Vrij man - de bijna onmogelijke opgave 'vrij man' te zijn

Vrij man van Nelleke Noordervliet [uitg. Augustus, 2012] lijkt een soort avonturenroman die zich afspeelt in de 17e eeuw – een boek vol wederwaardigheden van de fictieve hoofdpersoon Menno Molenaar, die optreedt temidden van werkelijke historische figuren, als Jacob Revius, raadpensionaris Johan de Witt, Maarten Tromp en Michiel de Ruyter, en bovenal de vriendenkring van vrijdenkers rond Spinoza: Adriaen Koerbagh vooral, maar ook Spinoza zelf met wie hij tijdens zijn medicijnenstudie in Leiden  in aanraking komt.

Wat een avonturen. We krijgen uitvoerige beschrijvingen van zijn knechtenbaantje bij het anatomisch theater; hij wordt als informant (spion) geworven door een rijke Engelse oranjegezinde lakengroothandelaar, Dixon, die Menno aan zich bindt door zijn medicijnenstudie te betalen. Met diens vrouw gaat Menno een relatie aan. Wanneer hij klerk bij Johan de Witt geworden is, neemt hij ook nog zo’n zelfde informatiebaantje aan bij de historicus Lieuwe van Aitzema. We krijgen scènes op zee tijdens de Engelse oorlogen met De Witt aan boord bij Tromp die hij na zelfverrichte peilingen dwingt uit te varen, enzomeer. Na een confrontatie met Dixon die op diens dood uitloopt, vlucht Menno naar de nieuwe wereld, naar het maar kort bestaan hebbende Nieuw Amsterdam van Plockhoy en de zijnen. Menno neemt er de gedachten mee naartoe van de evengelijkheid van Plockhoy en van Franciscus van den Enden in diens Kort Verhael dat hij bij zich heeft. Daar bouwt hij een nieuw leven op, knoopt betrekkingen aan met indianen etc.
Meer dan zo’n oppervlakkige samenvatting is er eigenlijk over deze roman zo vol gebeurtenissen niet te geven.

Vertelopzet
Aparter en misschien interessanter aan deze roman is eigenlijk de manier waarop de schrijfster het verhaal vertelt, hoewel ik daar erg aan moest wennen. Ze speelt er zelf een rol in. Ze ontmoet, eerst in New York en later ook in Leiden en Den Haag, de hoofdpersoon Menno Molenaar. Telkens komt zij het verhaal binnen om Menno vragen te stellen. En via het vertellen van zijn verhaal komen we weer in de 17e eeuw terecht en lezen we a.h.w. een tijdje weer een traditionele historische roman. Tot de schrijfster er zich weer in mengt om door het bevragen van haar hoofdpersoon te proberen meer te weten te komen. Die interventies en communicatie heeft ze alleen met haar fictieve hoofdpersoon, nooit met de andere, reëel bestaand hebbende personen. Maar ook vele van die historische figuren komen rechtstreeks aan het woord als ik-persoon, wat het verhaal vele perspectieven geeft. Daardoor lijkt het net alsof zij hun verhaal rechtstreeks aan de schrijfster vertellen die het allemaal keurig voor de lezer heeft opgeschreven, zodat het lijkt alsof zij het zelf aan de lezer vertellen. Zo heeft de roman iets weg van een historisch journalistiek onderzoeksverslag.  

Aan die vertelopzet moest ik erg wennen en tot ongeveer tegen de helft van het boek voelde het alsof ik een mislukking aan het lezen was. Tot ik vanaf hoofdstuk 22 van het 2e deel, waarin Adriaen Koerbagh zijn relaas aan het vertellen is, mij eindelijk het boek ingesleurd voelde worden. De schrijfster had me gewonnen - ik kwam in haar verhaal en mij stoorde vanaf dat moment die vertelaanpak niet meer. Toen kon het me ook niet meer schelen dat de schrijfster met haar hoofdpersoon naar bed ging (in de persoon van een hoertje) om langs die weg meer informatie van Menno los te krijgen. Of dat ze hem later, toen hij in haar ogen te halsstarrig was, liet weten dat ze nog wel eens zou laten zien wie de baas was. En wanneer dan later wordt verteld dat ineens de weduwe van Dixon, Menno die intussen gelukkig getrouwd is, komt opzoeken (we hebben dan intussen al een schitterend verhaal uit de mond van Menno’s vrouw Margje over de echte liefde van totale overgave te lezen gekregen), dan weet de lezer dat de schrijfster hier haar macht over het verhaal uitoefent en dus haar hoofdpersoon laat zien dat ze hem het noodlot op z’n dak stuurt. [Zie verder onder ‘metateksten’]

Spinoza en zijn kring
Door heel het boek heen speelt Spinoza en zijn kring een belangrijke rol: Lodewijk Meijer, Adriaen Koerbagh vooral, ook Franciscus van den Enden. Dit is het uiteraard dat dit boek voor dit weblog interessant maakt.

