Zijn we op zoek naar Spinoza’s actualiteit in zijn of in onze tijd?

We debatteren op dit blog over allerlei kwesties die op Spinoza betrekking hebben. En sommige van die kwesties blijven met enige regelmaat (en veel hardnekkigheid) terugkomen. Ja, over interpretaties kun je nu eenmaal blijven debatteren zolang er verschillende zienswijzen en meningen bestaan over zaken die niet eenvoudig door iedereen als ‘feiten’ te (h)erkennen zijn. Voor sommige ‘feiten’ is nu eenmaal een heel kader nodig en veel kennis – bij elkaar een zeker geloofssysteem. Dat geldt voor de Bijbel en dat geldt ook voor de Tractatus theologico-politicus (TTP).

Een zo’n onderwerp is de kwestie of de 7 artikelen van het algemene geloof waar Spinoza in het 14e hoofdstuk van de TTP op uitkomt nu getypeerd moeten (‘mogen’) worden als een minimaal en een maximaal credo. Inhoudelijk ga ik hier niet op die vraag in want dan zou ik een hele analyse van de opzet van de TTP en het doel dat Spinoza ermee had moeten schetsen.*) In dit blog wil ik alleen toelichten, waarom ik het in een reactie op Wim Klever “een minimale kwestie” noemde, waarover hij zich dan weer verbaasde [cf.]. Dat deed ik vanuit de vraag wat voor onze tijd precies die kwestie (nog) betekent.

Nagaan hoe actueel Spinoza in de 17e eeuw was, is een kwestie voor specialisten van de vroeg-moderne periode. Wie zich daarin wil mengen moet flink wat kennis over die tijd meenemen, maar is dan wel bezig met ouwe koek (met historie, om het netter te zeggen). Ik zeg zeker niet dat dat onbelangrijk is – het vormt het uitgangspunt voor wat de feiten zijn, opdat we geen eigen fantasie-Spinoza samenstellen – maar niet al die studies en debatten zijn van belang voor onze tijd. En dat geldt ook voor deze kwestie.

Maar wie wil nagaan wat Spinoza’s bijdrage, zijn zienswijze op de dingen, welke van nut en belang is voor onze tijd, haalt andere aspecten uit Spinoza naar voren, dan degene die de actualiteit en moderniteit van Spinoza voor zijn eigen tijd wil schetsen.

Zo wordt voor nu m.i. belangrijker dat Spinoza de vrije eigen interpretatie van hetgeen men geacht werd met z’n allen te geloven, belangrijker dan de precieze inhoud van die geloofsartikelen en de vraag of die een maximum of een minimum betreffen. Dan wordt belangrijker wat Spinoza heeft gezegd over plaats en werking van de verbeelding in onze kennis en zijn imaginatio-kritiek, dan dat hij voor zijn tijd de grootste gemene deler van het algemeen verbeelde geloof heeft willen voorstellen. Dat laatste, zijn poging als filosoof bij te dragen tot de gosdienstpacificatie is iets dat hoort bij de actualiteit en het belang van Spinoza in de 17e eeuw – een gering belang dus, want hij had er weinig succes mee kun je eufemistisch zeggen. Des te groter kan zijn verbeeldings- en ideologiekritiek van belang en actueel zijn in onze tijd.

Ooit heb ik in een blog (van 6 dec. 2010) een bijdrage pogen te geven die ik als ‘pacificatie’ bedoelde in de kwestie ‘minimaal versus maximaal credo’. Ik liet zien vanuit welk verschillend kader, vanuit welke diverse achtergronds-veronderstellingen beide zienswijzen hun gelijk hebben. Het verschil zit ‘m erin of men de kwestie vanuit het individu of vanuit het collectief (de samenlevingsvormen en uiteindelijk de staat) beziet. Ik voeg daar nu aan toe, dat het om het verschil gaat of je Spinoza actualiteit in de 17e eeuw of in de 21e eeuw zoekt. In de 17e eeuw ging het hoofdzakelijk om de collectieve kant en heeft Klever gelijk dat het Spinoza om een ‘maximaal credo’ ging. Maar in de loop van de tijd is die individuele kant van de kwestie almaar belangrijker geworden. En ook die individuele kant (vrijheid om te denken en zeggen wat je wilt; waarbij het hem uiteraard om de ‘libertas philosphandi’ ging) zat er bij Spinoza overduidelijk in; daarom benadrukte hij zo het recht op ieders individuele interpretatie van die geloofsartikelen die hij beschreef.

