The Young Spinoza binnenstebuiten [2]

Hier zet ik mijn bespreking van vanmiddag met weer een aantal hoofdstukken uit dit boek voort.

Yitzhak Y. Melamed verzorgde de redactie, schreef de inleiding, waarin hij uitgebreid op alle hoofdstukken ingaat en schreef het hoofdstuk “A Glimpse into Spinoza’s Metaphysical Laboratory: The Development of the Concepts of Substance and Attribute.” Ik vond het wel een fraai hoofdstuk met een verrassende uitkomst. Melamed gaat de genealogie na van de centrale begrippen in Spinoza’s metafysica: substantie en attribuut (modi komen minder aan bod). Hij begint bij de vroege Brieven en gaat vervolgens de verschuiving in betekenis en plaats binnen Spinoza's filosofie na van deze kernnoties. Interessant is om mee te maken hoe Spinoza blijkbaar worstelde in het formuleren van de juiste verhouding, overeenkomst resp. verschil, tussen substantie en attribuut – en van de rol van het intellect daarbij. Je gaat erdoor beseffen hoe Spinoza jarenlang aan zijn Ethica heeft  geschaafd, geschuurd en geslepen om alles goed passend te krijgen.

Het hoofdstuk van Ursula Renz is en blijft erg schetsmatig en daardoor onbevredigend. Ze wil aantonen, zoals de titel luidt zowel van haar hoofdstuk zelf als van de belangrijkste laatste paragraaf, “From the Passive to the Active Intellect”, maar daarin komt de term ‘intellect’ helemaal niet voor en blijft ze het hebben over de geest in het algemeen. Ze heeft het over de zich wijzigende aanpak van Spinoza’s theorie van de geest, het mentale en een andere rol voor het idea dat meer als concept en minder als perceptie (zoals nog in de  KV) wordt gezien. Maar hoe dan ook: de vlag dekt de lading niet echt. Over Spinoza intellect-opvatting lezen we niets. Het blijft allemaal mede zo schetsmatig daar ze meermalen verwijst naar haar boek Die Erklärbarkeit der Erfahrung. Misschien is het dan wel goed voor de Angelsaksische lezers dat ze bij de introductie van de bijdragers aan het boek kunnen lezen dat het in het Engels vertaald gaat worden en bij OUP zal verschijnen. Dit moet dan maar al een marketing hoofdstuk beschouwd worden (niet de beste marketing overigens)

Oded Schechter, “Temporalities and Kinds of Cognition in the Treatise on the Emendation of the Intellect, the Short Treatise, and the Ethics,” begint veelbelovend, maar blijkt aan het eind toch iets teveel te hebben beloofd, wat hij in mijn ogen niet helemaal waar heeft kunnen maken. Hij wil ons, in een goed geschreven stuk trouwens, meenemen in de veranderingen die Spinoza’s leer van de 3 (4) kensoorten doormaakten. Op hoofdlijnen is het inhoudelijk dezelfde type kennis, alleen komt die op andere manieren tot stand en vervult ook telkens andere rollen.

Z’n pretentie was dat, door zijn analyse te beginnen bij de zo algemeen enigmatisch gevonden leer van de eeuwigheid van de geest, ons van de logica en passendheid en betekenisvolle inhoud ervan te kunnen overtuigen. Dat laatste lukt hem wat mij betreft niet. Wat ik wel van hem heb opgestoken is dat in de TIE de kenvormen geacht worden de rol te vervullen om ermee tot de juiste methode van filosoferen te komen. Dat ze in de KV gebracht worden als verschillende vormen van gedrag. En dat dezelfde kenvormen in de Ethica verschillende manieren van bestaan betreffen. Een ontdekking die grote betekenis kan hebben. Iets om vast te houden er op te letten en nog eens vaker te overdenken.