Veel lezers zullen waarschijnlijk niet in de gaten hebben dat met Bento van Doorn Spinoza bedoeld is. Lange tijd wordt alleen over Bento gesproken. Menno komt in Leiden toevallig in aanraking met deze vriendenkring en raakt gefascineerd door hun vrije geest. Hij probeert daar in te komen, tracht net zo vrij man te worden, zich minder te laten bepalen door hoe de traditie je heeft opgevoed, wat hem nog niet meevalt (daarover dadelijk meer). Pas op blz. 176 valt voor het eerst de naam Spinoza, die daarna nog enige malen wordt genoemd, maar meestal gaat het over Bento.

Adriaen Koerbagh bedenkt in een monoloog: “Wat mijn vriend Bento is overkomen toen hij zich minder gelegen liet liggen aan de Joodse wetten van erfenis en schulddelging dan aan de Nederlandse, geloof je niet, of misschien juist wel, afhankelijk van je instelling.” (p. 68)
De schrijfster gaat blijkbaar mee met de hypothese over de aanleiding voor de cherem van Odette Vlessing.

In zo’n volgende vertelling in de ik-vorm vertelt Koerbagh dat Menno hem een keer heeft vergezeld naar Rijnsburg; “waar Bento lenzen slijpt in een klein kamertje en intussen ook zijn denken slijpt tot grote helderheid. Het was een gedenkwaardige bijeenkomst. Bento sprak vrijmoedig en de angst sloeg ons om het hart, zo blasfemisch waren zijn opinies.” (p. 94)

Tussen de diverse personages neemt Bento Spinoza een heel aparte rol in. Hij is in ieder geval beduidend anders dan de anderen die met hun drinken en hoerenbezoek veel libertijnser blijken te zijn.

Spinoza zegt tegen Menno, wanneer ze elkaar toevallig in Den Haag tegenkomen: “Mijn vele vrienden maken me het leven zeer aangenaam, maar houden me ook van m’n werk. Soms sta ik als een ezel te balken tussen twee schelven hooi.” (140; ha, ha, want wij weten hoe hij over de ezel van Buridanus denkt…)

Een aardige overweging komt bij Menno op wanneer hij met Johan de Witt in gesprek is over de Bloemhof (geschreven ‘door een vriend’) en de Witt hem adviseert het te verbranden. Hij overweegt dan: “…wees dapper, als Adriaen. Maar Bento zegt ‘Caute’. Wees voorzichtig. Denken staat vrij. Meer niet. Nee, nee, dat betekende ‘Caute’ helemaal niet. Het gebod van voorzichtigheid slaat op het denken zelf, niet op de maatschappij waarin men denkt. Wees prudent en zorgvuldig in denken en weeg af. Ontmasker vooroordelen. Denk tegen elk denken in. En presenteer je denken niet als dogma maar als stelling.” (220)
Deze interpretatie over ‘Caute’ leest deze blogger graag en hij stelt zich voor dat Nelleke Noordervliet misschien wel kennis heeft genomen van zijn blogs daarover:  Caute = prudentia.

Opvallend is dat we wel de wereld van het nieuwe denken en vrijdenken tegenkomen, maar niet of nauwelijks de wereld van de gelovigen, de protestanten in alle formaten. Pas op de boot naar de nieuwe wereld komen mennonieten en een gereformeerde bijna-dominee in beeld. In het gezin van de laatste wordt Menno opgenomen, daar de verliefde genegenheid van hun dochter voor hem is opgemerkt.

Vrij man
Hoe moeilijk het is om vrij man te worden en de stempels die opvoeding, religie en maatschappij op je hebben gedrukt achter je te laten – daarover gaat dit boek.

Nadenkend over hoe alles in het leven in elkaar grijpt als oorzaak en gevolg “(ja Bento!)” vraagt Menno zich af of het niet mogelijk was dat een keten van gebeurtenissen werd begeleid door het mogelijke tegendeel, de plus tegenover de min, het wit tegenover het zwart, en als hij nu eens als vrij man, los van God en de dwang van de denksystemen, naar de plus en het wit kon komen, en vanaf nu in een andere modus voortgaan? Dat vereiste een sprong, een ommekeer in zijn denken. Er is geen zekerheid, er is alleen de wil en de moed.” (354) Zo’n sprong in een andere modus lijkt inderdaad een onmogelijke daad.

