Breviarium Spinozanum: wat zijn adequate ideeën? En hoe komen wij eraan?

Op het blog van 27 mei over de vraag “Kan de gelijkheids-these de parallellisme-these verdringen?” ‘woedt’ een discussie tussen Adrie Hoogendoorn en Henk Keizer over adequate ideeën. Ik heb mij er niet in gemengd (soms wil ik discussianten niet voor de voeten lopen), maar zie er aanleiding in voor een apart blog. Ik meen te bespeuren dat twee vragen door elkaar heen lopen en dat het antwoord op de ene vraag tot een verkeerde conclusie op het terrein van de andere vraag leidt.

De ene vraag is: Wat zijn adequate ideeën (resp. zoals ze in De Nagelate Schriften worden genoemd: evenmatige denkbeelden).

De andere vraag is: hoe wij die bereiken? Hoe komen wij aan adequate ideeën?

[1] De vraag wat een adequaat idee is wordt beantwoord in de 4e definitie van het 2e deel van de Ethica. Het is een nadere specificatie of onderverdeling van het begrip idee.

Def. 3. “Onder een idee versta ik een concept van de geest, die hij vormt omdat hij een zaak is die denkt.” [Ik vermijd hier de vertaling ‘voorstelling’ voor ‘concept’ daar dat te dicht bij het maken van afbeeldingen in de verbeelding ligt. De veel gehanteerde vertaling van ‘idee’ met ‘voorstelling’ acht ik wat ongelukkig, wat zeker ook geldt voor ‘denkbeeld’: zit te dicht bij verbeelding)

Def. 4. “Onder een adequaat idee versta ik een idee, dat wanneer men het op zichtzelf en los van de relatie met het object beschouwt, alle wezenlijke eigenschappen of intrinsieke benoemingen van een waar idee heeft.
Uitleg. Ik gebruik het woord ‘intrinsiek’ om een extrinsieke benoeming uit te sluiten, namelijk de overeenstemming tussen de idee en het voorgestelde object (ideatum).”

Hier zitten we meteen midden in Spinoza’s eigen, bijzondere filosofie. Ik ga die hier uiteraard niet in z’n geheel behandelen, maar verwijs naar de direct hierop volgende stellingen en dan met name de ‘bijkomende stelling’ (corrolarium) bij stelling 6: “Hieruit volgt dat het formele zijn van dingen die geen modi van denken zijn, niet uit de goddelijke natuur volgt omdat zij die dingen eraan voorafgaand kent, maar dat op dezelfde manier en met dezelfde noodzakelijkheid de voorgestelde objecten (res ideatae) uit hun attributen volgen en afgeleid worden, als de ideeën uit het attribuut denken voortvloeien.”

Ik heb er al eerder op gewezen dat Spinoza deze bijkomende stelling zo uitvoerig neerzet om het grote verschil duidelijk te maken tussen zíjn filosofie over het ontstaan der dingen uit God en die van de christelijke filosofie en theologie. Bij de laatste had God eerst een idee en ontstond daaruit vervolgens het te scheppen ding (uit het niets). Bij Spinoza gaat het ontstaan der dingen (het formele zijn ervan) gelijkop met, maar onafhankelijk van de idee (de kennis) ervan. Dat idee in Gods geest is uiteraard altijd waar/adequaat; daar is geen twijfel over.

Ideeën ontstaan uit denken (uit andere ideeën) niet uit dingen; vandaar dat Spinoza, zoals precies bij zijn filosofie past, het accent legt op het ‘van binnenuit’ (van andere ideeën uit) ‘intrinsiek’ blijken van het waar (compleet, coherent, overeenstemmend) zijn dan op de ‘extrinsieke’ vergelijking van de kennis met het ding (dan zou het lijken alsof we het ding de waarheid van de kennis laten ‘bepalen’). Uit de dingen ontstaat geen kennis, die ontstaat alleen uit andere kennis. (Maar hier loop ik al vooruit op de tweede kwestie).

En let op: zomaar (vrij-zwevende) ideeën, zonder dingen bestaan uiteraard niet. (Adequate) ideeën zijn altijd ideeën van res ideatae. Dingen en de bijbehorende ideeën zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden (zijn verschillende uitdrukkingen van één en dezelfde zaak). Kennis gaat altijd ergens over.