Pas onlangs (daartoe nog eens door mij uitgedaagd) kon Klever toegeven: “Je kunt inderdaad stellen dat Spinoza's BEPERKING van de ruimte voor publieke discussie, die gegeven is met de uitzonderingspositie van de 7 dogmata van de religio patriae, met daarnaast onbeperkte toelating van private uitleg en bijvoegsels, een individueel aspect heeft en in zoverre de ruimte voor de libertas philosophandi (nou ja, fantaseren) vergroot.”

Vanuit onze tijd gezien geldt dat fantaseren uiteraard ook voor het ‘maximaal credo’. Dat wilde vastleggen wat (zoals Klever het graag noemt) de Grootste Gemene Deler was van de (jawel, verbeelde) godsdienst. Dat was de actualiteitskwestie van Spinoza’s tijd. Maar in onze geseculariseerde tijd gelden die toenmalige verbeeldingen nauwelijks meer. Nu weten echt teveel mensen dat die geloofsartikelen niet meer algemeen gelden, maar behoren tot de zaken die verzonnen zijn – uit de imaginatio ontsproten van mensen in een ver verleden. Mogelijk hebben ze dat van of via Spinoza begrepen.
Wie op zoek is naar de actualiteit van Spinoza in de huidige tijd, komt uiteraard niet meer aanzetten met dat algemene credo, maar wel met bijvoorbeeld Spinoza’s kennisleer, z'n ideologiekritiek en z'n hermeneutische tekstaanpak.  

Nog iets dat ik miste in Die Immanenz der Macht
Zo’n zelfde iets speelt ook bij een ander vraagstuk, namelijk wie behoren tot de menigte, de multitudo die de drager van de democratie is. Het uit- resp. insluitingsbeginsel dat Spinoza hanteert, het sui juris zijn, is uiteindelijk een kwestie van macht (recht is immers macht). Dat Spinoza het in alle gevallen zo blijft zien blijkt op vele plaatsen in de Tractatus Politicus. Voorbeeld: In de natuurlijke toestand geldt “ille homo maxime potens maximeque sui juris est, qui ratione ducitur (TP III§7) die mens is het machtigst en meest zelfgerechtigd die zich laat leiden door de rede.” En die natuurlijke toestand verdwijnt nooit en gaat mee in, blijft de basis van, de civiele staat.
Ook daar geldt wat de uitsluiting van vrouwen betreft Spinoza’s actualiteit in z’n eigen tijd. Op dat punt zag hij geen enkele aanleiding voorop te lopen en ‘modern’ te zijn. De vrouwenkwestie speelde nog niet i.t.t de godsdienstkwestie. Die laatste ging hem aan het hart, die eerste niet.
Maar voor onze tijd speelt die kwestie op een andere manier en kan men al dan niet nog aanleiding zien voor machtsverschillen tussen mannen en vrouwen, hoewel er al veel geëgaliseerd is.

