Theun de Vries in 1956 over "Spinoza, de Nederlandse regentenstaat en het dialectisch materialisme"

Recent ontdekte ik dat in Politiek en cultuur, het maandblad van de CPN dat van 1935 tot 1995 verscheen en dat door de Universiteit van Groningen gedigitaliseerd is [cf.], in twee afleveringen van de jaargang 1956 een groot artikel bevat van Theun de Vries: “Spinoza, de Nederlandse regentenstaat en het dialectisch materialisme,” I, p. 40-52 [januari 1956] en II, p. 162-72 [maart 1956].
Zijn portretfotootje zou uit 1956 dateren [van de PCHooftprijs die hij in 1962 ontving].

De aanleiding voor het essay was de verschijning een paar jaar eerder van het boek van George L. Kline, Spinoza in Soviet philosophy; essays selected and transl [London, 1952]. Alvorens dat te gaan bespreken, gaf De Vries eerst een uitvoerige uiteenzetting over Spinoza. Het was zijn eerste essayistische publicatie over de filosoof over wie hij een filmscript, hoorspelen en tenslotte een uitgebreide biografie zou schrijven [cf. blog en blog]. Tot mijn vreugde constateerde ik dat Henri Krop in zijn boek Spinoza - een paradoxale icoon van Nederland [2014] er in zijn paragraaf over Theun de Vries aandacht aan geeft. 

Ik doe hier enige grepen uit het eerste deel van het artikel. Vooraf nog dit.

In 1956 zitten we midden in de Koude Oorlog. Het is het jaar van de Suezcrisis, maar vooral van de Hongaarse opstand en de onderdrukking ervan door Russische troepen. Ik herinner het me allemaal nog goed – was toen veertien jaar. De Vries was al vanaf het midden van de jaren ’30 marxist, werd later lid van de Communistische Partij en werd redacteur van het partijblad De Tribune (later De Waarheid). Hij rechtvaardigde de Praagse Coup, de communistische staatsgreep in Tsjechoslowakije (1948) en het Russische ingrijpen in Hongarije (1956). Jaren later zei hij:  "Ik ben teleurgesteld en bedrogen door de Sovjet Unie." [cf.]  Dat hij toen, in 1956, behoorde tot het ‘gestaalde kader’ van het communisme is te merken aan zijn kritiek op Spinoza dat zijn systeem niet dialectisch en dynamisch genoeg was. Maar verder spreekt er een grote kennis van en warme liefde voor Spinoza uit, zoals blijkt uit een volgende passage:

“Niettemin zijn er weinig denkers geweest, die het leven met zoveel overgave en zuivere humaniteit hebben liefgehad, zo een onbeperkt vertrouwen in de reddende betekenis van de menselijke rede hebben gesteld en tegelijk tot een zo onverschrokken materialistische verklaring van mens en natuur zijn gekomen, in een tijd die zwaar hing van theologische wolken en duister was van bijgeloof.” [p. 42]

“Het feit, dat de grootste denker, die Nederland voortgebracht heeft, juist in de XVIIe eeuw aldaar moest en kon optreden, is niet zo verwonderlijk. De regentenstaat was na de Vrede van Munster (1648), die onze nationale onafhankelijkheid legaliseerde, eerst volop in het stadium van zijn stoffelijke en culturele wereldmacht getreden . . . een hoogtepunt, dat nadien niet meer werd bereikt. De welstand, die zich in meerder of mindere mate over grote lagen der bevolking uitstrekte, was nooit zo oogverblindend geweest; vreemdelingen, hier naar toe gereisd, stonden er sprakeloos van. Deze evenwichtige verhouding tussen de productiekrachten en de economische verhoudingen manifesteerde zich in de binnenlandse politiek als een door de regerende factie-De Witt met alle middelen gehandhaafde balans tussen .. verllchte" heren en .. reactionaire" ( orangistische en calvinistische) volksmassa - in de buitenlandse politiek als het laveren van onze diplomatie tussen Frankrijk en Engeland. Uit die evenwichtstoestand bloeide een vrijheid op voor H0lland's heersende klasse en de met haar verbonden intellectuelen, die - al weer voor die tijd - de uiterst denkbare grenzen bereikte. Zoals wij echter weten, bestaan er geen blijvende evenwichten in de natuur noch in de politiek. De regentenstaat bevond zich niet alleen op het hoogste punt van zijn ontplooiing, maar daarmee onvermijdelijk ook aan het begin van zijn neergang. De corruptie en baatzucht van de regeerders namen al onbeschaamdere vormen aan, en naarmate zij de schroef van de uitbuiting nauwer gingen aandraaien, tekende zich de tegenstelling tussen hen en de werkende, minder bevoorrechte delen der natie vijandiger af.