[2] Dan de vraag: hoe komen wij mensen aan adequate ideeën?
Het is wel mooi dat er in God van alles adequate kennis bestaat, maar hoe bereiken wij die? Het grootste deel van het 2e deel gaat hierover. Telkens laat Spinoza zien hoe wij vooral inadequate ideeën hebben.

Elke kennis van het menselijk (= ons eigen) lichaam (2/19), van de menselijke (=onze) geest (2/23) en van lichamen buiten ons (2/26) begint met affecties (het aangeraakt zijn) van ons lichaam. Tegelijk daarmee hebben van we dat alles ideeën, maar die zijn verward, fragmentarisch, kortom: inadequaat (2/29c). Ze zijn verward omdat de aandoening (affectie) een mengsel is van eigen lichamelijke en externe aanrakingen (2/16c2). Ze zijn fragmentarisch, daar we nooit door het hele externe lichaam (diens essentie) worden geraakt, maar alleen worden aangedaan door iets ervan (2/35s). Al die aanrakingen gaan gepaard met ideeën ervan - inadequate dus.

De kennis die we hiermee opdoen is kennis van de eerste soort en die is op deze wijze noodzakelijk inadequaat en alleen maar de bron van verbeeldingen en van fouten (2/41); deze kennis is afhankelijk van toevallige omstandigheden.

Maar, en nu komt het, wanneer we inwendig vele verschillende ideeën (van dingen) tegelijk overzien en hun verschillen en overeenkomsten vergelijken, kunnen we tot heldere en onderscheiden kennis komen (2/29s). Adequate ideeën leiden we af uit ‘gemeenschappelijke noties’ of uit al bestaande adequate ideeën (2/40s2). Want, zegt stelling 2/40: Wanneer een idee in de geest volgt uit ideeën die in de geest adequaat zijn, is het eveneens adequaat.”

Adequate kennis (ideeën) bereiken we dus via de rationaliteit (vergelijken, afleiden e.d.) van de tweede soort kennis. Inderdaad, klopt dus (waar Adrie Hoogendoorn op wijst) dat we, via vergelijking (op verschillen en overeenkomsten) van ideeën, dus via ideeën van ideeën, tot adequate kennis komen, maar de bewering dat die ideeën ‘dus’ geen object zouden hebben, klopt uiteraard niet. Alle ideeën hebben ideatae. Alleen is het in dit geval wel zo dat we slechts adequate ideeën bereiken van algemene, gemeenschappelijke zaken die gelijk zijn in het deel en in het geheel. Langs deze kennisweg bereiken we niet de essentie van dingen – niet de adequate kennis over de essentie van particuliere/singuliere dingen.

Dus, Adrie, ook in de notatie die je van Bennett overneemt, ideeën van ideeën van ideeën van objecten, in notatie: i ( i ( i ( O ))), gaat het nog steeds over ideeënn betreffende objecten. Losgezongen ideeën zonder ideatae zijn onzin-ideeën en brengen je terug tot de imaginatio.

Overigens, pas in de derde kennisvorm, de scientia intuitiva, kunnen we tot de kern van de essentie doordringen (met name tot adequate kennis van onszelf komen) als we die kunnen betrekken op God – als we sub specie aeternitatis invoelen en begrijpen hoe we een onderdeel zijn van het eeuwige en oneindige geheel.

____________

Ik maakte voor dit blog onder meer gebruik van het door Filip Buyse geschreven lemma 'Adaequatus' in  The Continuum Compendium to Spinoza (2011). En van de Ethica-vertaling van Henri Krop (met een enkele aanpassing)

Voor wie meer achtergrond behoeft wijs ik nog op de blogs:

Waar heeft Spinoza zijn 'adequaatheid' vandaan?

Waar Spinoza de notie 'adequatus' vandaan haalde (2)

Breviarium Spinozanum: de axioma's of 'notiones communes'

