Zes vroegmoderne politieke auteurs, waaronder Spinoza, belicht

Onlangs verscheen een interessant boek over ontstaan en ontwikkeling van de politieke theorie in het vroegmoderne Nederland met daarin uitdrukkelijk en uitgebreid aandacht voor Spinoza. Graag attendeer ik in dit blog op:

Erik de Bom (red.), Een nieuwe wereld. Denkers uit de Nederlanden over politiek en maatschappij (1500 – 1700). Kalmthout/Zoetermeer:  Polis/Klement, 2015

 

Het boek bevat duidelijk geschreven en goed geredigeerde hoofdstukken over Desiderius Erasmus (door Nicolette Mout), Juan Luis Vives (door Jan Papy), Justus Lipsius (door Erik De Bom), Leonardus Lessius (door Toon Van Houdt), Hugo Grotius (door Hans W. Blom) en Benedictus de Spinoza (door Piet Steenbakkers). Op het hoofdstuk over Spinoza ga ik zo dadelijk verder in.

Deze denkers en geleerden lieten zich inspireren door de geschriften van vroegere denkers, uit de Antieke oudheid met name, en ze legden met hun traktaten en -soms- pamfletten de fundamenten van een 'politieke wetenschap' waarmee ze een blijvende stempel op onze cultuur drukten. Uitgangspunt is dat het denken van deze pioniers kan helpen het hedendaagse politieke denken beter te begrijpen. De basis ligt immers dáár.

Het geheel krijgt een gedegen en knappe inleiding van Erik de Bom. Daaruit is duidelijk dat hij een grondig kenner is van de ideeëngeschiedenis en de denkwereld van de renaissance en met name van het politieke denken van de 16e en 17e eeuw. De inleider schetst een duidelijk ontstaan en ontwikkeling van een almaar bredere politieke theorievorming vanuit de vroege zgn. ‘vorstenspiegels’. Bij die vorstenspiegels ging het vooral om de opvoeding van de toekomstige vorst tot een bekwame en goede heerser – de geleerde auteur wil de jonge prins opleiden tot een voorbeeldfiguur. Kardinale deugden staan daarbij centraal, vooral rechtvaardigheid, maar ook moed, matigheid en doortastendheid. In die eerste vorstenopvoedingsboeken was het in sterke mate de ethiek van waaruit het goede politieke handelen werd gestuurd, waarbij de door Petrarca geformuleerde humanistische stelregel gold: “Niets kan nuttig zijn wat niet tegelijk ook rechtvaardig en eervol is.” Als typische vorstelijke deugden werden gezien: vrijgevigheid, verhevenheid (maiestas), clementie en betrouwbaarheid. Maar meer en meer kwam, zeker onder invloed van Machiavelli, het gebruik van geweld in de aandacht. De koppeling van het nuttige met het eervolle werd minder vanzelfsprekend, want soms kan een heerser beter gevreesd dan bemind worden.

Bij Machiavelli had politiek niet alleen met deugdzaamheid (virtù) maar vooral met macht (vi) te maken. Een goede heerser die dat wilde blijven, moest niet terugdeinzen voor geweld, als dat nodig was. Overigens hoefde dat niet altijd zo openlijk: heimelijke machinaties achter de schermen konden ook verstandig zijn. Er was niets tegen het ophouden van schone schijn als dat zo uitkwam.

Er werd veel kritiek geuit op Machiavelli, maar latere politieke denkers en adviseurs probeerden praktische, nuttige ‘wijsheden’ waar de scherpste kantjes afgehaald waren, over te nemen. Zo probeerde later Lipsius een prudentia mixta aan te bevelen: het mengen van het nuttige met het eervolle, waarbij hij voorbeelden uit de geschiedenis haalde, “de empirische dienstmaagd van de politiek”. Daarvoor was bij hem Tacitus de historicus van dienst aan wie hij vele voorbeelden ontleende. Zo zette hij deze Romeinse geschiedschrijver op de kaart.

In Nederland was een duidelijke behoefte en nieuwe insteek: de legitimering van de Opstand tegen de Habsburgse vorsten. Kwesties als burgerlijke ongehoorzaamheid en opstand tegen tirannie, het soevereiniteitsconcept, de beste bestuursvorm en vooral: de verhouding tussen kerk en staat. De Bom schetst uitvoerig hoe men na de uitroeping in 1581 van de onafhankelijkheid (Acte van Verlatinghe) en de daarna ontstane Verenigde Provinciën belang had bij studies over de Italiaanse republieken: Rome, Florence en het meer aristocratisch opgezette Venetië. Dit ging de aanvankelijke voorkeur voor een monarch steeds meer vervangen.

Interessant is zijn schets van de invloed van de dominicaanse theologen van Salamanca die teruggrepen op de Summa Theologiae van Thomas van Aquino en m.n. het laatste deel over de kardinale deugden (in de Secunda Secundae) en hoe zich daaruit, vooral ook via de jezuïeten een invloedrijke natuurrechtsleer voor fundering van politiek en recht, ook door Hugo Grotius verder ontwikkeld.

