Adriaen Verwer ( ca 1655 - 1717) ambivalent: anti-Spinozist en bestrijder, maar ook bewonderaar van Spinoza

Was werkzaam in de handel, maar daarnaast geleerde, filosoof en taalkundige. Hij wordt veelal beschouwd als de taalkundige mentor van zijn jongere vriend Lambert ten Kate. Soms gebruikte hij het pseudoniem Anonymus Batavus.

Hij was omstreeks 1655 geboren als zoon van Pieter Adriaensz. Verwer, een doperse diaken die meedeed aan de Spinozisme-debatten met Jacob Ostens (1630-1678) zoals die in de 1660-iger jaren in het Rotterdamse gevoerd werden. In 1680 vestigde hij zich als koopman in Amsterdam, waar toen onder de wederdopers veel minder weerstand bestond tegen het Spinozisme. Hier mengde hij zich in de filosofische debatten die vooral draaiden om de denkbeelden van Spinoza. Hij achtte de doorgewinterde Spinozisten, zoals Jonathan Israel in Radicale Verlichting schrijft, zo bedreven in het debatteren dat het hem had genoodzaakt Spinoza opnieuw zorgvuldig te bestuderen.

In 1683 publiceerde hij 't Mom-aensicht der Atheistery afgerukt door een Verhandeling van den aengeboren stand der menschen, een weerlegging van Spinoza's opvattingen.

Het Momaensicht is bedoeld als een verwerping van Spinoza’s filosofie. Het werd anoniem gepubliceerd in Amsterdam. In die tijd verbleef John Locke (1632-1704) in de Republiek waar hij zijn beroemde Essay schreef. Verwer moet flink navraag hebben gedaan bij mensen die Spinoza hadden gekend, vooral zijn intimi, naar wat de werkelijke bedoelingen van Spinoza geweest waren. Hij schrijft dat de meesten recent waren overleden – Meijer was in 1681 en Jelles in 1683 overleden. Zo heeft hij wellicht ook nog bevraagd Johannes Bouwmeester, die medeoprichter van Nil Volentibus Arduum (1669) was geweest en gecorrespondeerd had met Spinoza. Bouwmeester was in 1680 overleden. Bouwmeester was ook de vertaler geweest van Abu Bakr Muhammed ibn Tufayl’s (?1100-1185) Het Leeven van Hai Ebn Yokdhan (1671), waarvan sommigen (zonder een snipper evidentie) menen dat Spinoza hem daartoe had aangezet.  
*) onderaan over Tufayl op dit weblog.

In de jaren na 1687 voelde Verwer zich in het bijzonder aangetrokken door de inzichten van Isaäc Newton en correspondeerde hij met Britse geleerden uit de ‘Newtonian circle’; zijn aandacht ging in deze tijd vooral uit naar de theologie en de wiskunde. In 1698 verscheen zijn Inleiding tot de Christelyke Gods-geleertheid, een geloofsapologie. Ook de taalkunde had zijn belangstelling; hij maakte deel uit van een linguïstisch gezelschap, waartoe zijn vriend en leerling Lambert ten Kate en - waarschijnlijk - Tiberius Hemsterhuis (1685-1766) behoorden, en publiceerde een aantal taalkundige geschriften. Verwer past Newtons methode toe op de taalkunde en staat daarmee aan de basis van een wezenlijk nieuwe benadering van de taalstudie in de achttiende eeuw. In 1711 trad hij voor het laatst in de openbaarheid met Nederlants See-rechten; Avaryen; en Bodemeryen, een rechtskundig werk dat in de achttiende eeuw nog drie keer zou worden herdrukt.

Hij is vooral bekend geworden door zijn anoniem uitgegeven grammatica

—Ź Linguae Belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica; deprompta ex Adversariis Anonymi Batavi: In Usum Proximi Amici (1707, 1783²).

Overige werken, zoals genoemd bij de DBNL.

—Ź Brief, door den ongenoemden Schryver der Idea Grammatica, &c. ofte Schetse der Nederduitsche Taelkunst aen den Heere David van Hoogstraten over de echte Nederduitsche Vocaelspellinge (1708)

—Ź Brief, door den ongenoemden Schryver der Idea, of Schetse der Nederduitsche Spraekkunst, aen den Heere David van Hoogstraten (1708)

—Ź Brief aen den Heere Adriaen Reland, professor der oostersche talen in de Academie tot Utregt, vanden Schryver der linguae Belgicae Idea Grammatica; & c. tot rekenschap vande Aenmerkingen vanden Heer Arnold Moonen op dezelve Idea [...] (1709)

De DBNL heeft niet, maar voor Spinozisten ‘t interessants is wel zijn al genoemde

—Ź ‘t Mom-Aensicht Der Atheistery Afgerukt door een Verhandeling van den Aengeboren Stand Der Menschen, Vervattende niet alleen een Betoogh van de Rechtsinnige Stellinge, maer ook voornamentlijk een Grondige Wederlegging van de tegenstrijdige Waen-gevoelens en in't bysonder van de geheele Sede-Konst, Van Benedictus de Spinoza. Amsterdam: Wilhelmus Goeree, 1683.
In 1707 heruitgegeven als:
Het mom-aangezigt der Athisterie afgerukt, of de wederlegging der zedekunst van Spinoza en Nederlandsche Zeerechten, averije en hodemerijen. Amst. 1707. [
hier]

Verwer heeft met zijn Momaensicht flink wat invloed uitgeoefend; daarover zodadelijk.