Concept is bij Spinoza niet hetzelfde als idee

Spreken over God

Reacties

Stan, dank voor deze heldere uiteenzetting. Maar toch:
In 'een idee van een idee' is het tweede idee het object ('ideatum')van het eerste idee (de lastige discussie over 'ideatum' en 'objectus' laat ik buiten beschouwing). Hoe we ook aan een adequaat idee komen, bijvoorbeeld van het eeuwige en oneindige wezen van God (2/47), via via enz., het uiteindelijke resultaat is een adequaat idee van het eeuwige en oneindige wezen van God, waarbij dit laatste RECHTSTREEKS het ideatum is van deze idee. En ons adequate idee van God is niet een idee van een idee van een idee van ...... van een idee van het eeuwige en oneindige wezen van God.
Ik vind het niet alleen ongelukkig, het lijkt me zelfs onjuist om een adequaat idee een idee van ..... een idee van een 'ding' te noemen (ja, je kunt ook een adequaat idee van een idee hebben natuurlijk)
En zoals ik al zei, voor zover ik weet, legt Spinoza in de Ethica nergens ook maar de minste link tussen adequate ideeën en ideeën van ideeën. Dus ophouden daarmee, lijkt me.

Stan,
Je hebt gelijk dat je benadrukt dat adequate ideeën zijn: ideeën van ideeën van objecten, dat realiseerde ik me gaandeweg in de interessante discussie met Henk Keizer. In feite zijn adequate ideeën dus altijd notiones communis. Overigens, de notatie i ( i ( i ( O ))) gaat over 'ideeën van adequate ideeën', 'adequate ideeën' hebben de notatie: i ( i ( O )), en inadequate ideeën hebben notatie i ( O ).

Fantastisch goed van je, Stan, dat je de oplossing va de gestelde vragen zoekt in 2/29s. Alleen moet je het woord 'kunnen' in de betreffende zin nog weglaten: we worden innerlijk gedwongen overeenkomsten en verschillen tussen de inadequate ideeen te schouwen (contemplare). We hoeven niets af te leiden; we zien het gewoon en geraken zo vanzelf tot acequate ideeen. Locke en Hume hebben beiden dit hoogtepunt van deel 2 gezien en overgenomen. Dit wou ik je even melden vanuit Ouddorp.

Wim, wat bedoel je met "we hoeven niets af te leiden, we zien het gewoon"? Afleiden lijkt me kennis van de tweede soort vergaren, is "gewoon zien" dan een verwijzing naar kennis van de derde soort?

Stan en Henk,
Als ik nog mag voortborduren op de mooie discussie over ideën van ideeën op dit blog en op:
http://spinoza.blogse.nl/log/kan-de-gelijkheids-these-de-parallellisme-these-verdringen.html,
dan zijn er voor Spinoza in totaal drie soorten ideeën (2/29+s).
1. Ideeën van objecten, kortweg i d e e ë n (2/d3), 1e kensoort, verwerving via de zintuigen, inadequate ideeën. Logische notatie met kleine letter i: i ( O )
2. Inadequate ideeën van ideeën. Deze zijn de u n i v e r s a l i a (2/40s1), 1e kensoort, beeldkennis, ontstaan door het associatie-mechanisme (2/18s). Logische notatie met kleine letter i: i ( i ( O )).
3. Adequate ideeën van ideeën, kortweg: adequate ideeën. Deze zijn de n o t i o n e s c o m m u n i s (2/37-39), 2e kensoort, ontstaan door het verstand. Logische notatie met hoofdletter I en kleine letter i: I ( i ( O )).
Conclusie: er is 1 soort ideeën van objecten. Ideeën van objecten zijn allen inadequaat, 1e kensoort. Hieruit ontspringen 2 soorten algemene ideeën = ideeën van ideeën: de universalia, die inadequaat zijn, 1e kensoort, en de notiones communis, die adequaat zijn, 2e kensoort.

Mochten er toch nog mensen zijn die menen dat een adequate idee een idee van een idee is (dat mag geen leven gaan leiden), dan leg ik hen hier de ultieme toetsvraag voor:

Zij idee A de adequate idee van Gods wezen. Waarvan is A een idee, oftewel, wat is het 'ideatum' van de adequate idee A?

a) Gods wezen
b) de idee van Gods wezen
c) de idee van de idee van Gods wezen
d) de idee van ...... de idee van Gods wezen

