Wat was eerst: Spinoza's necessitarianisme of z'n metafysica?

Hoewel sommige vragen inzake de interpretatie van Spinoza’s filosofie onbeantwoordbaar zijn, daar we niet rechtstreeks in z’n geest kunnen kijken, kan elke serieuze poging daartoe om hem uit zijn stellingen en bewijzen e.d. te reconstrueren zeer interessant zijn om successievelijk meer van zijn leer te begrijpen.

Ook al denk ik dat de in de titel van dit blog gestelde vraag (als de bekende kip-ei-kwestie) uiteindelijk niet te beslissen zal zijn, een poging wagen om de vraag te beantwoorden, kan interessante resultaten opleveren.

Sebastian Bender, postdoc aan de Humboldt Universiteit in Berlijn [cf.], plaatste recent een interessant artikel op academia.edu: “Spinoza’s Necessitarian Metaphysics.” [Cf.] Daarin tracht hij aan te tonen dat de aanname van Don Garrett dat Spinoza’s necessitarianisme* zijn uitgangspunt was van waaruit hij tot zijn substantie-monisme kwam, niet juist is en dat het omgekeerd moet worden gezien, n.l. dat zijn necessitarianisme voortkwam uit zijn substantie-monisme en wel m.n. vanwege hoe Spinoza de attributen zag.

Voor mij eindigt het gevecht onbeslist en kunnen beiden gelijk hebben. Maar boeiend is wel om de worstelpartij die Sebastian Bender aangaat, te bekijken. Een leerzame exercitie. Aanbevolen.
(Ik neig in de richting die Don Garrett aanneemt en dat Spinoza's necessitarianisme-intuïtie vooraf ging; maar het feit dat Bender die positie uit Spinoza's metafysica ziet volgen is een indicatie ervoor hoe goed het Spinoza gelukt is om zijn filosofie in geometrische vorm neer te leggen).

Een van de interessante resultaten die het oplevert is dat je in kort bestek meteen een overzichtje meekrijgt van de diverse posities die grote deelnemende partijen in de secundaire literatuur hebben ingenomen.

          

*) Ik houd het maar bij necessitarianisme, want we hebben er niet één goed Nederlands woord voor. [Afbeelding van hier geleend]

Reacties

Attributen spelen een belangrijke rol in Benders verhaal. Volgens hem speelt Spinoza's concept van attributen een fundamentele rol in de verklaring van zijn 'necessitarianisme'. Ik denk dat op stelling en argumentatie veel is af te dingen, maar dat laat ik rusten. Attributen zijn belangrijk in het verhaal en dus vinden we weer het gebruikelijke gehannes rond de attribuutdefinitie. Het gaat direct al fout met de lezing van de definitie:
'If we abstract from the epistemic formulation, Spinoza says in the definition that an attribute constitutes the essence of a substance.'
Alsof die epistemische formulering er niet toe doet! Dat doet Spinoza zo maar. Nu moet de auteur uitleggen wat het betekent dat een attribuut het wezen van de substantie constitueert. Dan komt hij o.a. tot de volgende uitspraken:

'the conception of God as a necessary being whose essence consists of all attributes.'

'It cannot mean that one attribute in itself enables us to grasp the entire essence of a substance, because to know this we would have to know all the attributes this substance has and not just one.'

Nogal onbevredigend als lezingen van of gevolgtrekkingen uit de definitie. Het wordt weer eens duidelijk: tot nu bestaat er geen goede interpretatie van de uitspraak dat een attribuut het wezen van de substantie constitueert. En zo moet je de definitie dan ook niet lezen.

Bij lezing van "epistemic formulation" moest ik meteen aan jou en je attributenartikel denken. En zie, daar reageer je zelf.
Het viel me ook al op dat hij bij "a plurality of attributes as such conflicts with the simplicity of substances" niet naar Gueroult verwees maar naar Hegel en Melamed. Ik denk dat het boek van Gueroult pro forma (or to impress) in de bibliografie stond.

En toch blijf ik zo'n artikel boeiend vinden om te lezen.