Vrije-wil-gevoel is onontkoombaar - we kunnen niet zonder de beleving een vrije wil te hebben

Vaak ging het hier – vanwege het determinisme bij Spinoza - over het niet bestaan van de vrije wil, over de ontkenning van de mogelijkheid dat wij mensen vanuit een onveroorzaakte wil de aanleiding zouden zijn voor iets nieuws – de start zouden kunnen geven aan een nieuwe reeks gevolgen.

Daarnaast heb ik ook veel geblogd over de onontkoombaarheid van de gevoelsmatige beleving van het wel bestaan van de vrije wil. Ik schreef over "de noodzaak van de illusie van de vrije wil"; en ik schreef een blog "Doen ook spinozisten niet dagelijks alsof we een vrije wil hebben?" En: "Breinen besluiten niet. En al bestaat de vrije wil niet - wij nemen wel besluiten" en zo meer. Voor het praktische, dagelijkse leven heeft het geen zin om over de onvrijheid van de wil of het feitelijk gedetermineerd zijn der dingen te piekeren. Al beseffen we dat we geen vrije wil hebben, toch we moeten handelen en doen daarbij eenvoudig alsof we die vrije wil wel hebben. [Voor wie daar nog eens wat van na wil lezen hier enige van die blogs: hier en hier en hier en hier]

Daarbij ging ik er, meen ik, steeds van uit dat het om een eigen interpretatie ging van wat binnen de leer Spinoza toch als mogelijkheid moest worden gezien. Ik realiseerde me kennelijk nooit dat Spinoza zelf ons deze benadering al voorhoudt.

Wat dat aangaat was mij was voor mij de toespraak en beantwoording van een vraag gisteren door Miriam van Reijen een eye-opener, namelijk dat Spinoza zelf in die geest over dit onderwerp schreef – namelijk met de vergelijking met de zon die we ook altijd klein blijven zien ook al weten we dat hij groter is - dat we zo ook de vrije wil blijven ervaren, daar we niet anders kunnen.

Het voorbeeld namelijk waarmee Spinoza in IIEp35s toelicht hoe mensen zich kunnen vergissen met te denken vrij te zijn. Hun idee van vrijheid bestaat uit onbekendheid met de oorzaak van hun handelen. Deze argumentatie gebruikt Spinoza op vele plaatsen. Bijvoorbeeld in het Aanhangsel van deel I van de Ethica: "Hieruit volgt ten eerste dat de mensen vrij denken te zijn omdat ze zich van hun wilsbesluiten en aandriften bewust zijn en zelfs met hun droom niet kunnen bedenken wat de oorzaken van hun begeren en willen zijn."

Maar uit het voorbeeld dat hij hierop in dat scholium (IIEp35s) laat volgen, blijkt dat hij van mening is dat we er niet onderuit kunnen om zo te denken, ook al weten we met onze rede dat het anders zit. En dan komt hij met het voorbeeld van de zon.

“Zo stellen wij ons voor dat wanneer wij naar de zon kijken, zij ongeveer tweehonderd voet van ons verwijderd is. Deze fout bestaat niet uit de voorstelling op zich, maar uit het feit dat wij de werkelijke afstand en de ware oorzaak van deze voorstelling niet kennen, want ook al komen wij er later achter dat zij meer dan zeshonderd keer de middellijn van de aarde van ons verwijderd is, toch blijven wij ons voorstellen dat de zon dichterbij staat. Wij stellen ons immers niet uit onbekendheid met de werkelijke afstand voor dat de zon dichtbij is, maar omdat de aandoening van ons lichaam het wezen van de zon insluit, voorzover zij op het lichaam inwerkt.”

Wat kan deze vergelijking anders betekenen dan dat zoiets ook geldt voor onze ervaring een vrije wil te hebben (ook al bestaat de zon wel en de vrije wil niet). Ons handelen bestaat namelijk wel, daar zijn wij ons van bewust - dat werkt namelijk op ons lichaam in, zonder dat wij het netwerk van oorzaken dat erachter schuil gaat kennen. We ontkomen er daarom niet aan een gevoel van vrijheid te hebben, een beleving van het hebben van een vrije wil te ondergaan. Ook al weten we met onze rede intussen beter.

Miriam Van Reijen heeft me er dus op gewezen de tekst zo te lezen, dat Spinoza daarmee impliciet ook aangeeft dat de mening dat de wil vrij is, wel zichzelf bedriegen is, maar dat de verbeelding ervan blijft (die wij dan echter als verbeelding erkennen en niet als waarheid ) ook als wij erkennen dat ze niet vrij is.

In IVEp1s geeft Spinoza nog eens een nadere uitleg van zijn vergelijking met ons beeld van de zon en laat er zien dat het met al onze voorstellingen die onze geest verleiden, net zo gaat. De vergissende voorstellingen verdwijnen niet door de aanwezigheid van waarheid, maar door sterkere voorstellingen. Ook die vergissende voorstelling van de wilsvrijheid zal zich steeds weer – onontkoombaar - aan ons opdringen.

Reacties

En zo verdwijnen ook onze andere kinderlijke geloofsvoorstellingen niet zodra we enigermate de verlichting deelachtig worden. We b lijven dus geloven in a, b en c,; alle voorstellingen van onze religieuze vormingstijd blijven, weliswaar krachteloos, aanwezig in onze ziel. Anderzijds - ook dat is Spinoza's expliciete leer - groeit iedereen (niet alleen sommige bewonderaars van Spinoza's geleerde beschrijvingen) daar boven uit en blijft niemand daarin steken, ongeacht wat hij/zij ons tegen beter weten in tracht wijs te maken omtrent zijn / haar orthodoxie.