Spinoza's Metaphysik als Anti-Theologie (Manfred Walther)

Vandaag was de eerste dag van de cursus die dr. Paul Juffermans voor HOVO Zuyd in Roermond geeft over “Macht in het denken van Spinoza.” Ik had weer eens zin een cursus bij te wonen én koos deze mede met het doel in deze periode – de cursus zal gaan t/m 21-03-2016 – het boek van Martin Saar, Die Immanenz der Macht weer eens te lezen.

Als ik daar aanleiding toe voel zal ik zeker eens een blog eraan wijden. Vandaag gaf Juffermans een globale samenvatting van een aantal hoofdbegrippen uit het eerste deel van de Ethica. Het accent daarbij lag erop hoe Spinoza vele begrippen uit de Scholastiek gebruikte (al dan niet via Descartes), maar hoe hij daar fundamentele andere inhouden aan gaf en tot een heel ander filosofisch godsbegrip kwam dan dat van scholastiek en van historische religies. Het is allemaal al vaker in blogs voorbij gekomen, maar misschien goed die begripsombuigingen nog eens samen te vatten:

Anders dan die theologen voor wie er een onderscheid is tussen potentia en potestas , vermogen en macht, in de zin van, zoals zij het verstonden: Gods vermogen is groter dan de daadwerkelijke macht die hij uitoefent, want hij is nog tot veel meer in staat… zet Spinoza Gods macht gelijk aan zijn vermogen: alles waartoe God of de natuur in staat is, wordt ook daadwerkelijk uitgeoefend. Kortom, Gods macht en Gods vermogen zijn bij hem identiek (cf. Ethica 1/36d). Sterker uitgedrukt Gods potentia is zijn wezen (1/34)

Voor de Scholastici en theologen is er onderscheid tussen Gods Verstand en Gods Wil, welke beide attributen zijn van Gods wezen. Voor Spinoza is er geen onderscheid tussen Wil en Verstand én behoren deze niet tot Gods wezen (de natura naturans), maar zijn een product van God en behoren tot de natura naturata.

Scholastici en theologen maakten een onderscheid tussen Gods essentiële attributen en de geschapen attributen. Gods essentie kon je als mens niet kennen, wel de eigenschappen van de (geschapen) wereld. Spinoza geeft een substantie-, attributen-, en godsdefinitie, waardoor we via de attributen in staat zijn met ons verstand wél Gods essentie te leren kennen. Ook de attributendefinitie is duidelijk polemisch.

Voor de Scholastici en theologen is God de schepper van de wereld die transcendent boven/buiten de wereld staat en die louter een geestelijk wezen is. De vraag hoe een louter geestelijk wezen materiële dingen kan scheppen werd opgelost (beter: weggewerkt) door te stellen dat God alles, alle dingen uit het niets schept. Voor Spinoza is dit een onmogelijkheid: niets kan uit niets gemaakt worden (het aloude adagium ex nihilo nihil fit). Hij lost het genoemde vraagstuk op door God een materiële bestaanswijze (het attribuut uitgebreidheid) toe te kennen. Verder geschiedt wat Spinoza betreft de veroorzaking van de wereld door God immanent (inblijvend) en niet overgaand (transiënt). Vandaar: Deus sive Natura: God en de natuur ofwel de hele werkelijkheid zijn één.  

Voor de Scholastici en theologen is de wereld en zijn alle dingen in de wereld contingent, toevallig of willekeurig, want (aangezien God een willend wezen is) had hij de wereld ook niet of anders kunnen maken. Kortom er is Contingentia Mundi. Voor Spinoza, die zoals gezegd niets van dat voluntarisme moet hebben, bestaat er geen contingentie: de wereld en alle dingen erin hadden niet anders kunnen zijn dan ze ontstaan zijn (1/33). Vandaar: Spinoza’s noodzakelijkheid van alles (zijn necessitarianisme) – het volstrekte tegenovergestelde dus van contingentie.

Verder zijn nog te noemen Spinoza’s kritiek op het antropomorfe denken; zijn kritiek op elke doelgerichtheid in de natuur: God of de natuur kent voor Spinoza geen telos (doel). De appendix bij deel I is een groot exposé tegen de teleologie. Kortom, zoals dit plaatje toont,...


...God schiep niet de mens naar zijn beeld en gelijkenis, maar de mens heeft God naar zijn beeld en gelijkenis geschapen.

