Kan de gelijkheids-these de parallellisme-these verdringen?

Gisteren, bij gelegenheid van de jaarvergadering van de Vereniging Het Spinozahuis in het Voormalig gemeentehuis van Rijnsburg, gaf Chantal Jaquet (van Université Paris I Panthéon-Sorbonne) een lezing over “From Parallelism to Equality: The Nature of the Union of Mind and Body According to Spinoza.” Het was een boeiende lezing over een belangrijk onderwerp. Het was door het wat zwakke geluid en haar soms wat gemompelde Engels, niet een makkelijk te volgen lezing (ik heb niet alles kunnen verstaan en zie met belangstelling uit naar de gedrukte tekst), maar de hoofdlijn kwam zeker goed door.  

Waar het om gaat is dat voor Spinoza het bij ‘lichaam’ en ‘geest’ om eenzelfde individu gaat dat op twee manier kan worden beschouwd: nu eens onder het attribuut uitgebreidheid, dan weer onder het attribuut denken. Maar het betreft in werkelijkheid één ding en niet twee samenhangende dingen. Een mens bestaat uit lichaam en geest, maar dat mag niet gezien worden als een uit twee afzonderlijke ‘dingen’ (van materie en van geest) samengesteld iets. Er bestaat tussen die twee wijzen van zien van het ene ding (een mens) geen interactie: er is geen causaliteit van het denken op het lichaam en van het lichaam op het denken.

Het probleem is nu: hoe kun je die manier van de zaken bezien, deze ‘psychofysische’ eenheid, kort typeren, waarbij zowel die eenheid (één ding) áls het verschillend-zijn van perspectieven (uitgebreidheid en denken) in één typering samengevat te bespreken zijn? Hoe benoemen we deze manier van kijken naar de zaken van Spinoza?

Iedereen beseft tegenwoordig dat de door Leibniz gegeven typering van 2/7 (“de orde en het verband der ideeën is dezelfde als de orde en het verband der dingen”) als 'parallellisme' niet adequaat is. Maar bij gebrek aan een betere typering gaan de meeste uitleggers van Spinoza toch over tot het gebruik ervan. Zo deden recent ook Michael Della Rocca in zijn Spinoza-boek, en Steven Nadler in zijn Ethica-boek het: eerst aangeven wat de bezwaren van ‘parallellisme’ zijn en het bij gebrek aan beter vervolgens toch maar gebruiken, ondanks de verwarring die het teweeg brengt.

Chantal Jaquet deed in haar lezing een pleidooi om voor de samenhang van ideeën en hun betreffende object de term te gebruiken die, zoals zij het zag, door Spinoza zelf werd gehanteerd. Zij gaf diverse plaatsen aan waarbij Spinoza voor die samenhang de term gelijkheid (equalitas, égalité, equality) gebruikte: lichaam en geest zijn gelijk. [Voor die verwijsplaatsen wachten we op de te zijner tijd te verschijnen Mededelingen]. 

______________________
Ter aanvulling hier toch enige van de belangrijkste bewijsplaatsen waar Chantal Jaquet naar verwees (het heeft geen zin ze in het Engels te geven, ik heb ze opgezocht via Gebhardt en geef er de vertalingen van Henri Krop bij):

Hinc sequitur, quod Dei cogitandi potentia aequalis est ipsius actuali agendi potentiae [2/7c] [Hieruit volgt dat Gods vermogen om te denken gelijk is aan zijn actuele vermogen tot handelen].

Sed mentis conatus seu potentia in cogitando aequalis et simul natura est cum corporis conatu seu potentia in agendo [3/28d] [Welnu het streven van de geest of zijn denkvermogen is van nature gelijk aan – of valt samen met – het streven of het handelend vermogen van het lichaam].
________________________

Maar loop je zo niet gevaar dat met die term, 'gelijkheid', als het ware de eenheid (als identiteit) teveel wordt gesuggereerd en dat het attributieve verschillend-zijn teveel uit beeld verdwijnt? Komt voldoende het besef mee dat het om een speciale vorm van ‘gelijkheid’ gaat? Bijvoorbeeld zoals voor de opvatting “voor de wet is iedereen gelijk”, iedereen direct beseft dat daarin niet beweerd wordt dat iedereen volstrekt gelijk is – identiek is. In het geval van ‘equalitas de jure’ gaat het dus meer om ‘gelijkwaardigheid’ en niet om letterlijke gelijkheid in alle aspecten.