In Radicale Verlichting schrijft Jonathan Israel dat Verwer, om het bedrieglijke gepraat der spinozisten over ‘God’ te bestrijden, vond dat een onderscheid moest worden gemaakt tussen degenen die de mensen afhankelijk zagen van een Scheppende en Voorzienige God en degenen die de mensen als ‘onafhankelijk’ van die God zagen. De laatsten konden beter Independenten dan atheïsten genoemd worden, omdat Spinoza’s volgelingen hechtten aan het concept van een ‘God’ en de beschuldiging van atheïsme afwijzen. Ik vind dat wel getuigen van enig respect. Maar ook van groot onbegrip, want van God zoals Spinoza hem concipieerde, is niets en niemand onafhankelijk: alles bestaat in God en zonder God kan niets bestaan of begrepen worden. Men is niet in staat zich vrij en onafhankelijk tegenover die God op te stellen en (b.v. zondig) te gedragen.
Verwer stelde Spinoza voor als iemand die een oude denktraditie had gesystematiseerd die terugging op de presocraten en uiteindelijk tot aan Vanini en Hobbes reikte.  

Uit wat Gerrit H. Jongeneelen schrijft in zijn “Adriaen Verwer: disguised Spinozism in Adriaen Verwer’s Momaensicht,” waarop ik me voor dit blog vooral baseer, krijg ik een wat gunstiger indruk van Verwers Spinoza-interesse dan je uit de titel van zijn boek zou verwachten.

Verwer maakte een onderscheid tussen reële concepten (wesentlijk) die verwijzen naar dingen die werkelijk bestaan, terwijl bij hypothetische concepten (voorondersteld) geen referent kan worden aangewezen. Mathematica is dan geheel hypothetisch; maar de concepten ervan zijn wel toepasbaar in b.v. de astronomie. Zijn bezwaar tegen Spinoza’s filosofie is dat het geheel berust op hypothetische fundamenten van het wiskundig argumenteren. Die leer is in zijn ogen dan ook verstoken van enige waarde voor de ethiek en de werkelijkheid. Hetzelfde bezwaar heeft hij tegen Descartes’ aangeboren ideeën.

Reken maar dat Spinoza met zijn substantie- (en God/Natuur-)begrip overtuigd was naar de enige echte werkelijkheid te verwijzen, maar het was een werkelijkheidsverwijzing die Verwer (en vele andere gelovigen) niet zinde(n) – ik kom er verder niet met mijn commentaar tussen.

Verwer staat meer een empirische epistemologie voor: werkelijke kennis bevat heldere en onderscheiden ideeën, maar die zijn op zich genomen geen garantie voor de realiteitswaarde van die kennis, want zijn hypothetisch. Heldere en onderscheiden ideeën kunnen bij niet contradictoir redeneren wel nieuwe heldere en onderscheiden ideeën opleveren. Maar om tot echte (niet-hypothetische) kennis te komen moet er een relatie bestaan met het werkelijk bestaande universum. Dat is het verschil tussen zuivere en toegepaste wiskunde.

Aldus onderscheid Verwer in het eerste deel van zijn Momaensicht een filosofie van de psychologie (natuurlijke staat van de mens t.o.v. zichzelf) een politieke filosofie (natuurlijke staat van de mens als burger) en filosofie van de religie (de natuurlijke staat van de mens t.o.v. God). Waarschijnlijk verschilt dit alles niet erg van het Spinozisme zoals het onder Spinoza’s ‘leerlingen’ gebruikelijk was geworden.

Verwer had zeker contact met Adriaan Reland (1676-1718) de arabist die Bouwmeester’s Tufayl-vertaling uit het Latijn vanuit het Arabisch origineel herzag die in 1701 met de initialen S.D.B. die naar Spinoza zouden verwijzen (?) in Rotterdam werd uitgegeven.

Daar Adriaan Reland de adressant is van Verwer’s open brief (1709, bovenvermeld) over zijn linguistische theorie acht Jongeneelen (wiens artikel ik voor dit blog plunderde) het waarschijnlijk dat hij bij die herziene Tufayl-uitgave betrokken is geweest. In ieder geval is het dat filosofische verhaal van Tufayl dat als voorbeeld in Momaensicht wordt gebruikt van de mogelijkheid om tot filosofische kennis te komen zonder enige instructie, louter door gebruik te maken van z’n natuurlijke verstand. Via Tufayl zouden er zo sporen van Avicenna’s (980-1037) epistemologie in Verwers leer van de natuurlijke rede zijn doorgedrongen, waarmee het mogelijk is tot universele kennis te komen (eeuwige waarheden of bij wijze van spreken ‘aangeboren ideeën’) zonder instructie of openbaring.

