Was Descartes metafysisch eigenlijk wel een dualist?

Zoals we van hem gewend zijn, werd de inleiding van Piet Steenbakkers gisteren over het eerste deel van de PPC een informatieve bijeenkomst. Hij behandelde achtereen volgens de naam en aard van het werk, de status en de structuur van deel I.

Ik geef geen samenvatting, maar breng er enige punten uit naar voren die mij opvielen en die ik leerzaam vond, doordat ze nieuw voor mij waren. Zo bijvoorbeeld dat de substantieleer door Descartes meer dan in de Discours de la méthode (1637) en de Meditationes (1641) was uitgewerkt in de Principia Philosophiae (1644). Het was vooral dát onderdeel dat invloed had op Spinoza, Locke, Leibniz en anderen.

Dualist of pluralist?
Descartes werd vooral bekend als dualist en wordt nogsteeds zo beschouwd, doordat hij, naast de ene ongeschapen substantie God, twee soorten geschapen substanties onderscheidde: zielen en materie. Let op: ‘soorten’ onderstreept en ‘zielen’ in meervoud. Nieuw voor mij was dat voor Descartes de ziel van elk mens een aparte substantie was. Ik heb er nog eens uitdrukkelijk naar gevraagd of Descartes, net als bij lichamen die de modi van de uitgebreide substantie waren, de zielen niet ook als modi van de substantie denken zag (de term modi in deze betekenis was ook van Descartes afkomstig), maar de inleider was heel stellig en benadrukte nog eens uitdrukkelijk: alle zielen waren voor Descartes substanties!

Mijn inschatting is dat Descartes vooral als dualist wordt beschouwd in antropologie, de filosofische menskunde (in de mind-body-studies). Maar metafysisch gezien was hij dan eerder, zoals Leibniz, een pluralist. Ik was dit gegeven nog niet eerder tegengekomen en toen ik achteraf vandaag hiernaar ging googlen zie je bijna alleen dít lichaam-geest-dualisme behandeld worden en niet dat het universum van Descartes uit een ontelbaar (oneindig) aantal substanties (n.l. zielen) bestaat, waardoor hij dichter bij Leibniz in de buurt komt.

Dat maakt in mijn ogen het monisme van Spinoza nóg vernieuwender dan ik het altijd al zag. Niet alleen trok hij de consequentie dat Descartes - zij het enigszins in het voorbijgaan – substantie als “dat wat op zichzelf bestaat” definieerde, zodat hij in Spinoza’s ogen met “geschapen substantie” een contradictio in terminis neergezet had. Voor Spinoza had Descartes dus eigenlijk al toegegeven dat alleen God de enige echte substantie kon zijn.

Maar behalve dat Spinoza cogitatio en extensio tot attributen van de enige substantie maakte (naast nog eventuele onbekende attributen, want God die de enige substantie was, bezat ze alle), maakte hij ook van alle Cartesiaanse zielen, modi van het attribuut cogitatio.

Maar goed, Descartes gaat het vooral om de gescheiden substanties lichaam en ziel bij de mens.

In dit verband, inzake de principiële gescheidenheid van lichaam en geest bij Descartes, stelde ik de vraag (want ik bezit de PP niet) of de formulering van stelling 8 van deel I, misschien een vernuftige formulering van Spinoza was. Daar staat

“Geest en lichaam zijn werkelijk van elkaar verschillend.”

Met deze formulering kon Spinoza het namelijk eens zijn. Maar volgens Steenbakkers was dit geen slimmigheidje van Spinoza en had hij praktisch letterlijk de tekst van Descartes overgenomen. En ja, in het bewijs van die stelling ligt alle accent op het gescheiden zijn, het zonder en onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan. En daar was Spinoza het zoals bekend bepaald niet eens. “Onderscheiden” en “verschillend zijn” hebben daar de sterke betekenis van “gescheiden zijn”.

Dwaling door privatio
Een klein leerpuntje voor mij (want zo had ik het nog niet eerder beschouwd was een conclusie die ik trok uit de manier waarop de inleider het vraagstuk van de dwaling behandelde. De vraag was namelijk, als alles afhangt van een goed, niet bedriegende God, hoe kan er dan dwaling of vergissing zijn, zonder dat a.h.w. God daarvoor verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden. Dat is dus hetzelfde probleem als dat van het kwaad (of in christelijke zin: de zonde). De oplossing van Descartes is (net als bij Augustinus ter verklaring van de zonde): de vrije wil. Die wil maakt dat we onverstandig kunnen kiezen. Dwaling (en kwaad) is niet iets positiefs maar iets negatiefs: het ontbreken van iets (privatio, ‘beroving). Bij Descartes gaat het dan om het ontbreken van een juist oordeel (door interventie vanuit de vrije wil); bij Spinoza gaat het om ontbreken van kennis (cognitionis privatio, Ethica 2/35s)