Voor onze tijd speelt veel meer het vraagstuk voor wie al dan niet tot de burgers horen t.a.v. immigranten, vreemdelingen, asielzoekers, “illegalen”. Wat dat aangaat vond ik het jammer dat Martin Saar (ik heb ook dat buiten mijn bespreking gehouden, maar meld dat hier) aan die hedendaagse kwestie geen woord wijdt. Juist in zijn boek legt hij het accent op de actualiteitswaarde van Spinoza’s politieke filosofie voor onze tijd – daartoe accentueert hij diverse kanten van Spinoza’s denken over macht en laat hij veel 17e eeuwse actualiteit achterwege.
Wel verwijst hij in zijn tekst en in vele voetnoten naar door vrouwen geschreven Spinoza-studies, waarin ook over Spinoza’s uitsluitingsbeginsel van vrouwen is geschreven (Lloyd, Gatens, James, Sharp e.a.), maar heeft hij geen enkele tekst of verwijzing naar Spinoza en het immigrantenvraagstuk of het multiculturalisme- en/of het racisme-debat. Zijn die studies er misschien niet? Ik ben benieuwd of Kenan Malik, de auteur van Van Fatwa tot Jihad (2009) in zijn nieuwe boek over het morele denken, waarin ook Spinoza aan bod komt, wel over deze kwestie gaat schrijven [cf.
dit blog].

___________

*) Ik was niet van plan inhoudelijk op die kwestie in te gaan, maar wijs er alleen op dat Spinoza, wanneer hij in de TP (bij de aristocratie, TP VIII §46) terugblikt op wat hij in de TTP over de godsdienst heeft geschreven waar zij geacht worden toe te behoren, deze typeert als: "simplicissimae scilicet et maxime catholicae" - dat is de eenvoudigste en meest algemene [godsdienst].

Reacties

Stan,
Ik denk dat je aan Spinoza's uitspraak, dat de vrouw niet sui juris is en daarom geen kiesrecht heeft, te veel een morele betekenis geeft, terwijl Spinoza alleen maar een feitelijke constatering doet. Sui juris zijn betekent m.i dat je zelfstandig en zonder last of ruggespraak beslissingen kunt nemen volgens het civiel recht. Blijenbergh eindigt Br18 met de opmerking dat 'hij vrij mens' is en 'van geen enkel ambt afhankelijk'. M.a.w., zijn opvattingen zijn niet door een ander (werkgever, feodaal heer e.d.) aan hem opgelegd. Kortom, hij is sui juris. Anders is het met mevrouw Blijenbergh. Zij is door het geldend (huwelijks)recht afhankelijk van haar man. Hij kan haar voorschrijven welke opvattingen zij moet ventileren, kortom ze is niet sui juris. Een interessante vraag is: stel dat Blijenbergh overlijdt, het echtpaar geen kinderen heeft, de weduwe de zaak van haar man voortzet, en het door de weduwe geërfde vermogen groot genoeg is om haar financieel onafhankelijk te maken. Zij is dan sui juris volgens het civiel recht (totdat ze hertrouwt). Er waren zelfstandige ondernemende vrouwen in de Republiek, o.a. de landsdrukker en drukker van de statenbijbel was een vrouw. Ik neem aan dat ook Spinoza zal erkennen dat zij dan kiesrecht dient te verkrijgen. Je leest over Spinoza's vermeende misogynie helaas veel onzin, terwijl hij er alleen maar op uit is om in de democratie een onafhankelijk kiesrecht te waarborgen, sui juris dus.

Dank voor je interessante reactie, Adrie.
Ik heb overigens juist willen benadrukken dat Spinoza's 'sui juris'-criterium geen morele maar een machtskwestie betreft. Ik denk inderdaad dat in de gevallen die jij noemt voor Spinoza (niet een kiesrecht maar) een deelnamerecht zou gelden.

Goed zo, Adrie. 'Sui juris' betekent in deze context inderdaad 'economisch zelfstandig'. Echter: datgene waartoe de burger in Spinoza's concept van directe democratie wettelijk wordt gemachtigd is niet het KIEZEN van volksvertegewoordigers, maar het raadlidmatschap en, als zodanig, het STEMMEN over alle publieke angelegenheden. En dat concept heeft Spinoza geërfd van meester Van den Enden, iets wat de officiële Nederlandse Spinoza-kliek maar niet wil zien of bekend maken of verdedigen. Zie daarover mijn DIRECTE DEMOCRATIE (uitverkocht).

