Helene Kröller-Müller (1869 – 1939) Vincent van Gogh 'in het licht van Spinoza' zien

Nadat ik juni 2011 twee blogs over ‘kunstpaus’ H.P. Bremmer en zijn zgn. spinozisme had geschreven, wilde ik ook eens schrijven over Helene Kröller-Müller en haar interesse in Spinoza. Daartoe las ik de imponerende biografie die kunsthistorica Eva Rovers schreef: De eeuwigheid verzameld. Helene Kröller-Müller (1869 – 1939) [Prometheus/Bert Bakker, 2010, 22011].

Ik vind die goed geschreven biografie vooral zo imponerend vanwege de kennis van geschiedenis, esthetica, economie en financiering tegen de achtergrond waarvan de schrijfster haar hoofdpersoon beschrijft. Ze won vorige maand de Hazelhoff Roelfzemaprijs met dit knappe werk over een intrigerende vrouw.

Helene Kröller-Müller verzamelde moderne schilderijen op nogal exorbitant grote schaal. Grote namen in haar collectie zijn Van Gogh, Mondriaan en Picasso. Zij zocht ‘het spirituele’ in de kunst, zowel in de eigentijdse werken als in de oudheden waarmee zij zich omringde: Chinees, Egyptisch en Grieks aardewerk. Haar stond het ideaal voor ogen om op de Hoge Veluwe een museum voor hedendaagse kunstbeleving te stichten, waarin ze haar collectie kon onderbrengen.

Helene Kröller-MüllerVia haar dochter was Helene Kröller-Müller met Bremmer en via hem met Spinoza in aanraking gekomen. Kort nadat ze Bremmer had leren kennen las ze met interesse Spinoza’s Ethica en TTP. Ze werkte dagenlang aan een samenvatting van de ingewikkelde metafysica en nam stellingen en fragmenten in haar 'spreukenkalender’ op. En ze nam de uitleg tot zich van filosofiehistorica Anna Tumarkin van wie verschenen was Spinoza. Acht Vorlesungen gehalten an der Universität Bern [Quelle & Meyer, Leipzig 1908 – overigens slechts 89 pagina’s omvattend]. En hoewel ze normaal een hekel had zich ergens bij aan te sluiten, noemde ze zichzelf bij gelegenheid ‘spinozist’.

En inderdaad, op sommige plaatsen in de biografie zie je even iets van Spinoza doorschemeren. Ik geef daar zo enige voorbeelden van. Maar het heeft toch vooral iets merkwaardigs: die tegenstelling te ervaren tussen de uiterst sober levende Spinoza en dit leven in vanzelfsprekende uiterst grote luxe, waarmee voor ontstellend grote bedragen vaak aan kunst kon worden uitgegeven en aan grote bouwopdrachten. Ze was dan ook de vrouw van Anton Müller van het goed boerende Rotterdamse Müller & Co dat begon als metaalhandel en vervoersbedrijf, maar dat geleidelijk aan allerlei branches omvatte en zich internationaal sterk uitbreidde.

Opvallend ook is haar zeer sterke behoefte om iets van haar schoonheidsbeleving na te laten: haar behoefte herinnerd te worden is treffend in de titel van de biografie uitgedrukt. Haar vele kunstaankopen, waarmee ze een collectie opbouwde naar haar zienswijze op de ontwikkeling van moderne kunst, zijn te zien als ‘aandelen in onsterfelijkheid’. Zeer gehecht was ze aan onsterfelijkheid, aan herinnerd te worden - zo liet ze aan haar vriend Sam van Deventer weten.

Een opvallende tegenstelling is ook hoe haar levenswerk (het nalaten van haar collectie in een eigen museum) een uitdrukking is van haar ongelukkig-zijn vanwege de gestoorde relaties met haar kinderen. Juist daardoor werd ze gemotiveerd dan maar langs een andere weg voor een nalatenschap te zorgen en een stempel op de toekomst te zetten. Als zij gelukkiger was geweest, was Nederland een museum armer geweest, schrijft de biografe raak. Dat zij desondanks op haar grafschrift heeft laten zetten “Ik geloof aan het volmaakte van al het gebeuren,” illustreert dat ze wel degelijk iets van Spinoza begrepen had.