Zo ook moet bij Spinoza’s (veronderstelde) ‘gelijkheids-these’ van lichaam en geest (die in de plaats van ‘parallellisme-these’ zou moeten komen), wel de ‘attributieve differentie’ erbij meebegrepen worden, zodat voorkomen wordt dat het als een identiteits-these wordt gelezen.

En dat laatste gevaar bestaat wel – ik heb op dit weblog diverse voorbeelden ervan gegeven, hoe dat soms gebeurt [b.v. prof. dr. mr. Herman Philipse [cf]; prof. dr. Wilhelm Vossenkuhl en prof. dr. Harald Lesch stellen simpelweg: denken = materie [cf]. Meerdere malen protesteerde ik tegen de vertaling “de uitgebreide modus en de denkende modus zijn eveneens één en hetzelfde” (E3p2s), in plaats van: “de uitgebreide modus en de denkende modus zijn eveneens één en hetzelfde ding.” [vele blogs, bv deze]

Samengevat:

De term parallellisme benadrukt het verschillend-zijn (en gelijk opgaan) van het lichamelijke en ideële/geestelijke en heeft te weinig oog voor de eenheid – het zijn van één ding.
De term gelijkheid benadrukt de eenheid, maar zet wellicht te weinig op het spoor van verschillend-zijn.

Mijn conclusie: de gelijkheids-these in de plaats laten komen van de parallellisme-these verdient in beginsel een warm onthaal. Chantal Jaquet verdient sympathie voor haar pleidooi, want het is goed dat de teveel ingeburgerde parallellisme-these eens ferm wordt bekritiseerd. Maar, gezien het aanklevende bezwaar (van te weinig differentie) bij het alternatief ‘gelijkheids-these’, moeten we vaststellen dat nog steeds niet dé kort-samenvattende typering gevonden is. We blijven vele woorden nodig hebben.

                                                  * * *

Voortschrijdend inzicht?

In de pauze liet Filip Buyse, die ik tot mijn vreugde weer eens aantrof bij een bijeenkomst van de VHS, mij dit boekje even zien:

Chantal Jaquet, L'unité du corps et de l'esprit: Affects, actions et passions chez Spinoza [Presses Universitaires de France – PUF, 2004] 

Daarin komt (voor zover ik dat snel kon zien en ook nog even inkeek bij Amazon) de term egalité of equalitas niet voor.  

Reacties

Parallellisme
Ik was ook aanwezig en vond de lezing interessant, maar was tegelijk ook wat teleurgesteld in mijn verwachting. Beter gelijkheid dan parallellisme, akkoord, maar ik ben niet zoveel wijzer geworden inzake het begrijpen van de lichaam-geest relatie. Een van de vraagstellers vergeleek de gelijkheid met het deeltje-golf dualisme, maar dit vond ik nu een vergelijking die de zaak alleen maar moeilijker maakt. De spreker verwees naar het voorbeeld dat Spinoza zelf geeft: een cirkel onder het attribuut van het denken en een cirkel in de uitgebreidheid zijn hetzelfde ding. Ik heb het daar moeilijk mee: een cirkel in het denken is perfect; deze in de uitgebreidheid kan wel die perfectie proberen te benaderen, maar nooit volledig bereiken ( cfr. De allegorie van de grot van Plato: de wereld van de ideeen is de perfecte wereld, de materie is daar slechts een schaduwbeeld van).
Kan iemand me een goed boek/artikel aanraden dat me de denken-uitgebreidheid relatie van Spinoza beter kan doen begrijpen?

