Was de naturalist en rationalist Spinoza tegelijk ook een mysticus? [1]

In de Spinoza Kring Limburg hebben we een lid dat regelmatig aandacht vraagt voor het zijns inziens mystieke karakter van Spinoza’s filosofie dat hem zeer intrigeert. Ook in onze bijeenkomst van deze week vroeg hij weer enige malen aandacht voor dit thema. Het wordt voor mij aanleiding enige blogs te wijden aan dit onderwerp, dat binnen het Spinozisme in verschillende tijden, ook in de onze, en op verschillende wijzen aan de orde was en is.

De plaatsen welke uitnodigen tot mystieke duiding vinden we in de TIE §13 en wel het zoeken van het ‘ware goed’: een natuur die sterker is dan de zijne maar die verworven kan worden, n.l. een natuur die “het bewustzijn is van de vereniging van de geest met de ganse natuur.” De tweede en belangrijkste plaats vinden we uiteraard in de tweede helft van Ethica 5 vanaf stelling 22.

Dat wat Spinoza aan het eind van de Ethica schrijft vaak mystiek geduid wordt, is ook af te lezen aan hen die daar moeite mee hebben: “Some statements in Part Five have acted as irritants to the purely rationalist assessments.” [Cf.]

Frederic Pollock pleitte in zijn Spinoza His Life and Philosophy (1880) Spinoza wat zijn leer van de eeuwigheid van de geest betreft (vanaf 5/22) a.h.w. vrij van mysticisme, hoewel “there is unquestionably something of an exalted and mystical temper in his expressions; and it seems possible enough that, but for his scientific training in the school of Descartes, he might have been a mystic indeed. If this be so, Descartes has one claim the more to the gratitude of mankind.” (p. 303).

Bekend is de tamelijk geïrriteerde kritiek op dit deel van de Ethica van Jonathan Bennett in A Study of Spinoza’s Ethics (1984): “we should say openly that Spinoza is talking nonsense and that there is no reason for us to put up with it." En in voetnoot hierbij: “I do not understand, and cannot connect with Spinoza’s texts.” (p. 373). Hieronder zal ik ingaan op het vervolg van die voetnoot. Enige bladzijden verder krijgen we nog eens te horen:

"Perhaps he [Spinoza] was after all terrified of extinction, and convinced himself - through a scatter of perverse arguments and hunger for the conclusion - that he had earned immortality. Or perhaps Pollock's suspicion of mysticism was right. […] Whatever mystical experiences Spinoza had, he ought to have written them off as experientia vaga" (J. Bennett, A Study of Spinoza's Ethics, Cambridge University Press, 1984, §85, p. 375).

Een fraai voorbeeld van hoe iemand van een ander een medestander kan maken door hem een beetje naar zichzelf toe te lezen, geeft Bennett door in de al aangehaalde voetnoot het volgende te schrijven:

“Parkinson in 'Being and Knowledge in Spinoza' also points out that Spinoza's language is unmystical, but allows that there may be a mystical impulse in the background." (p. 373). Maar dat is helemaal niet wat Parkinson schrijft. Weinig lezers zullen die tekst bij de hand hebben, maar Parkinson eindigt zijn beschouwing aldus:

“There may also be a temptation to regard the third kind of knowledge as some kind of mystic vision. The subject is complex and obscure, but one may perhaps venture the following observations. First, the paradoxical language by which mystics have tried to communicate their vision is quite foreign to Spinoza. Second, it seems fair to say that mystical insight is usually regarded as giving a kind of knowledge which is above mere reason; it may contradict the findings of reason, or it may merely supplement them, but it is superior as knowledge. It has been argued above, however, that there is no suggestion of this in Spinoza. The third kind of knowledge is more powerful than the second (VP36Sch), but both are equally true. Finally, mystical insight is usually regarded as obtainable by some kind of contemplative technique. Spinoza's account of how the third kind of knowledge may be obtained is very different. After saying at the beginning of IIP47Sch that the infinite essence and eternity of God (i.e. substance) are known to all, he goes on to say that we can deduce from this knowledge many things which we know adequately, and so form that third kind of knowledge which will be discussed in the fifth part of the Ethics. This is hardly the language of a mystic ; but it is, as suggested earlier, the language of someone whose thought is very much bound up with the science, the deductive science, of his time.”
[In: J.G. van der Bend (Ed.), Spinoza on knowing, being and freedom. Van Gorcum, Assen, 1974, p. 37)
In Parkinson is dus niets van een “mystical impulse” bij Spinoza te bekennen.

Toch kom je nogal wat stellige mededelingen tegen die van het tegendeel uitgaan, zoals b.v.:  “Al was Spinoza een mysticus en een diep religieuze geest, toch was hij een typische denker van die wetenschappelijke eeuw.” [Cf.] Zo wordt Spinoza omschreven als: “één van de meest consequent rationele filosofen die we kennen. Hij was zelfs zo rationeel dat zijn werk soms mystieke trekken kreeg, een ongewoon fenomeen in filosofie en wetenschap. […] Tot op de dag van vandaag heeft hij echter zijn aanhangers, de zogenaamde spinozisten. Allemaal even gefascineerd door zijn levenskunst, die rigoureuze rationaliteit koppelt aan individualisme en een mystiek besef van de eenheid van alles.” [op Mens en samenleving]

In een volgend blog haal ik een interpretatie naar voren van iemand uit de jaren ’30 die Spinoza zijn filosofie zag opbouwen vanuit een ervaring die hij als mysticus zou hebben gehad: een unio mystica.