Interessant vond ik nog van het onderdeel ‘godsbewijzen’; dat Spinoza er één niet meeneemt naar de Ethica, en één waarover hij in de PPC wel 8 bladzijden nodig heeft voor uitleg, daarvan in de Ethica één korte alinea maakt. Kort over deze drie godsbewijzen:

a) het zgn. ‘ontologisch godsbewijs’ (een naam die het pas van Kant kreeg) in stelling PPC 1/5 neemt Spinoza over in E 1/11d en 1/11aliter (waar het ‘a priori’ wordt genoemd)

b) het zgn. ‘causaal godsbewijs’ vanuit ‘het idee’in PPC 1/6 en bewijs (a posteriori genoemd) komt in de Ethica niet meer voor.

c) het bewijs vanuit het bestaan van onvolmaakte wezens van PPC 1/7 met alle toevoegingen, wordt in de Ethica 1/11aliter2 (a posteriori genoemd).

O, oh, dat 'objectief'
Van de verder behandelde punten (zoals nog eens synthese/analyse en a priori/a posteriori; en de betekenis in de 17
e eeuw van ‘objectief’ tegenover ‘formeel’ bleek in het nagesprek in de groep waarin ik de gespreksleider was vooral dat laatste een onderwerp dat als moeilijk te doorgronden werd beschouwd. We kwamen er echter goed uit.

Reacties

Ik ben geen Descartes-kenner, maar ik heb altijd begrepen dat bij Descartes individuele lichamen en individuele zielen substanties zijn en dat zij beide geschapen substanties zijn. Ik had er geen weet van dat 'materie' bij Descartes een substantie is en dat bij hem lichamen modi van die substantie zouden zijn.

Toch maar even nagekeken en het is zoals ik het altijd heb begrepen: bij Descartes zijn individuele lichamen en individuele zielen/geesten substanties (Principes deel 1, stelling 52). Hun hoofdattributen zijn respectievelijk 'uitgebreidheid' en 'denken' (st. 53), zodat hij kan spreken van een 'lichamelijke substantie' en een 'denkende substantie' (st. 54).Lichamen zijn dus geen modi van een uitgebreide substantie, net zomin als zielen modi zijn van een denkende substantie. Er is qua substantie geen verschil tussen denken en uitgebreidheid.

'qua substantiebegrip'

Kortom, Henk, zoals jij Descartes leest (daar is discussie over, maar inhoudelijk ga ik daar niet op in), strekt het dus verder en is metafysisch Descartes nog meer een pluralist wiens universum uit ontelbare substanties bestaat en geen echte dualist. Zijn dualisme gaat er dus niet over dat er twee geschapen substanties bestaan,
maar twee SOORTEN geschapen substanties het universum bevolken.
Mij gaat het erom dat de tegenstelling - zoals je die vaak tegenkomst - Descartes substantiedualist, Spinoza substantiemonist (maar wel attributendualist) dan niet opgaat. Als dit de uitleg zou zijn dan moet de tegenstelling zó gezien worden: Descartes is substantiepluralist (en attributendualist) en Spinoza is substantiemonist (en attributendualist).

What's in a name. Het is denk ik zoals je schrijft, maar wat doen die benamingen er toe? Belangrijker is hoe het inhoudelijk in elkaar zit. Daarvan zeg je dat er discussie over is. Ik kan het me eigenlijk niet voorstellen, althans niet over de vraag of er een verschillend substantiebegrip geldt voor geesten/zielen en lichamen en ook niet over de vraag of er bij Descartes sprake is van twee substanties of oneindig veel (geschapen) substanties. Spinoza zegt in st. 52: 'Dat hij [de naam 'substantie'] op een univoke manier toekomt aan een geest en een lichaam' ('Quod menti et corpori univoce conveniat').

Henk, je lijkt me naar een heel ander onderwerp over te gaan (of er al dan niet van verschillende substantiebegrippen sprake zou zijn). Ik kan echter je citaat niet vinden in st. 52? Waar? Ik wilde dat even nazien, maar "univoce" kon ik nergens vinden.