Beste Mark, Waar je schrijft "een cirkel in het denken is perfect; deze in de uitgebreidheid kan wel die perfectie proberen te benaderen, maar nooit volledig bereiken" lijkt dat niet erg op hoe Spinoza erover spreekt (en inderdaad verwijs je zelf meteen naar Plato). Als je een reëel getekende cirkel in de uitgebreidheid hebt (een actuele cirkel), dan is het bijbehorende idee precies zo perfect naar de mate waarin die actueel bestaande cirkel perfect is.
De "cirkel in het denken", zoals jij die noemt, is de definitie van de cirkel, waarmee de essentie van 'wat het is een cirkel te zijn' wordt uitgedrukt. De hele ideeënleer à la Plato kun je hier beter buiten laten.
Voordat je wellicht ooit de beste tip krijgt over een voortreffelijk boek of artikel over de “denken-uitgebreidheid relatie”, heb je misschien in de tussentijd al iets aan SPINOZA’S METAPHYSICS OF THOUGHT van Yitzhak Y. Melamed. Hij heeft geen enkel probleem met spreken over parallellisme en onderscheidt zelfs twee parallellismen: een ideeën-dingen-parallellisme van E2p7 en een inter-attributen-parallellisme van E2p7s, met welk onderscheid hij aardig wat bereikt. Het omvangrijke artikel is gepubliceerd in "Philosophy and Phenomenological Research" (2011) en op zijn website te vinden.
http://philosophy.jhu.edu/bios/yitzhak-melamed/Publications/SpinozaParallelismsMultifacThought.pdf

Ik ben wel heel erg benieuwd naar die verwijsplaatsen van Jacquet! Ik moet ze nog zien. Het lijkt mij niks, die 'gelijkheidsthese'. Wat betekent dat nou als je zegt dat lichaam en geest gelijk zijn of aan elkaar gelijk zijn? Overigens wordt het ENE DING ZIJN van het menselijk individu niet gedefinieerd door het 'parallellisme' (wat ik een uitstekende term vind voor wat in 2/7 wordt uitgedrukt, het probleem is hoe het moet worden toegepast). De modus 'lichaam' kan worden gezien als het menselijk individu onder opzicht van het lichamelijke en de modus 'geest' als het menselijk individu onder opzicht van het geestelijke. Of in termen van Spinoza: het ENE INDIVIDU laat zich kennen ('explicatur') onder het attribuut uitgebreidheid of onder het attribuut denken (zoals dat geval is met substantie en attributen). Dat het lichamelijke en het geestelijke ook nog 'dezelfde orde en samenhang' zouden vertonen, lijkt mij een ander punt (dat er natuurlijk wel mee te maken heeft).

Voor mij vielen bij deze lezing een aantal dingen, waarover ik onlangs al blogte, op zijn plek. Wel denk ik dat het duidelijker zou zijn als de gelijkheid zou zijn gepresenteerd als een isgelijkteken, dus als =. Dus als voorbeeld voor het is een = als uit: E=mC2 Het staat tenslotte in een boek 'ordine geometrico' .

Dan kunnen we ook verder redeneren vanuit het E=mC2. De uitgebreidheid hebben we al: m. Deze is dus gelijkwaardig aan E gedeeld door C2. Jaquet kwam met twee vergelijkingen: lichaam=geest en denken=doen. Doen kost energie, net als denken (maar denken kost waarschijnlijk minder energie, is uiteindelijk 'adequater'). Dus in de formules komt alles samen. We stammen immers uiteindelijk van de sterren af en zijn als sterrenstof onderhevig aan dezelfde wetmatigheden.

Het klinkt misschien eigenwijs, maar het is toch leuk in deze richting te denken? Ik geloof dat Jaquet zelf niet onwelwillend tegenover het idee stond, misschien uit beleefdheid. Het toeval bracht mij dat ik weer zat naast een aardige, bijzondere persoon, in dit geval: Filip Buyse, een 'harde wetenschapper', biochemicus. Zowel hij als Jaquet bestudeerden FRANCIS BACON. Toevallig was ik zelf ook op het spoor van deze vader van het empirisme, gelauwerde leidende geest van de Royal Society, gestuit en zijn methodologisch belang methode voor Spinoza wat betreft de methode om wijs te worden (brief 37 aan Bouwmeester).
Ook Van den Enden heeft in Bacon een voorganger met diens ideeën voor de inrichting van nieuwe koloniën. Zowel Spinoza als van den Enden zullen met de ideeën van Bacon in aanraking zijn gekomen via de kring die samenkwam in het Huis met de hoofden, Keizersgracht Amsterdam.