Wim,
Ik neem aan dat je met Sp.'s opvatting van democratie bedoelt dat er sprake is van:
1. óf een plebicitaire-democratie à la Zwitserland, d.m.v. referenda (waar vrouwen overigens tot 1991 niet stemmen mochten, dus niet sui juris waren),
2. óf een agora-democratie à la het Oude Athene, waar al degenen die sui juris waren gezamenlijk discussieerden èn beslisten over publieke aangelegenheden (ook hier waren vrouwen uitgesloten, want niet sui juris).
Ik neem aan dat je aan Sp. deze laatste vorm van directe democratie toeschrijft. Immers, hij kende alleen maar de klassieke voorbeelden.
Helaas ken ik je boek niet en is het, zoals je zelf schrijft, uitverkocht. Is het mogelijk om het op Stan's site te zetten?

@Adrie. Ik bedoel inderdaad nr. 2. Maar in Athene werd de discussie eerder in de RAAD VAN 400 (boulè) gevoerd dan in de Pnyx (niet de agora), waar de vergaderde burgers (= ecclesia) STEMDEN over de voorstellen.
Ik haakte mijn opmerking an de 'vrouwenskwesrie', zonder daar verder op in te gaan. Dat was na je uitgewerkte Blijenbergh-voorbeeld ook niet meer
nodig. Mutatis mutandis geldt dat ook voor de radicale democratie in 5e-4e eeuw.
Mijn boek (2e dr. 2007)bestond uit verschillende delen: 1) een uiteenzetting over de beginselen van de Griekse democratie zoals uiteengezet (niet verdedigd) door Aristoteles, 2) een hertaling van de magistrale VRYE POLITYCKE STELLINGEN van Van den Enden (met indeling en noten), 3) hoofdstuk over Spinoza's pleidooi voor nationaal-socialistische politiek op democratische grondslag (met o.a. secties over nationale grenzen van christelijke naastenliefde) en 4) reconstructie van Spinoza's democratisch model. En 5) voorstellen voor fundamentele veenieuwing van de democratie (in NL).
Het boek is zeer ten onrechte door de VSH-maffia ge-downplayed. Maar zoals het reeds het geval is met meerdere andere van mijn vernieuwingen in de Spinoza-studie kom ik via erkenningen in het buitenland terug van de miskenning alhier. Dit blog speelt daarin een rol, soms à contre-coeur.

@Adrie
Ik ben je nog een antwoord schuldig op een vraag, nl. Of het uitverkochte boek over DIRECTE DEMOCRATIE niet, uiteraard met zijn toestemming, op Stan's website kon worden gezet. Maar ik moest eerst even op mijn pc gaan kijken of ik de file nog beschikbaar heb. En dat is zo.
@Stan. Zou jij er wat voor voelen om de hoofdstukken 3 t/m 5, maar dan liefst elk afzonderlijk, op "Secundaire literatuur" te plaatsen. Ik zal je in dat geval de file doen toekomen.

@Adrie & Wim, grappig om deze vraag langs deze weg openlijk te bespreken. Ja, ik wil die hoofdstukken graag een verdere verspreiding geven. Ook al heb ik steeds grote moeite ermee gehad dat je, Wim, dat derde hoofdstuk de onnodig pesterig-prikkelende titel gaf "Spinoza's pleidooi voor nationaal-socialistische politiek op democratische grondslag." Maar ik ga als "uitgever-provider" geen censuur toepassen. Dus stuur me de bestanden maar toe en ik maak er PDF’s van.
Ter introductie geef ik mijn korte ‘recensie’ die ik nadat ik boekje het een paar jaar terug gelezen had, schreef op de achterzijde van het velletje met ‘corrigenda’ in het boekje waarin ik het nu aantref:

