuigenis aanhaalt, zonder dat ze erbij vermeldt dat het Strauss helemaal niet om alchemistische geheimen ging. Een van de vele bewijzen van haar eenzijdigheid en vooropgezetheid.

De gretigheid bijvoorbeeld waarmee ze een 'enigmatic phrase' die Spinoza aan Jelles geschreven zou hebben aanhaalt: “I will send you the Know Truth as soon as Mr. Vallon returns my copy” (letter 48B). Met haar cursivering wil ze aanduiden dat dit wel naar esoterische kennis moet verwijzen. Wat ze er niet bij geeft is dat deze frase is overgeleverd door de Duitse Hallmann die dit overnam en naar het Duits vertaalde uit een brief die de zoon van Riewertsz hem had laten zien.

Ik citeer hieronder het m.i. belangrijkste deel van haar tekst, waarin ze haar opvatting neerlegt over waar we bij Spinoza verwijzingen naar de alchemie kunnen vinden (ik citeer met weglating van de noten):

According to my interpretation, when Spinoza reveals that he had explored the “truths not yet known” and that he had found the “truth”, he was referring to alchemy. If we are to agree with Popkin, the heart of Spinoza’s metaphysics is found within the first 10 pages of the Ethics and, even more concisely, in the first 15 propositions, which can be summarized in the phrase: everything can be explained through a single substance, God. It is therefore possible that if we read through the cryptic language and empty the expression of religious meaning, he actually was alluding to the first matter that alchemists utilized in the process of transmutation. And that the Short Treatise and the TIE tried to answer the question that Spinoza’s friends frequently asked him and that was the center of alchemical reflection: what “the origin of things” was.

Nevertheless, it is within the TIE that the philosopher reveals to his followers what they repeatedly claimed: the path to better reach the true knowledge of things, (TIE, [1], [2], [3)]). The fact that the path was steep and difficult is deduced from the doubts that overcame the philosopher himself when deciding to embrace this vital project. Such a path required the candidate to assume strict “rules of life”, “constant meditation” and a radical change in lifestyle, renouncing honors and riches. This was necessary, in the philosopher’s words, to “purify” the intellect (TIE, [15], 5) and prepare them for the task of interrogating nature. Indeed, alchemists required mental purification before embarking on the process of obtaining the philosopher’s stone. Unlike Boyle and the English empirical tradition, which considered experiments the sole basis of scientific knowledge, Spinoza, like De Volder or Van Helmont, thought that experimentation required a philosophical framework of proper ethical behavior. “Further, as health is no insignificant means for attaining our end, we must also include the whole science of Medicine , and, as many difficult things are by contrivance rendered easy, and we can in this way gain much time and convenience” (TIE, 5).

These cryptic words are characteristic of an esoteric and not apt for the profane. The term often used by alchemists, “complete medicine”, made reference to the act of “curing” the impurities of metals like mercury or lead by means of the philosopher’s stone until they were converted into gold. This expression was also used by Tschirnhaus in his work Spirit Medicine or The General Principles of the Art of Discovering. And the concept of “medicine from the three kingdoms” or “Art” with a capital letter- was also used to refer to alchemy.

Concerning “the fruits of this tree” ( Short Treatise, conclusion, 150), that unequalable reward Spinoza calls “true good” and that he describes as a “thing eternal and infinite [that] feeds the mind wholly with joy” as well as “beatitude”, we can only guess what he was referring to. He utilized certain transcendent categories – like the union of Nature- along with religion (salvation, unity with God, blessedness) that ensures its true meaning. Even so, I believe that we could understand true knowledge or “ understanding Nature ” as meaning understanding the laws of the universe that govern the microcosm and macrocosm and rule the three kingdoms: the mineral kingdom, the plant kingdom, and the animal kingdom. Spinoza’s repeated references to the need to reproduce the model of nature are similar to the alchemist’s objective of mimicking in their laboratories the same processes that occur in nature.

Today it is difficult to understand how the knowledge that the philosopher describes as timeless, eternal, and immutable could possibly provide such happiness while demand that its followers sacrifice so much. But it is clear that it is not an ordinary scientific understanding, but rather, refers to something deeper that is related to our own existence. To reach it, it is not only necessary to “cure and purify knowledge”, but to carry out the investigation in the correct order. The insistence on the order is such that we could affirm that the whole of the TIE pivots on this central theme.

“If any one asks why I have not at the starting point set forth all the truths of nature in their due order , inasmuch as truth is self-evident, I reply by warning him not to reject as false any paradoxes he may find here, but to take the trouble to reflect on the chain of reasoning by which they are supported; he will then be no longer in doubt that we have attained the truth ” (TIE, 14, my emphasis).

Could we conclude that when Spinoza spoke of order he was revealing to his followers the different stages of the process of transmutation? It does not seem wrong to think that he was providing them with “aids (that were) therefore needed (to) (…) make certain experiments under fixed rules and arrangement”, like he revealed in TIE, 35.”

                                                   * * *  

Tot zover het 'process of transmutation' waarin mevr. María José Villaverde Rico Spinoza's filosofie omvormt tot een alchemistische. Zelfs de bekende zinsnede in de brief aan Albert Burgh, “ik weet dat ik de ware filosofie begrijp” [cf. Blog] ziet zij als een verwijzing naar de alchemie.