Behalve die teleurstelling in haar kinderen, was het ook – net zoals het volgens haar bij Vincent van Gogh (die ze het meest zou verzamelen) speelde – de teleurstelling in het kerkelijk geloof waarmee ze al jong geworsteld had en die haar de kunst de plaats van religie deed innemen. Bij Van Gogh’s ‘treurende oude man’ was haar duidelijk dat hij in Frankrijk een leed schilderde als iets wat hij overwonnen had: “Als men leed ‘zoodanig schildert dan voelt men het eigenlijk niet meer als leed, men lijdt er op dat moment niet meer onder, maar weet dat het is een noodzakelijkheid & die erkenning daarvan geeft [rust].” (p.185)

Al eerder had ze Van Gogh gezien als iemand die spinozist geworden was ‘buiten Spinoza om´ dus zonder hem gelezen te hebben. (p.106). En zijzelf ging, vier jaar na haar eerste aankoop van een Van Gogh, zijn schilderijen ‘in het licht van Spinoza’ zien en ze beter doorgronden.

Iets van haar toegepaste Spinoza-kunde zien we wanneer ze tevreden is over een maquette van architect Ludwig Mies van der Rohe voor een museumwoonhuis in Wassenaar: ze zag ‘een waarheid & het is een Spinoza-rust in zijn mooiste vorm. Nergens betrap ik een onzuiverheid, laat staan een leugen. Nergens zijn concessies gedaan, is iets in het huis aangebracht wat niet noodwendig zou zijn.” (p.212/3).

In Parijs weer eens op strooptocht langs vele antiekzaakjes kocht ze een houten Christuskop die ze ‘Spinoza Christus’ noemde, omdat zij in het beeld zowel een mens als een filosoof zag. (p. 192)

Het meest krijg ik de indruk dat zij inderdaad haar ervaringen geïnspireerd vanuit Spinoza tracht te verwoorden, wanneer  de naam van Spinoza er niet bij valt. Bijvoorbeeld waar we lezen: “wat ze ook schreef, het benaderde niet wat ze wilde zeggen, want ‘in letters & woorden is alles zoo afgebakend & precies & dat zijn gevoelens niet. Zij vloeien samen uit zoo veel, wat je er toch niet altijd bij kunt noemen & waar je ook zelf geen verklaring voor hebt.’ “ (p. 136) Daar merk je dat ze zichzelf ‘in het licht van Spinoza’ heeft proberen te doordenken.

Op reis door Italië was ze weg van veel Renaissance bouwkunst. Zo lezen we: “In de eenvoudige lijnen en wiskundige verhoudingen van de bouwkunst zag Helene de meest geëigende manier om de ‘groote Spinoza-waarheid’ uit te dragen, namelijk de erkenning van het geestelijke in het stoffelijke.” (Aan Sam van Deventer op 22 juni 1913) 

Ontwerp logo voor Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe door Henry van de Velde met als uitgangspunt de St. Hubertus-legende en Helene Kröller-Müller’s lijfspreuk 'Spiritus et materia unum'Als haar levensmotto koos ze halverwege de jaren twintig ‘Spiritus et Materia Unum’: ‘materie & geest zijn een, zijn elkander dekkende begrippen.’ (Aan SvD op 8 jan. 1927, p.93) Maar die uitleg, ‘elkander dekkende’, is dan wel weer riskant – alsof het equivalentie uitdrukt en de attributen niet verschillen. Ze had ook wel de neiging het geestelijke over het lichamelijke te willen zien overheersen, verheffen. Maar zo gaat dat waarschijnlijk bij een meer mystieke en pantheïstische duiding van Spinoza's filosofie.

_________________

Wikipedia over Helene Kröller-Müller

Wikipedia over Anna Tumarkin

Eerdere blogs over 'kunstpaus' Bremmer

22 juni 2011: H.P. Bremmer (1871 – 1956) Kunstpaus – maar ook Spinozist? [1]

23 juni 2011: H.P. Bremmer (1871 – 1956) Kunstpaus – maar ook Spinozist? [2]