“Je proeft de woede. Maar ook: hier is iemand die gelooft in de waarde van de 17e eeuwse politieke denkers voor de huidige tijd. Hiermee zijn we op vele manieren terug in de XVIIe eeuw. Letterlijk, maar ook qua intentie en vorm: in de tijd van de pamflettencultuur. Toen en met dit boek wilde een auteur nog iets met z’n publicatie bereiken. Er staat iets op het spel. Gedurfd. Hij neemt Spinoza mee in zijn kritiek op de huidige ‘partitocratie’ of ‘partij-oligarchie’ (132-33). Geeft gewapend met Vanden Enden en Spinoza kritiek op de partijendemocratie en de illusie van de volksdemocratie door stemrecht en vertegenwoordiging. Een Pim Fortuiniaans studieboek.”

Zo past deze heruitgave mooi bij dit blog over “welke actualisering” en mijn recente bespreking van het boek van Martin Saar. Jij wilt met jouw pamfletboekje het omgekeerde van een actualisering en de manier waarop onze staat geregeld is - historiserend - terugzetten naar het model dat volgens jou Spinoza voor ogen stond – mét gewapende burgers!

Wim,
1. Ik ben het met Stan eens dat de term 'nationaal socialistische politiek' als karakterisering voor Spinoza's politieke filosofie uitermate ongelukkig gekozen is en a-historisch, omdat ze exclusief gereserveerd is voor het nazisme van Hitler, zie Van Dale's woordenboek. Dat geldt ook voor de term 'VSH maffia' voor het tamelijk losse verband van spinozisten en Spinoza-geïnteresseerden.
2. Dank overigens voor de uitleg van de Atheense democratie.

Ik weet geen betere woordcombinatie om Spinoza's politieke theorie beknopt te benoemen. Nationaal welzijn alleen mogelijk door ver gaande solidariteit en omgekeerd, en deze 2 uitsluitend oo basis van radicale democratie. Kan ik het helpen dat Hitler's regime de klank hiervan verpest en verdoemd heeft? Ik hoef me toch niet aan Van Dale te storen? En wat de VSH betreft: is dat niet de permanent in dezelfde handen zijnde en niet door leden gemachtigde, club met een eigen machtsstructuur, die een weinig aantrekkelijk beleid voert?
En Stan, staat Spinoza soms niet een democratisch model met gewapende burgers voor ogen? Dan wordt het tijd dat je de nieuwe TP-vertaling maar eens goed gaat lezen. Overigens wil ik je bedanken voor je bereidheid om delen van mijn 'pamfletboekje' (dubbele depreciatie! ) ongecensureerd te herpubliceren. Miss hien is dat nu ook wel een uitermate geschikt moment vanwege de politieke ellende waarin we verkeren en de plotselinge verschijning van een nieuwe vertaling. Uitleg van Spinoza's toegepaste politieke theorie daarbij lijkt geen kwaad te kunnen.
Overigens moet ik zelf de tekst nog even screenen om een aantal typefouten, die we in onze Capelse leesclub ontdekt hebben.

Wim toch, natuurlijk weet ik dat Spinoza een democratisch model met gewapende burgers voor ogen stond. Dat kon in die tijd, maar tegenwoordig echt niet meer (ik hoef niet naar de vele doden door wapens in VS en de burgeroorlogen in het Midden-Oosten te wijzen). Ik vind zo'n soort "actualisering" dus echt uiterst belachelijk. Ik wacht je gecorrigeerde teksten af.

Saar, met zijn macht-boek over Spinoza, slaat dat zeker lekker over: de kwestie hoe burgers angstaanjagend en geducht (FORMIDOLOSUS) zijn voor de overheid die zij tijdelijk met bestuur hebben belast, ZODAT het in het toegekende gareel blijft.

Geef ik geen antwoord meer op.
Wat dacht je trouwens van de afstammelingen van vorsten? Formidolosissimi.