Later, na weer een reeks moeizame lotgevallen, lezen we: “De fuik in zwemmen, het weten en niets anders kunnen doen dan dat. De kop met de kieuwen achter het net steken. Wanneer ben je vrij? Nooit. Vrijheid bestaat uitsluitend als verlangen.” (409)

Later probeert een goede kennis hem een eigen keuze te laten maken en zegt:  “Luister Menno Molenaar. Je bent niet alleen vrij man als je niemand iets verschuldigd bent, maar vooral als niemand afhankelijk is van jou.” (414) Het is een advies om zich uit allerlei verplichtingen los te maken en z’n eigen leven te gaan leiden.

Nog weer later, nadat Spinoza hem geschreven heeft en zijn TTP heeft meegezonden, leest hij ingespannen dit tractaat. De lezer krijgt een hele passage voorgezet uit het 20e hoofdstuk die uitloopt op 'Het doel van de republiek is dus eigenlijk de vrijheid.' (426) Maar later overdenkt Menno, somber over z'n situatie: “De opdracht vrij mens te zijn was onmogelijk.” (436)

Eerder al heeft het schrijfsterpersonage in een ontmoeting Menno verweten, op een wandeling waarbij ze in de etalage van Templum Salomonis Spinoza’s Ethica zagen liggen: “Jij hebt ideeën en theorieën. Je gaat om met denkers en schrijvers. Maar je leven staat los van je denken.” Menno zegt dan dat je in ieder geval kunt streven naar een innerlijke maatstaf voor je keuzes. (123)

Metateksten
Regelmatig stuiten we op teksten over het onderzoeks- en schrijfproces zelf, waarin de auteur reflecteert op het moeilijke greep krijgen op specifieke dingen die indertijd zo gewoon waren dat er niet over gesproken en geschreven werd. [b.v. Hoofdstuk 37 in deel 2). “Zoals we het verleden nu beschrijven was het niet, en zoals het was zullen we het niet kunnen beschrijven.” Dat probleem weet ze aardig te laten merken door haar fantasieontmoetingen in deze, onze, eeuw met haar 17e eeuwse hoofdpersoon. Het is de gimmick van het boek. Wie als lezer zich daarvoor niet kan openstellen (en gezien de al uitgekomen recensies zijn dat er nogal wat) zal het als een mislukt experiment beschouwen. Deed ik aanvankelijk ook.
De auteur laat zich regelmatig horen en laat goed merken dat het boek een constructie is. Bijvoorbeeld bij het beschrijven van het bruiloftsfeest van de hoofdpersoon en zijn bruid meent ze de neergang al te ontwaren. “Met de zon in het zenit is de ondergang gegeven. Ik loop op de feiten vooruit. Nee, het is anders: de afloop is mij onbekend ondanks mijn belofte hem mijn macht te doen voelen. Ik ben werkelijk in een leven en een tijd beland die openliggen. Ik weet net zo weinig van hun toekomst als zij daar. Ik kan het licht boven dit tafereel niet uitdoen. Er zijn een parallelle tijd en een parallelle werkelijkheid waarin dit alles bestaat, zo zeker als ik besta. Maar hoe zeker is dat?” (443) Zo worden we als lezer ertoe aangezet te beseffen dat behalve de fictieve hoofdpersoon, ook de hem ontmoetende en beschrijvende auteur een fictieve instantie is. Dat we dus maar weten dat de schrijvende ik-persoon niet automatisch samenvalt met Nelleke Noordervliet. Alles lijkt mystificatie.

Goed komt over hoe moeilijk het is volgens het nieuwe denken, zoals het in de 17e eeuw ontstond, te leven. Dit zowel door innerlijk weerstand biedende krachten – van opvoeding, oude gewoonten, verlangen en verkeerd begrepen eigenbelang – als door maatschappelijke krachten: verzet van de kant van godsdienst en staat. Hoe moeilijk het is vrij man te zijn, ook voor degene die het vrije denken aantrekkelijk vindt of meent ervoor open te staan.

                                                   * * *

In een volgend blog vergelijk ik Vrij man met enige andere "Spinozistische" boeken en kom ik met mijn eindindruk.

Cf. recensie van Elsbeth Etty in NRC 18 mei 2012  

Reacties

Bedankt voor deze mooie r ecensie. Enkele typfouten : gezien is gezin en kiezen is kieuwen, maakt het eea moeilijk begrijpelijk.
Pvdh

Bedankt, Paul van der Harst, voor de waardering én het signaleren van lastige typefouten. Ik ga het stuk direct nalezen en corrigeren.