Verwer’s definitie van natuurlijke rede als de som van eeuwige waarheden of universele kennis, zoals die verborgen zit in en afgeleid kan worden uit de geschapen natuur (de natura naturata) is zowel Spinozistisch als Avicenniaans. Spinozistisch waar het begint met een idee, een concept van de rede, Avicenniaans waar het de geschapen natuur beschouwt als de bron der universele kennis welke deze rede vormt.

Verwer’s houding tegenover Spinoza is er dan ook een van tweeslachtigheid en hij is zeker niet zo negatief over Spinoza als de titel Momaensicht suggereert.  

In het tweede deel van Momaensicht worden alleen die Spinozistische stellingen verworpen die als atheïstisch werden gezien en die louter gebaseerd leken op hypothetisch redeneren. Dit gold vooral Spinoza’s politieke filosofie, waarbij in de natuurtoestand ’s mensen recht gelijk wordt gesteld met ‘s mensen macht. Hetgeen impliceert dat er geen criterium voor goed en kwaad is (Spinoza erkende geen zonde). En het gold Spinoza’s metafysische epistemologie die een volledige kennis van het universum zou afleiden uit a-priori-concepten als substantie, bestaande uit – onder oneindig vele – de ons twee bekende attributen Uitbreiding en Denken.

Daartegenover leidde Verwer zijn eigen politieke filosofie af uit de natuurwet-idee van Hugo de Groot (1583-1645), die de burgerlijke samenleving grondvest op een natuurlijke staat van vrijheid en gelijkheid. Deze Renaissancistische theorieën van natuurrecht en cultuur zijn uiteraard net zo hypothetisch als Spinoza's mathematische methode die de eerste geacht werden te vervangen.

Jongeneelen concludeert dat Verwer in zijn verwerping van Spinoza, diens filosofie aanpast aan de Renaissancistische concepten van natuurrecht en analogie. Hij verwierp alleen datgene wat bereikt werd door redeneren op basis van de mathematische methode. Bij zijn aanpassing ontwierp hij een empirische epistemologie die vruchtbaar werd toegepast in de 18e eeuwse linguïstiek en fysicotheologie. Door hemzelf met zijn publicatie in 1707 van zijn bovengenoemde grammatica. Zijn zoon Pieter Adriaensz. Verwer (1696-1754) speelde een belangrijke rol in de Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen’s (1684-1735), waarin het empirisme van John Locke werd verspreid. Bernard Nieuwentijt (1654-1718) schreef met Gronden van zekerheid (1720) een verwerping van het Spinozisme die een herhaling was van de argumenten van Verwer. Er zouden contacten geweest zijn tussen Verwer en Nieuwentijt in de 1690-iger jaren.
Het 20e eeuwse Logisch Empirisme ziet Jongeneelen dan ook zijn oorsprong hebben in Verwer’s Momaensicht.

Bronnen

Adriaen Verwer, Brief aan den Heere Adriaen Reland [in z'n geheel bij books.google]

Adriaen Verwer, Anonymi Batavi Idea lingvae belgicae grammatica, poetica et rhetorica [in z'n geheel bij books.google]

Wim van Anrooij, Ingrid Biesheuvel, Karina van Dalen-Oskam en Jan Noordegraaf, Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek (2004-...) [DBNL]

Gerrit H. Jongeneelen, “Adriaen Verwer: disguised Spinozism in Adriaen Verwer’s Momaensicht.” In: Disguised and overt Spinozism around 1700. Papers presented at the international colloquium, held at Rotterdam, 5-8 october 1994, edited by Wiep van Bunge and Wim Klever. Leiden New York Köln, E.J. Brill, 1996. pp.15-23 [Hier] Ik verwijs uitdrukkelijk naar dit artikel dat een interessante tweede helft heeft, die ik niet meer in dit blog heb verwerkt.

Jonathan Irvine Israel, Radicale Verlichting (Radical Enlightenment, 2001), Van Wynen, Franeker, 2005

Anthony J. Klijnsmit, 'Spinoza en Verwer. Een zeventiende-eeuws meningsverschil over de grondslagen van de wetenschap', in: Jan Noordegraaf & Roel Zemel (red.), Accidentia. Taal- en letteroefeningen voor Jan Knol. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU 1991, 9-20. [door mij niet gezien, alleen voor de volledigheid genoemd]

Verwer, Adriaen, "Daer moet maer naerstig gelezen worden". Brieven over Taalkunde (1708-1709), ed. by Igor van de Bilt. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU/Münster: Nodus Publikationen, 2002. [hier]

Aanvulling 25 augustus 2016

Veel nieuwe informatie in blog: Adriaen Verwer komt niet voor in Spinoza. Paradoxale icoon van Nederland 

_________________________ 

*) zie mijn blogs over Ibn Tufayl

• Ibn Tufayl [5] en Spinoza [1]
• Ibn Tufayl [4] en de John Locke-connectie
• Ibn Tufayl [3] - samenvatting van zijn Hayy ibn Yaqzan
• Ibn Tufayl [2] - en zijn eerste Nederlandse vertaler
• Ibn Tufayl - de vertalingen van zijn Hayy ibn Yaqzan