Wij moeten ons er daarom van bewust zijn, dat het bruggetje van gedachtenvrijheid en onbelemmerd wijsgerig onderzoek voor een man als Spinoza afhing van hetzelfde evenwicht, waarop de regentenklasse haar ongedeeld aanzien baseerde. Aangezien Spinoza echter geen enkele economische macht achter zich had, was dit bruggetje maar angstwekkend smal en wankel. - zonder dat wij ooit mogen vergeten, dat het in de toenmalige wereld het enige in zijn soort was! Zodoende bevond zich Spinoza bij voortduring in een hachelijke positie. Zijn vrijheid bestond bij de gratie van enkele andere vrijen, sommigen machtig weliswaar, maar daarom niet minder dan hij onderworpen aan de bewegingswet der historie. De meerderheid van het Nederland se volk - handwerkers, zeelui, neringdoenden, vissers, boeren - leefde en dacht onder sterke invloed van de rechtzinnigste predikanten, die iedere vrije filosofie als zonde tegen God en zijn openbaring verfoeiden; maar deze opvattingen waren ook de geestelijke eigendom van een deel der hogere standen, van vele regenten zelf. Dat men niet heel ver over de schreef van het toelaatbaar geachte hoefde te gaan, om als .,atheïst" te worden vervolgd en gevonnist, bewees in 1668 het proces-Koerbagh. Adriaan Koerbagh, jurist en medicus, was een der Amsterdamse volgelingen van Spinoza, een bijzonder talentvol en dapper man, die onder het mom van woordenboeken en rechtskundige verklaringen onvervalst spinozistische opvattingen aan de man bracht. Door de overheid vervolgd. vluchtte hij, werd verraden, aan het Amsterdamse gerecht overgeleverd, gefolterd en tot het rasphuis veroordeeld, waar hij tussen misdadige elementen ellendig omkwam. Het lijdt geen twijfel. of Spinoza heeft dit proces tegen een zijner naaste vrienden en jongeren als een ernstig vermaan tot behoedzaamheid opgevat.

Er Joept daarom door de gehele verhouding van Spinoza tot de regentenstaat een ingewikkelde dialectiek. Zonder het bestaan van deze staat - geen Spinoza. [p. 43]

Hierna bespreekt hij het rampjaar en hoe door de wending in de richting van de Oranje-reactie Spinoza zijn Ethica niet dorst uitgeven.

“Zelfs met deze werkelijkheid voor ogen, die dus aan sterke beperkingen onderhevig is, moeten wij Nederlandse socialisten van de XXe eeuw en strijders voor vooruitgang over de gehele linie het de burgerij van de XVIIe dank weten, dat althans een deel hunner bevroed heeft, dat zij in Baruch de Spinoza een persoonlijkheid van de hoogste orde bezaten en hem navenant behandelden. Wij moeten echter nog een stap verder, of als men wil, terug doen in de hier uiteengezette dialectiek, en vaststellen, dat waar velen de wijsgeer in de zestiger en zeventiger jaren der XVIIe eeuw als een .,pest" uitkreten, honderd jaar voordien de Nederlandse natie door haar Opstand tegen Spanje, door haar vestiging van een nationale koopmansrepubliek en alle daaruit voortvloeiende geestelijke gevolgen, door heel haar historisch optreden het zelf mogelijk gemaakt had, dat Spinoza hier tussen 1650 en 1675 zijn revolutionaire filosofie kon uitdenken. Met zulke “listen" werkt de historie ...

Deze dialectiek in de dialectiek heeft het begrijpen van het juiste verband tussen Spinoza en zijn tijd voor velen bemoeilijkt, ja, vaak tot een soort raadsel gemaakt. Het is dan eigenlijk ook niet doenlijk, zonder enige nadere kennis van de klasseverhoudingen en de specifieke innerlijke tegenstrijdigheden van de regentenkaste te verklaren, hoe het komt, dat Spinoza' s systeem juist in de Nederlanden ontstond, en hoe de wijsgeer tegelijkertijd, eerst onder de dekmantel der nameloosheid, nog later in 't geheel niet meer naar buiten kon optreden, en waarom hij pas, toen in de XVIIIe eeuw de Europese Verlichting de kerkelijk-dogmatische omkluistering van het mensdom brak, voor het eerst “stem" kreeg en verstaan werd, al begon daarmee ook het debat over de juiste betekenis van zijn systeem.”[p. 44-45] Hierna gaat hij over tot het schetsen van Spinoza’s leer.

God ofwel de natuur […]

Als denker streefde hij Descartes snel voorbij, toen hij, uitgaande van de mening, dat voor onze intellectuele vermogens niets verborgen kan blijven, de werking en wetmatigheid onzer ideeën een getrouwe weerspiegeling achtte van dezelfde wetmatigheid en orde, die de wereld der dingen (l”de uitgebreidheid", zoals hij zei) beheerst.