Henk,
1. Een 'idee van een idee' heeft wel degelijk een ideatum, namelijk de 'idee van het object'. Ideeën kunnen niet alleen werkelijk bestaande objecten tot ideatum hebben, maar ook andere ideeën.
2. Essenties worden begrepen onafhankelijk van het bestaan van een zaak in de materiële wereld (1/8c2 en 1/24-25). De ideeën van essenties hebben dus geen bestaand uitwendig object, ze zijn niet een idee van een object, geen: i ( O ).
3. Maar nu een wedervraag: hoe is Sp. tot zijn definitie van substantie gekomen, die aan de basis ligt van zijn definitie van God? Toch niet omdat hij daarbij een idee van het object 'substantie' had, want het is een hoogst theoretisch en abstract begrip, maar omdat hij door waarneming, opvoeding en ervaring al enkele tientallen jaren kennis had van talloze objecten in deze wereld (die geen substantie waren), en door louter denken, en het raadplegen van het denken van anderen, tot zijn begrip van substantie kwam. We kunnen nu eenmaal geen kennis van het geheel hebben als een individueel object, omdat we zelf deel van dat geheel zijn. Tenzij je de 3e kensoort bedoelt, maar ook deze heeft haar oorzaak in de geest (5/31), en is dus idee van idee.
Conclusie: alleen via ideeën van ideeën kunnen we tot kennis van Gods wezen komen.

Maar na die lange weg is kennis van Gods wezen dan ook kennis van Gods wezen en niet van een idee van Gods wezen.

Die kennis ís het idee (een ander woord ervoor).

Inderdaad, de idee van Gods wezen is hetzelfde als kennis van Gods wezen. Adrie heeft het over de weg waarlangs je die kennis of die idee bereikt, ik heb het over het resultaat: adequate kennis of een adequate idee van Gods wezen. En daarvan kun je niet zeggen, waar Adrie mee begon in het andere blog, dat die kennis een idee van een idee is. Het is een idee van Gods wezen en niet een idee van een idee van ..... idee van Gods wezen.

Adrie, je verwijst naar teksten in d Ethica die stellen dat er (ware) ideeen bestaan die geen "uitwendig object" hebben, namelijk ideeen van essenties. Ik stel me voor dat bv. De definitie van een cirkel een dergelijk idee is, dat de essentie van een cirkel weergeeft. Hoe zit het dan echter met het "parallellisme" (of als je wil gelijkheid, maar dan wordt deze vraag mi nog moeilijker?

Mark,
1. Stelling 2/3 stelt: 'God heeft een (adequaat) idee van zijn wezen'. Voor God (en voor ons) geldt: kennis van Gods essentie is tevens kennis van Gods existentie (volgens 1/d1). Er is dus een correspondentie tussen denken en uitgebreidheid. Stelling 2/7, de parallelleisme-these, voegt aan 2/3 toe dat de correspondentie tussen denken en uitgebreidheid ook geldt voor causale ketens.
3. Nu de cirkel: in God bestaat een (adequaat) idee van een cirkel in de uitgebreidheid, in logische notatie: I ( c ). Ik ken dat correlaat in de werkelijkheid niet, maar ik ken wel een aantal inadequate correlaten, namelijk de cirkels die ik met de passer getrokken heb, in logische notatie: i ( c ). Welnu, door zuiver denken vorm ik mij een notio communis van al die inadequate correlaten, met als gevolg een adequaat idee van de cirkel: I ( i ( c ).

Henk,
Ik denk dat je gelijk hebt dat er ook adequate ideeën zijn die ideeën van objecten zijn, en geen ideeën van ideeën, namelijk in God zijn er adequate ideeën van objecten, zie boven onder 2. In God zijn er dus 2 soorten adequate ideeën, namelijk ideeën van objecten en ideeën van ideeën. In de mens zijn adequate ideeën alleen ideeën van ideeën, en geen ideeën van objecten.

Het gaat niet lukken, Adrie. Dus mijn adequate idee van Gods wezen is niet een idee van Gods wezen maar een idee van een idee. Ik durf de stelling wel aan dat al onze adequate ideeën voor zover Spinoza daarover spreekt, ideeën van objecten zijn (van "res", "rerum", "dingen", "zaken", bijv. Gods wezen)