De Ethica is: anti-theologie
Dit alles leidde ertoe dat de Duitse Spinoza geleerde Manfred Walther Spinoza’s metafysica typeerde als anti-theologie. Ik vond dit wel een mooie typering en was blij dat Juffermans daarop wees. Weer thuis vond ik dat hij dit boek schreef:

Manfred Walther, Metaphysik als Anti-Theologie. Die Philosophie Spinozas im Zusammenhang der religionsphilosophischen Problematik. Hamburg, Felix Meiner, 1971 - 175 pagina's

Om er iets meer over te lezen, zocht ik er enige recensie bij:

Uit de recensie van Wolfgang Schild in: Zeitschrift für philosophische Forschung [Bd. 31, H. 4, Zum Gedenken an den 300. Todestag von Benedict de Spinoza (Oct. - Dec., 1977), pp. 631-633] leren we dat het Manfred Walthers Frankfurter philosophischen Dissertation betrof.

Herman De Dijn begon zijn recensie over Manfred Walther’s Metaphysik als Anti-Theologie [in: Tijdschrift Voor Filosofie 35 (1):185-188 (1973)] heel lovend: “Dit boek is mijns inziens een van de beste studies in de Duitse taal over Spinoza's filosofie als systematisch denken.” Hij vond verder dat W. de Tractatus de intellectus emendatione zeer goed begrepen had, maar verderop stelde hij W. (vanuit Gueroult waar De Dijn zich volledig op baseert) onder kritiek dat hij nogal wat zaken niet of onvoldoende goed begrepen had. Waar Schild het had over Walthers benadrukking van de “ethisch-religios praktischen Philosophie Spinozas,” waardeert De Dijn Walthers “analyse van en begrip voor de heilsbetekenis van Spinoza's filosofie in haar geheel zowel als in al haar onderdelen.” Hij vond met Walther zelf dat hij geslaagd was “in zijn onderneming om Spinoza's filosofische gedachten als een systeem met heilsbetekenis te interpreteren.” Kortom, in die heilsgedachte herkennen we De Dijn.

Wolfgang Bartuschat, NEUERE SPINOZA-LITERATUR [in: Philosophische Rundschau, Vol. 24, No. 1/2 (1977), pp. 1-44] besprak gedegen en uitgebreid wel 9 Spinoza studie die tussen 1968 en 1974 uitgekomen waren, waaronder dit van Manfred Walther, waarover ook hij zowel lovend als kritisch is. Deze bespreking is te omvangrijk en uitvoerig om hier aan de orde te stellen, maar ik ben wel blij hem ontdekt te hebben, daar Bartuschat uiterst gedegen ingaat op boeken die klassiekers in de secundaire Spinozaliteratuur geworden zijn.

Tot slot neem ik een passage uit het voorwoord van het volgende boek dat bij zijn 65ste verjaardag aan Manfred Walther werd opgedragen

Michael Czelinski, Thomas Kisser, Robert Schepf, Marcel Senn, Jürgen Stenzel (Hrsg.), Transformation der Metaphysik in die Moderne: zur Gegenwärtigkeit der theoretischen und praktischen Philosophie Spinozas. Königshausen & Neumann, 2003 – books.google

Der Aufschwung der deutschsprachigen Spinozaforschung und ihre Einbettung in die internationale Spinozaforschung ist in ganz besonderer Weise mit dem Namen Manfred Walther verbunden. Seit seiner Monographie Spinozas Metaphysik als Anti-Theologie (1971) hat er eine Fülle von Aktivitäten entfaltet: Er hat 1985 die internationale Zeitschrift der Spinozaforschung, die Studia Spinozana, gegründet und ist bis heute ihr Herausgeber. 1988 hat er darüber hinaus die Spinoza-Gesellschaft gegründet, die nicht nur durch eine ganze Reihe von Tagungen, sondern auch durch ihre Schriftenreihe die Spinozaforschung in Deutschland sammelt und vorantreibt. Dabei kommt es Manfred Walther nicht darauf an, Spinoza als ein vergessenes Museumsstück wieder in die Vitrinen der Philosophiegeschichte zu stellen. Ihn interessiert die spezifische Modernität und Vernünftigkeit seiner Theorie, insbesondere auch seiner Demokratietheorie. Dazu bedient sich Walther der Argumentationsfigur der »Transformation« und der »Entparadoxierung«: Die Rationalität und Modernität der Philosophie Spinozas verdankt sich ihrer einzigartigen Fähigkeit, Paradoxa, in welche sich Alternativen verwikkeln, aufzulösen und zugleich in ihrer Genese durchsichtig zu machen. Es sind diese hohen Rationalitätsstandards, die Spinoza in seiner Philosophie zu realisieren sucht, denen sich sowohl das Provokative wie das Anregende seiner Theorie verdanken.

[…] Ihm ist der vorliegende Band in Dankbarkeit für seine Anstrengungen und Bemühungen um die Philosophie Spinozas anläßlich seines 65. Geburtstages gewidmet.”