Is dit een heel ander onderwerp als jij schrijft (ik kan helaas niet accentueren):
"Descartes werd vooral bekend als dualist en wordt nog steeds zo beschouwd, doordat hij, naast de ene ongeschapen substantie God, twee soorten geschapen substanties onderscheidde: zielen en materie. Let op: ‘soorten’ onderstreept en ‘zielen’ in meervoud. Nieuw voor mij was dat voor Descartes de ziel van elk mens een aparte substantie was. Ik heb er nog eens uitdrukkelijk naar gevraagd of Descartes, net als bij lichamen die de modi van de uitgebreide substantie waren, de zielen niet ook als modi van de substantie denken zag."
Gaat het hier niet om verschillende substantiebegrippen (althans bij jou, van zielen en lichamen)? En zou daar echt discussie over zijn, zoals je zegt?

De Latijnse tekst van stelling 52 van deel I van de Principia luidt:
'Quod menti et corporiunivoce conveniat, et quomodo ipsa cognoscatur.'
(uit de tweetalige uitgave van Librairie Philosophique J. Vrin, 2009)

Henk, ik zocht uiteraard in de Ethica. Jij schreef: "Spinoza zegt in st. 52." En nu kom je met de PP van Descartes.
Je hebt het punt waar het mij in het blog om ging niet te pakken.
Ik heb het geen moment over de vraag gehad of het substantiebegrip als zodanig verschillend zou zijn en bij extensio iets anders zou betekenen dan bij cogitatio. "Substantie is iets dat zo bestaat dat het geen andere dingen nodig heeft om te bestaan" (Desc PP LII).

Het punt waarom het mij ging dat er bij Descartes in het metafysisch universum kennelijk niet van twee substanties (op grond waarvan hij een dualist genoemd kan worden), maar ontelbaar vele lichamelijke substanties (volgens jou dan) en zo'n twaalf miljard zielen (als we de mensen die nu leven en die geleefd hebben bij elkaar optellen, want alleen mensen hebben zielen bij Descartes). Hij is dan dus een pluralist (net als Leibniz). Dat was het onderwerp van het blog.

Waar naar ik meen discussie over is, is of Descartes eigenlijk niet één uitgebreide substantie aanneemt, waarvan individuele dingen resp. lichamen deel uitmaken (maar laten we dat hier verder niet aan de orde stellen, misschien vergis ik me; laten we hier niet te ver in de Descartesstudie duiken...)

Stan, ik kom niet NU met de PP van Descartes. Daar kwam ik in mijn eerdere reactie mee, in de laatste vergiste ik me. Uiteraard keek ik het na bij Descartes.
Jij had het toch wel degelijk over afzonderlijke zielen die substanties zijn en afzonderlijke lichamen die modi van een substantie zijn. Het substantiebegrip als zodanig (de definitie) is dan wel niet verschillend voor zielen en lichamen, de toepassing op zielen en lichamen is dat in jouw verhaal wel degelijk. En het was toch wel duidelijk dat ik dat bedoelde.
Maar toegegeven, het was niet het hoofdonderwerp van je blog.

M.b.t. het hoofdonderwerp van het blog. Wat wordt bedoeld als men, zoals gebruikelijk, zegt (stelling): Descartes is een dualist en Spinoza is een monist? Het onderscheid heeft kennelijk betrekking op wat men 'substantie' noemt en niet op wat men 'God' noemt. Ook bij Descartes is God één substantie (geest). Het heeft kennelijk ook geen betrekking op het AANTAL substanties dat men onderscheidt, zoals jij ook al aangeeft. Dan moet het wel betrekking op het aantal SOORTEN substanties dat beiden onderscheiden. Descartes onderscheidt lichamelijke substanties en geestelijke substanties, die hij beide in het tijdelijke situeert. Spinoza onderscheidt één 'soort' substantie (en daarvan is er dan ook nog maar eens één), die hij in het eeuwige situeert, en waarin uitgebreidheid ('het lichamelijke') en denken ('het geestelijke') samengaan. Kort door de bocht samengevat betekent de stelling (en anders moeten we haar ook niet opvatten): bij Descartes representeren het lichamelijke en het geestelijke twee substanties, bij Spinoza representeren het lichamelijke en het geestelijke één substantie (in de Angelsaksische literatuur is het populair om te zeggen dat ze een en hetzelfde zijn).

Men kan zich overigens afvragen in hoeverre het verschil tussen de onafhankelijke attributen van Spinoza en de verschillende substanties van Descartes meer is dan een verschil in benaming. Dat verschil zou wel eens kleiner kunnen zijn dan doorgaans wordt gesuggereerd.

Henk, ik heb hier verder niets meer over te zeggen. En met je laatste passage kan ik het wel eens zijn, denk ik.