Adrie,
Dank voor je uitleg in punt 1, dit inzicht was nieuw voor mij.
Wat je punt 3 betreft (vermoedelijk bedoelde je punt2): hier blijft de kwestie voor mij nog onduidelijk (inadequaat?). De cirkels die met de passer getrokken zijn (en die ik c' zal noemen) heb, zijn m.i. niet dezelfde als de "perfecte" cirkel (die ik c noem) in de uitgebreidheid waarvan een idee in God is. Maar het adequate idee van een cirkel in mijn verstand is toch hetzelfde idee als dit in God, of dus I(c) = I(i(c')? Hieruit leid ik dan af dat Henk gelijk heeft: I(i(c')), een adequaat Idee van inadequate ideeën van objecten is hetzelfde als een adequaat Idee van een ander Object, met name de perfecte cirkel in de uitgebreidheid.
Maar het punt dat ik eigenlijk (had) wil maken is: volgens mij bestaat er in de uitgebreidheid geen perfecte cirkel (omdat de uitgebreidheid nooit oneindig perfect kan zijn). En hier heb ik dus een probleem inzake de "correspondentie" van uitgebreidheid en denken. Denken is steeds abstract (of je nu wiskundige formules of woorden gebruikt) en dus iets anders dan de concrete uitgebreidheid. Ik blijf eigenlijk nog steeds bij Plato steken.

Adrie, ik leg me er bij neer dat ik je niet kan overtuigen. Voordat je eventueel een discussie begint over 'objecten' (n.a.v. mijn laatste reactie) wil ik je ter overpeinzing een citaat uit 2/38d geven dat overigens niks toevoegt aan wat ik al vele keren heb proberen duidelijk te maken, maar waarin het duidelijk gaat om kennis van iets LICHAMELIJKS:

'Zij A iets dat gemeenschappelijk is aan alle LICHAMEN en dat zowel in het deel van elk LICHAAM is als in het geheel. Ik zeg je dat A alleen adequaat begrepen kan worden.'

Is een adequate idee van A een idee van een idee of is het een idee van iets lichamelijks?

Mark,
1. De nomenclatuur is als volgt:
'c' = cirkel in de uitgebreidheid, deze is beschouwer-neutraal, het maakt dus niet uit door wie die beschouwd wordt, God of de mens.
'i' = inadequaat idee
'I' = adequaat idee; 'Ig' = adeq. idee in God; 'Im' = adeq. idee in de mens
2. In God zijn alleen adequate ideeën. Waarom? Essentie en bestaan vallen bij hem samen, wat God denkt, dat bestaat ook. Als God de essentie van een cirkel denkt, dan bestaat die in de werkelijkheid als een perfecte cirkel. Adequate ideeën zijn in God bijgevolg ideeën van objecten, in het geval van de cirkel: Ig (c).
3. In de mens vallen essentie en bestaan niet samen. De mens komt tot de adequate ideeën (= notiones communis) door te abstraheren van de werkelijkheid zoals in mijn vorige reactie beschreven:
Im ( i ( c )).
Bijgevolg is inderdaad: Ig ( c ) = Im ( i ( c )).
4. Volgens de parallellisme-these bestaan er in de uitgebreidheid wel degelijk perfecte cirkels, Wat God direct kent, kennen wij door zuiver denken. God kent zichzelf direct, en wij kennen God door Spinoza's definitie van God en laten ons overtuigen door de eerste 11 stellingen van deel 1 Ethica. Alle definities en stellingen van de Ethica zijn trouwens adequate ideeën. God is kenbaar, de wereld is kenbaar, en deze kennis is, als het adequate kennis is, identiek met de kennis die in God is.

Henk,
2/38d levert het bewijs via adequate ideeën in God die de 'ideeën van zowel het menselijk lichaam als van de aandoeningen ervan' adequaat kent. Het gaat erom hoe de menselijke geest ze kent, namelijk via meerdere ideeën van aandoeningen van het lichaam.

Nee Adrie, het gaat om ideeën in God IN ZOVER HIJ DE MENSELIJKE GEEST CONSTITUEERT, ofwel, IN ZOVER HIJ DE IDEEEN HEEFT DIE IN DE MENSELIJKE GEEST ZIJN. Dus de MENSELIJKE GEEST neemt A noodzakelijk adequaat waar. Dat staat er. En A is iets lichamelijks en de menselijke geest neemt A adequaat waar. Het gaat potdorie niet om VIA, VIA, het gaat er om WAT neemt de menselijke geest adequaat waar. En dat is A en dat is iets lichamelijks en niet een idee van een idee. Maar ik zei het al, ik heb me er bij neergelegd.

Adrie, ik bedacht nog een gezichtspunt dat je misschien kan vermurwen. Komen niet ALLE ideeën tot stand VIA andere ideeën? Daarmee worden die ideeën toch niet allemaal WAT SPINOZA BEDOELT met 'ideeën van ideeën'?