Sporen van subject-zijn en van zelfbewustzijn bij Spinoza

We spraken af om waar we met onze Spinoza Kring Limburg gisterenavond het laatste deel van het Tweede deel van de Ethica bespraken, nog eens over dat hele Tweede deel heen op zoek te gaan naar sporen ervan dat er in Spinoza’s stelsel toch wel aandacht er voor is om mensen als subject, als individu met zelfbewustzijn, als modi die ook zelf iets betekenen te zien.

Er zijn van zulke sporen aan te wijzen, maar je kunt je afvragen waarom die zo verborgen lijken te zijn, zo weggestopt? Zonder dat je daarvoor hoeft te psychologiseren door bijvoorbeeld te denken aan een mogelijk onbewuste neiging vanuit Spinoza’s verzet tegen Descartes, is wel duidelijk dat hij een missie heeft en zwaar tegenwicht wilde bieden tegen het te sterk uitvergrote ego van het cartesiaanse denken. Een missie tegen de al zo lang bestaande neiging van mensen om zichzelf boven de rest van de natuur verheven te voelen en om alles (zeker de natuur als God) antropomorf te duiden – alsof alles voor ons welzijn ingericht is. Tegen die neiging om een soort staat in de staat te vormen verzette Spinoza zich hevig, ja hartstochtelijk. Zijn missie bestond erin te laten zien dat je in je filosoferen niet van jezelf, van je ik, moet uitgaan maar vanuit het geheel, dat is: vanuit God. Niet vanuit de gewone orde der dingen (die ons contingent verschijnt), maar vanuit de totale orde (die eeuwig en noodzakelijk is) proberen de dingen te begrijpen.

Doordat die sporen waar we naar op zoek gingen niet makkelijk voor het oprapen liggen konden ze zelfs eeuwenlang over het hoofd worden gezien en aanleiding geven voor dominante duidingen die tot een misverstaan van Spinoza konden leiden en een goed zicht op Spinoza’s filosofie in de weg gingen zitten. Dat begon al vroeg, maar vond voor lange tijd zijn hoogtepunt bij Bayle voor wie de modi niets voorstelden dan eigenschappen van de substantie te zijn, waarvan er maar één bestaat. Terwijl Spinoza toch duidelijk stelt dat er ontologisch twee typen dingen werkelijk bestaan: de substantie (=God) die eeuwig en zonder eindigheid (oneindig) bestaat en de tijdelijke, veranderlijke enkeldingen of modi (van uitgebreidheid of denken) die binnen en als wijziging van de substantie bestaan en van daaruit begrepen moeten worden.
Dat de idealisten en via Maimon vooral Hegel van mening waren dat er bij Spinoza geen of te weinig aandacht voor de wereld en de mensen was en teveel God; dat hij daarom geen atheïst, maar eerder teveel theïst en juist akosmist genoemd moest worden. Dat komt allemaal mede voort uit het feit dat die sporen van het individuele eigene, dat die Selbigkeit, er bij Spinoza niet dik bovenop ligt en nogal verborgen in zijn systeem lijkt te zitten, vooral in dat moeilijke Tweede deel er niet uitspringen.

Maar we vonden sporen in dat Tweede deel.

In Stelling 13, en vooral het bewijs ervan, zou je – zoals Ursula Renz betoogt – een aanzet tot een subject-theorie bij Spinoza kunnen lezen, met name door het gebruik van het vierde axioma erin: wij hebben ideeën van inwerkingen op het lichaam en wel het feitelijk bestaande lichaam. Daarvan, van dat concrete bestaande enkele lichaam, is de idee onze geest (objectum nostrae Mentis est Corpus existent, et nihil aliud). Het erbij horende corrolarium stelt vast: de mens bestaat uit geest en lichaam en dat lichaam bestaat zoals wij het waarnemen. Vervolgens geldt in het daaropvolgende scholium wel voor alle dingen dat ze bezield (animata) zijn, wat wil zeggen dat er in God ideeën van bestaan, zij het in verschillende gradaties, maar vervolgens benadrukt hij het superieure van de menselijke geest in samenhang met het tot meer dingen in staat zijnde lichaam, hetgeen verder uitgewerkt wordt in Stelling 14 (veel opmerken), Stelling 15 (niet enkelvoudig, maar samengesteld).

En in het scholium bij Stelling 17 benadrukt hij nogmaals dat we aan die ervaring (hoe we het bestaan van ons lichaam ervaren) niet moeten twijfelen.

Nadat hij in Stelling 21 en scholium over de idee van de geest (idea ideae) heeft gesproken en zo over het reflexieve van weten van het weten dat je weet, en hij van Stelling 19 t/m 29 heeft duidelijk gemaakt dat de menselijke geest zichzelf, zijn lichaam en de omringende wereld alleen kan kennen via de inwerkingen op het lichaam én dat dit altijd – daar dit de gewone, contingente orde van de natuur volgt - vermengde, confuse ofwel inadequate kennis oplevert, zoals hij het in het corrolarium bij Stelling 29 nog eens samenvat en in het scholium laat zien hoe dit toevallige, contingente, inadequate kennen via vergelijken en vinden van overeenkomsten en verschillen tussen ideeën, dingen helder en onderscheiden gaan zien.