Dit laatste punt wijst op een krachtig materialistische opvatting der werkelijkheid. Waar Descartes begonnen was met alle overgeleverde wijsheid te betwijfelen en die twijfel tot min of meer leidend beginsel van zijn onderzoek naar de waarheid maakte, begint Spinoza met onvoorwaardelijke aanvaarding der concrete wereld, die immers voor hem gegeven en bewezen werd door haar aanwezigheid en werking. Spinoza echter ging, steunend op de krachten van rede en intellect, verder. Hij aanvaardde die concrete wereld niet als de ene helft der werkelijkheid, waarvan de andere (onkenbare) helft God heette. Hij nam de realiteit als enige, in zichzelf volledige, door de rede te bevatten eenheid. Hij had door dit te doen in feite al de vraag beantwoord, welke in de natuurwetenschap en wijsbegeerte dier dagen zo behoedzaam werd o m z e i 1 d, - de vraag n.l. van het tegelijkertijd-zijn van .,God" en de “natuur", van “denken" en “zijn", van “geest" en “stof", - of, zoals Spinoza het aanduidde, van d e n k e n en u i t g e b r e i d h e i d, de twee grondelementen der bestaande wereldorde, waartoe de verstdenkende voorgangers van Spinoza gekomen waren. Spinoza begreep zulk een verscheurdheid en problematiek als strijdig met de menselijke rede en de menselijke waardigheid in haar geheel, aangezien zij ons in raadsels laat wandelen. Dóórdenkende kwam hij tot een koene en verlossende stap. Hij verwierp grenzen en tegenstellingen tussen God en de natuur, geest en stof, lichaam en ziel, en verhief de bestaande grondelementen van het zijn in een alles omvattende, nieuwe eenheid - het begrip der s u b s t a n t i e, die z.i. zowel met denkkracht begaafd was alsook het kenmerk der uitgebreidheid (stoffelijkheid) bezat.

Deze spinozistische substantie, niet klakkeloos te vereenzelvigen met ons begrip van materie, is echter uitermate materieel van aard. Zij kan niet op bepaalde wijze omschreven worden; elke omschrijving zou tevens een ontkenning inhouden (omnis determinatio negatio) -, een grondslag van Spinoza' s redeneerwijze, waaraan o.a. L e n i n de grootste betekenis gehecht heeft. Wie iets om-schrijft, trekt er daardoor grenzen, bepalingen of beperkingen omheen ten opzichte van al het andere, en elke beperking sluit een ontkenning in. Maar een alles omvattende substantie, zoals Spinoza zich die allengs is gaan denken, verdraagt zulke beperkingen niet. Zij is on-beperkt, en als zodanig on-begrensd, dus on-eindig. Maar heeft men die slotsom eenmaal getrokken, dan kan er geen macht van buitenaf op de substantie werken. Dientengevolge kan zij ook geen begin hebben. Zij is dus on-geschapen. Maar waar blijft dan de Godheid, die haar “eens en ergens" op gang gebracht heeft en die eventueel nog, als het zijn wil zou zijn, kan ingrijpen? Hij verdwijnt, evenals de onsterfelijke “ziel" in het lichaam, in de substantie. Slechts de substantie is onsterfelijk. Zij bestaat uit eigen aandrift of oorzaak (c a u s a  s u i). God en de natuur zijn in haar, volgens Spinoza, hetzelfde; hij spreekt dan ook van Deus sive natura (God ofwel de natuur). […]Spinoza had de stap volbracht, die de mens definitief uit het dualisme der middeleeuwen verloste.” [p.47-48]

Hij deelt iets mee over de geometrische methode, waardoor velen hem kil en emotieloos vonden, en gaat dan verder: “Maar kil en hartstochtloos is Spinoza niet geweest, kan hij niet geweest zijn. Iemand, die met verwerping van iedere wereldse carrière, met verwerping zelfs van de liefde van een vrouw en een gezin, zich uitsluitend en onaflatend toelegde op het ontdekken van de waarheid, bewijst reeds dat hij door diepe, machtige gevoelens gedreven wordt. Met grote vasthoudenheid, uit innerlijke overtuiging en zekerheid, koos hij de strenge meetkundige vorm van zijn betoog, opdat er geen twijfel omtrent zijn uitlatingen en de opbouw van zijn gedachten-systeem zou bestaan. Hij weerde beeldspraak en dichterlijke termen met opzet uit zijn woordenschat, ook in zijn taal de tucht der vrijwillige armoe betrachtende, die hem in het dagelijks leven eigen was. In tegenstelling tot de bovengenoemde critici zijn er dan ook duizenden - en niet de slechtsten - geweest, die in Spinoza's leven en werk wel degelijk de kracht van een grote hartstocht hebben gevoeld, de hartstocht om het menselijk geluk te dienen door het uitbannen van middeleeuwse spoken (een ware horigheid des geestes): angst voor oordeel en hel, dienovereenkomstige angst voor geestelijke autoriteiten, angst en onwetendheid in ’t algemeen.” [p. 48-49]