In “Degrees of Essence and Perfection in Spinoza” geeft John Brandau een boeiende behandeling van de op het eerste gehoor (of gezicht) merkwaardige mededeling van Spinoza dat essenties in graden mogelijk zijn. Het is een onderwerp dat in de secundaire literatuur weinig aandacht kreeg, maar waarvan de auteur kan aantonen dat het een belangrijk aspect van Spinoza’s filosofie is, waarmee, zo laat hij zien, het mogelijk is er goed mee uit de voeten te kunnen. Essentie dient dan niet opgevat te worden als een soort ‘iets’, een materiaal of ‘stuff’ waar je meer of minder van kunt hebben. Nee, ‘essentie’ is hetzelfde als ‘perfectie’ en dat zegt iets over het aantal perfecties, resp. essentiële eigenschappen die iets kan hebben. Hoe meer een ding daarvan heeft, des te meer realiteit het heeft. De schrijver behandelt het allemaal veel uitgebreider en zorgvuldiger uiteraard dan ik het hier ruw schets. Een boeiend en belangwekkend artikel. Het is ook het enige artikel dat ruim aandacht geeft aan de ethische implicaties van het thema.

Het hoofdstuk van Karolina Hübner, “Spinoza on Negation, Mind-Dependence, and Reality of the Finite,” is een uitvoerig vertoon van academische geleerdheid, waarin de idealistische, Hegeliaanse Spinoza-uitleg wordt ontrafeld. Ze gaat helemaal op de lijn zitten van Spinoza, gezien als akosmist, voor wie de wereld en de eindige dingen geen realiteit hebben. De benadering waarin eindige dingen als negatie of beperking geen eigen bestaansruimte in Spinoza’s systeem zouden krijgen, waarbij we meer met illusies (entia rationis, jawel) dan met ontologische realiteit te maken krijgen, lijkt door de grote aandacht die dat alles krijgt, het grootste deel van het hoofdstuk gaat op aan reconstructie van die positie, het opstellen van weerleggingen, en van weerleggingen daar weer van. Zeer geleerd allemaal, maar hoe relevant? Een dan is er op het eind nog slechts 1½ bladzijde ruimte om te schetsen dat je Spinoza ook in z’n waarde kunt laten door niet zo naar de negativiteit van eindige dingen om te zien, maar er eens van uit te gaan dat hij een filosoof van positiviteit is. Het niets is immers niet. Nadat ze van allerlei weerleggingen van de akosmistische benadering heeft laten zien dat dat nog niet zo eenvoudig is, krijgt het verhaal een heel andere wending wanneer je gewoon de premisse laat vallen en niet meer ervan uitgaat dat “For Spinoza, finite things are constituted in part by negation (limitation, exclusion, bounding, etc).” Dat Spinoza toch eigenlijk niet zo’n negatieve, maar meer een bevestigende filosoof is, het lijkt nogal een ontdekking die tot slot ook even wordt uitgeprobeerd. Waarbij dan de conatus-theorie als puur bevestigende kijk op dingen wordt gebracht die ze dan ook nog van een ander als suggestie heeft aangereikt gekregen. Een illustratie hoe je door veel en langdurige academische studie volstrekt op een verkeerd spoor geraakt kunt zijn – zonde van de tijd zou ik zeggen.

Tad M. Schmaltz geeft in “Spinoza on Eternity and Duration: The 1663 Connection,” nog eens een uitvoerige behandeling van Spinoza’s eeuwigheidsconcepties, waarbij hij uitvoerig ingaat op Donagan en Kneale. Het op dit blog vaak besproken onderwerp van de eeuwigheid van de essenties van bijzondere dingen en daarbij uiteraard Ethica 2/8 e.d. komt uitvoerig aan bod.
Hetkomt er wat hem betreft op uit dat Spinoza op twee manieren van het begrip ’eeuwigheid’ gebruik maakt: n.l. als (Platoonse) atemporaliteit waar het de substantie en attributen en de daarin vervatte ‘formele essenties’ van de modi; en als (Aristotelische) altijddurendheid als het gaat om de oneindige modi en dat deel van de menselijke geest dat eeuwig is. Iets dat ik in dit korte bestek niet nader kan toelichten, vooral niet daar Schmaltz ook nog eens vaststelt dat Spinoza zich niet consequent aan deze duiding (van Schmaltz) houdt! Iedereen moet zelf maar zien of er iets overtuigends van zijn gading in zit. Zoals zo vaak, de weg is interessanter dan de bestemming.