Dan ontwikkelt hij in Stelling 32 t/m 43 zijn waarheids- en adequaatheidstheorie en structuur van zijn kennisleer. En in die Stelling 43, met bewijs en toelichting, brengt hij dan – maar verpakt - zijn zelfbewustheidstheorie. Die Stelling luidt: “Iemand die een ware idee heeft, weet tegelijkertijd dat hij een ware idee heeft en kan niet aan deze waarheid twijfelen.” (Qui veram habet ideam…]. Dit verwijst weer duidelijk naar een subject, iemand, ‘qui’, de gene die, én het verwijst naar het bewustzijn , het weten en reflexief weten dat hij, dat subject het is die wéét. In het bewijs daarvan gaat het wel eerst om wat aan idee in God wordt gevormd, maar dat voor zover hij door de aard van de menselijke geest wordt verklaard, d.w.z. als idee in de menselijke geest is. Dat moet je niet lezen als: het is een ander (‘God’) die begrijpt, nee ik ben het die in mijn geest iets begrijpt (maar dat begripsvermogen moet je wel blijven zien als onderdeel van de natuur of God). [Zie wat ik hierna schrijf over 'apperceptie']

Om te voorkomen dat wij onszelf als los van de natuur begrijpen, legt Spinoza steeds weer het verband met het geheel. Maar daarmee ontkent hij niet dat het begrijpen iets in en van mij is. Dat begrijpen speelt zich af in ditzelfde schakeltje in het hele netwerk en niet in iets anders (maar het is daartoe in staat doordat het een schakeltje in een hele keten is).

Denken en kennen is iets van de natuur (daarvan wil hij ons doordringen, en dat gaat in noodzakelijkheid), maar wel voor zover die natuur zich in mij afspeelt en door mij gekend wordt, zodat ik daarmee tegelijk mijzelf er door kan kennen (én God of de werkelijkheid). Daarmee is dat kennende ‘ik’, dat ‘zelf’, bepaald geen substantie – niet iets dat op zichzelf bestaat en door zichzelf begrepen kan worden. Maar het gaat wel om iets dat we ervaren en zoals we het ervaren. Want, “ik vraag u: wie kan weten dat hij iets begrijpt, als hij het niet eerst begrijpt?” (2/43s)

Spinoza begint zijn filosoferen wel niet bij het ik (dat niet eraan kan twijfelen dat hij denkt dus bestaat) en hij plaats alles binnen de grotere natuur (God), maar dat wil niet zeggen dat ook hij niet bij een ‘ik’ en bij een ‘zelfbewustzijn’ uitkomt. Alleen doet hij dat geclausuleerd, zodat het besef meekomt dat het ‘ik‘ niets autonooms heeft en geen onveroorzaakte (vrije) wil heeft en dat “de kracht waarmee het in het bestaan volhardt (wat in het Derde deel ‘conatus’ gaat heten) voortkomt uit de eeuwige noodzaak van Gods aard.” (45 Scholium)

Spinoza geeft zicht op een ‘ik’, maar uitgekleed en ontdaan van zijn verbeelde voorstelling van een vrije wil. Wij moeten ons niet verbeelden dat wij buiten de natuurlijke noodzakelijkheid vallen, maar we moeten ook niet fantaseren dat we volgens Spinzoa niets zouden zijn, omdat God alles is. Wij horen bij dat alles, zijn onderdeel van de werkelijk bestaande realiteit.

Uitstapje over het begrip apperceptie

Spinoza kende het ‘apperceptie’-begrip nog niet, maar zou er, zo zou je achteraf kunnen veronderstellen, een omgekeerde betekenis aan hebben gegeven dan het in de geschiedenis heeft gekregen.

Leibniz muntte die term (van ad percipere) en gaf daar het begrip aan mee om aan te geven wat er bij het waarnemen ontstaat binnen de monade waarin een innerlijke toestand externe objecten representeert: namelijk de reflexieve kennis van deze perceptie - dat is wat erin mee komt.
Ook Kant gebruikte die term om aan te duiden dat we bij elk waarnemen tegelijk het besef hebben dat ik (subject) het ben die waarneemt: het ‘ik denk’ begeleidt elke waarneming en leidt telkens weer tot zelfbewustzijn. Ook in de verdere geschiedenis van de filosofie en psychologie werd deze term met globaal deze betekenis gebruikt. Telkens weer gaat het erom het ‘ik denk’ te benadrukken bij elke waarneming ('ik ben het die dat waarneemt') en vandaaruit het ontstaan van ons zelfbewustzijn te begrijpen.

Spinoza, zo zou je kunnen zeggen, ziet dat proces ook wel zich in ons afspelen: ook bij hem ontstaat reflexieve kennis, dus zelfbewustzijn. Ik heb er in het bovenstaande op gewezen. Alleen vindt hij het belangrijker om te benadrukken dat in dat waarneem- en denkproces “God of de natuur waarneemt en denkt” en om niet zozeer het accent te leggen op ‘ik denk’. Want hij weet waar dat toe leidt, en wil ons het besef bijbrengen in te zien dat in het waarnemen meekomt resp. dat het begeleid wordt door het besef ‘de natuur denkt in mij’ en: ‘ik behoor tot de natuur’. Had hij de term ‘apperceptie’ (dat wat met de perceptie meekomt) bedacht dan zou het deze betekenis hebben gekregen.