Mijn misnoegen over dit in mijn ogen zeer vreemde stuk zal me wel weer het misnoegen van Wim Klever opleveren, want hij was nogal te spreken over het feit dat zij zijn artikel over de Helvetius-affaire meermalen citeerde en overtuigd was “van de beslissende en determinerende invloed van Van den Enden op Spinoza's politieke theorie.” Zij was het die hem uitnodigde “om op de Complutense (universiteit van Madrid) in haar instituut te komen spreken over de radicale FvdE.” [Cf reactie op blog] Dit alles was niet de reden waarom ik dit hoofdstuk ging lezen, maar ontdek ik nu achteraf. Nadat ik een aantal passages uit het begin van haar stuk via books.google had gelezen, ontdekte ik dat het als Doc op internet bij Academia.edu aangeboden stond en zo kon ik het in z’n geheel lezen. En, nogmaals, ik wist niet wat me overkwam.

                                                * * *

Net gisteren had Eric Schliesser een blog, "Was Newton Familiar with Spinoza? (Yes, of course!)" [Cf.]. Daarin schrijft hij: "Spinoza ad Newton shared some overlapping interests, most obviously in optics, political theology, biblical philology, as well a shared initial immersion of and ultimate rejection of Cartesian physics."
Mevr. María José Villaverde Rico zal wel vinden dat hij de gedeelde interesse in alchemie in dat rijtje vergat.

Reacties

Inderdaad, Stan, vond ik het wel leuk dat zij mijn Helvetius-artikel citeerde en waardeerde in het kader van haar project 'Spinoza alchymista'. Wat jij niet releveert is haar besef van de ongelofelijke invloed van Van den Enden als 'alchymist', geboekstaafd in gedichten, op startende scheikundige Spinoza. Maria's statement over de beslissende invloed van Van den Enden op Spinoza slaat in haar stuk echter primair op diens strukturering van Spinoza's ontluikende politieke theorie, hetgeen zij concludeerde op basis van mijn Engelstalige versie op internet van de VPS en diverse daarbij horende documenten, op jouw internetsite beschikbaar gemaakt. Mijn waardering van haar artikel is geheel anders dan de jouwe. Daarnaast is zij een vermaarde en uitnemende kenner en uitlegger van Rousseau's werk en profiteer ik in dat opzicht grotelijks van haar werk.
Ik verwees je naar Schliesser's stuk. Zag je daar nog wat anders in dan de omissie van alchemie?

Wim, je gaat aan de inhoud van mijn blog voorbij en komt alleen met wat jou interesseert. Jij was nogal tevreden over dat stuk van Villaverde. Dus jij hebt er geen enkele moeite mee dat zij - om maar een voorbeeld te noemen - Spinoza's Substantie laat verwijzen naar "the first matter that alchemists utilized in the process of transmutation"?
Dan heb ik verder niets te zeggen (over Schliessers stuk ook niet)

Wees gerust, Stan. Bij die passus had ik in mijn tekst ook 2 vraagtekens in de marge geplaatst. Ik pleeg uit belangrijke publikaties ( zoals dit artikel ook is) alleen die dingen te selecteren die mij aanspreken en die ik juist acht . Zo reageer ik niet op alles wat jij schrijft.

Caute was Spinoza zijn motto. Hij stond dan ook veel gereserveerder minder aangedaan of misschien beter positief aangedaan in het leven. Persoonlijk denk ik m.b.t. van den Endens politieke geschriften en gedrag en de onverschrokken geloofskritiek van Koerbagh dat Spinoza dat niet bevorderde. Ook alchemie blijkt uit zijn briefwisseling niet zijn zaak te zijn. Hij stond een veel natuurwetenschappelijker algemener en m.b.t. de aandoeningen een evenmatig veranderingsconcept voor. Hij streefde naar een op den en voor de lange duur bestendiger perspectief, naar meer wijsgerige en betere verstandige verhoudingen. Het eenvoudig goud kunnen maken lag helemaal niet in zijn lijn. Hij verschilde zo lijkt het toch vrijwel zeker op welke wijze je moest streven naar verandering. Dat moest met verstand van zaken gebeuren, naar verstandige verhoudingen in de tijd gezien, die op den duur meer vrijheden mogelijk maken in geloof en politiek (TTP) (TP). Het lijkt me niet onvoorstelbaar dat hij afstand bewaarde tot van den Ende en andere radicalen. Uit de briefwisselingen vinden we niets van deze ietwat naïeve lieden en opmerkingen over hun plannen en geschriften terug en juist wel veel uitleg over wetenschappelijke onderwerpen en de gehanteerde begrippen en methodes en m.b.t. gedrag, geloof en bijbelkritiek. En later dicht bij het vuur in het Haagse, waar hij de bescherming van Johan de Witt verloor en daardoor toch even uit zijn evenwicht geraakte. Pas na zijn dood zijn die verstrekkende geschriften gedrukt prijsgegeven. Die hebben alle de strekking van een reëel en normaal voortplantingsmodel ook m.b.t. het bewustzijn, het verbeteren van het verstand.
Het verband wat zij legt lijkt me niet juist en Klevers obsessie met zijn van den Enden als de geniale leermeester van Spinoza wordt zo ook gediscrediteerd, want Spinoza wordt kennelijk via Wim zelf met beide zaken, politiek en alchemie, met vden E door haar op zijn gezag aangenomen. Afgezien van het feit dat Spinoza zoals Stan al weergaf de TTP niet bij die Hamburgse alchimist liet drukken en dat bij haar de wens de vader is van de gedachte.
Spinoza schatte de verhoudingen met zijn hechte vriendenkring en door zijn briefwisselingen (o.a. met Oldenburg) veel beter in dan de eenlingen vden E en K die veel meer op zichzelf leken te avonturen.