Over Spinoza
Meestal is het zo dat een redacteur die auteurs bijeenbracht, voor de inleiding put uit de diverse hoofdstukken die het boek biedt, Dat is hier niet het geval. De Bom brengt heel eigen informatie over Spinoza die hij als een republikeins denker schetst; iets dat in het hoofdstuk van Piet Steenbakkers helemaal niet voorkomt. Ook geeft De Bom aan het slot van zijn inleiding relevante informatie over de De la Courts, die eveneens bij Steenbakkers niet figureren. Fransciscus van den Enden als politiek denker wordt noch in de inleiding, noch in het hoofdstuk over Spinoza aan de orde gesteld (wel wordt uiteraard verteld dat Spinoza bij hem Latijn leerde). Ook in de bibliografie wordt zijn werk niet vermeld; ook niets van Wim Klever trouwens, wat wel als een statement kan worden gezien.

Ik ga hier niet alle politieke denkers behandelen en ga meteen over naar het laatste hoofdstuk: dat over Spinoza. Dan is wel meteen duidelijk welk hemelsbreed verschil er bestaat tussen hem en alle anderen: hij is de enige van wie een complete filosofie geschetst kan worden waarvan zijn politieke denken een integraal en coherent onderdeel uitmaakt. Dat is iets wat in de heldere schets van Steenbakkers goed overkomt.

Intermezzo
Je beseft als lezer (deze lezer besefte het in sterke mate) hoe jammer het is dat Steenbakkers nooit aan het schrijven van een Nederlandstalig boek over Spinoza is toegekomen. En als je zijn vertalingen van eigen teksten van Spinoza leest, realiseer je je met droefheid dat hij nog altijd niet is toegekomen aan het brengen van zijn beloofde Ethica-vertaling naar de uitgever. Aan dit hoofdstuk krijg je wel een duidelijke indruk van hoe waardevol zo’n Spinozaboek zou kunnen zijn en ervaar je hoe ‘veelbelovend’ het hier gebodene is voor die vertaling van de Ethica van zijn hand als die ooit komt.

Het accent ligt hier op het politieke denken zoals Spinoza het in de Tractatus Politicus (TP) brengt, maar we krijgen deze uiteraard geschetst vanuit de Tractatus theologico-politicus (TTP) en van de aanzetten die hij in de Ethica geeft. En vooral krijgen we dit alles ingebed in de hoofdlijnen van zijn wijsgerige stelsel als geheel. Dit alles wordt vooraf gegaan door een heldere schets van Spinoza’s leven.

Ik kwam maar één (verder niet heel belangrijk, maar vooral knullig) foutje tegen. We lezen dat de TTP zou bestaan uit zestien hoofdstukken over godsdienst en Bijbel en vier over politiek, terwijl het toch echt vijftien resp. vijf is. Hij zal toch het zeventiende hoofdstuk waarin Spinoza de Hebreeuwse staat schetst en waarbij het helemaal om het politieke gaat en de vergelijking met zijn eigen tijd, niet bij het theologische deel geteld hebben?

Een ding vind ik jammer: dat noch in dit hoofdstuk, noch in de inleiding het levensgrote en diepgaande verschil wordt geschetst van Spinoza’s natuurrechtdenken vergeleken met het dominante vanuit Aquinus ontwikkelde natuurrechtdenken in de vroegmoderne tijd. Dat verschil, zo belangrijk vanwege de vele verwerpingen van Spinoza recht = macht (dat op zich wel behandeld wordt) had scherper behandeld kunnen worden.

Belang van opvoeding
Iets wat er in positieve zin uitstak en mij sterk opviel was het meermalen benadrukken dat door Spinoza opvoeding zo belangrijk werd gevonden. Ook daarmee behoort Spinoza duidelijk tussen de andere politieke denkers. We lezen: “Door de wisselwerking tussen wetten, instellingen en opvoeding kan een samenleving ontstaan waarin burgers ook zonder dwang de wet gehoorzamen en elkaars rechten respecteren.” (blz. 242, cf. ook 241 en 243). Dit brengt mij op het voornemen om eens na te gaan of er ooit wat over Spinoza en opvoeding is geschreven en daarover dan een blog te maken. Ooit.

Mijn leerpunten waren, naast het vorige (belang van opvoeding), te zien dat Spinoza niet zozeer de eerste was die democratie bepleitte (de gebroeders De la Cours gingen hem voor), maar wel dat hij op dat punt de meest systematische bepleiter was. Datzelfde geldt voor zijn pleidooi voor vrijheid, ook daar gingen de meeste andere politieke denkers hem voor, maar hij bepleitte die het meest systematisch gefundeerd.

Over Erik de Bom
Erik De Bom (1983), intellectueel historicus en politiek theoreticus, is verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven, waar hij zich in hoofdzaak toelegt op het politieke denken van de zestiende en zeventiende eeuw, en ook op de normatieve grondslagen van het hedendaagse Europese project.

Van hem verscheen eerder:

Erik De Bom, Geleerden en politiek. De politieke ideeën van Justus Lipsius in de vroegmoderne Nederlanden. Hilversum: Verloren, 2011,

Erik De Bom (red.), Europese gedachten. Beschouwingen over de toekomst van de Europese Unie, Kalmthout: Pelckmans-Klement, 2014, 248 p. [PDF Inhoud en inleiding]

_______________________ 

P.S. terzijde een coïncidentie

In de Volkskrant vandaag een opiniestuk van Anouk Zuurmond over literatuureducatie aan de hand van het essay van Hannah Arendt uit 1958, "De crisis van de opvoeding."