Mark, dit lijkt misschien wat veel, maar op de wikipedia kun je al veel lezen over Bacon en zijn methode (in New Organon). Volgens mij maakt dit Spinoza's werk makkelijker te begrijpen. Niet dat je dan al meteen bij Einstein bent. N.a.v. een vroeger blog: je begrijpt dan misschien ook meer van Newton en Boyle, hoe deze al zoekend, fouten makend, tot hun theorieën kwamen. Zelf zal ik ook een linkje maken naar Bacon op mijn website www.brnsoc.nl

Beste Margreet,
Je maakt het me vaak erg moeilijk met wat je telkens weer zo 'eigenwijs' bedenkt, omdat het 'zo leuk is in deze richting te denken'. Ik heb wel eens (zoals nu) het gevoel dat je een beetje misbruik maakt van de reactiemogelijkheid op deze blogs en dan zou ik ze soms wel willen wissen (wat ik uiteraard niet doe).
Ik ga inhoudelijk slechts op één ding in: Chantal Jaquet heeft absoluut niet gezegd en zeker niet bedoeld "lichaam=geest". Deze identiteitsstelling heeft ze juist uitdrukkelijk ontkend, zowel tijdens haar lezing als in het nagesprek (zie daarover verder mijn blog). Dat je je eigen potje ervan maakt is tot daaraan toe, maar maak s.v.p. geen eigen brouwsel van wat anderen gezegd zouden hebben.

Henk,
vanwege jouw reactie heb ik het blog aangevuld met enige van de belangrijkste verwijsplaatsen/bewijsplaatsen in de Ethica, waarnaar zij verwees. Ze staan midden in het blog.
(Misschien helpt de Geest van Pinksteren?)

Stan en Henk,
Het zijn 2 mooie verwijzingen van Jaquet. Het gaat er nu om hoe je de termen 'gelijk zijn aan' en 'samenvallen met' moet interpreteren.
1. Als lichaam en geest echt aan elkaar gelijk = identiek zijn, dan kan volstaan worden met één van de twee, en is de ander niet nodig. Dit kan niet Sp.'s bedloeling zijn, want dan kon volstaan worden met het poneren één attribuut, en niet twee, en was 2/p7 een overbodige stelling.
2. Lichaam en geest zijn dus niet aan elkaar gelijk. Sp. heeft daar een goede reden voor: de adequate ideeën. Deze zijn alleen denken en hebben geen lichamelijk correlaat. Waarom? Ze zijn geen ideeën van dingen, maar ideeën van ideeën.
3. De parallellisme-these is dan een kwestie van ordening: lichaam en geest geven hetzelfde weer, maar in een verschillende ordening of rangschikking. Hoe? Een alfabetische encyclopedie (lichaam) en een systematische encyclopedie (geest) hebben exact dezelfde inhoud maar verschillende ordening. De rivier is de bedding en de wisselende waterstroom. De tom-tom geeft op het scherm een plattegrond (lichaam), die overeenkomt met de coördinaten die de satelliet registreert (geest). Ik beweeg me intussen - heen en weer geslingerd door hoop en vrees - voort naar mijn geliefde, en tegelijkertijd veranderen landschap, landkaart en coördinaten. we hebben een intieme relatie met elkaar, maar zijn niet aan elkaar gelijk. Ik weet, deze voorbeelden zijn analogieën, maar ik denk dat de parallellisme-these op gelijksoortige wijze werkt.

Oei, Adrie, meestal laaf ik me aan je college, maar deze keer gaat er volgens mij toch wel wat fout. Op de 'gelijkheid' van Jacquet kom ik nog wel een keer terug.
1. Er zijn mooiere en betere argumentaties, maar soit.
2. Dat adequate ideeën alleen ideeën van ideeën en geen ideeën van dingen zouden zijn, is nieuw voor mij. De dingen die gemeenschappelijk zijn aan alles en zowel in het deel als in het geheel zijn, kunnen alleen adequaat worden waargenomen (2/38) Dat gaat toch niet om ideeën van ideeën? En God is ook geen idee en we kunnen wel een adequaat idee hebben van hem. Maar je bedoelt waarschijnlijk dat er geen lichamelijk correlaat zou zijn voor een adequaat idee. Dat is er wel, maar het is maar hoe je 'lichamelijk' bekijkt. Ideeën zijn geworteld in 'de natuur' van de menselijke geest en 'de natuur' van de menselijke geest correleert met 'de natuur' van het menselijk lichaam. Naarmate de natuur van het lichaam volmaakter is, dat is dat het meer kan enz., in die mate is de natuur van de geest volmaakter, dat is, kan hij meer (zie 2/13s). Het lichamelijk correlaat van adequate ideeën maar ook van inadekwate ideeën is de natuur van het menselijk lichaam.
3. Dat lijkt me een anti-parallellisme-these die je poneert.

Henk, eerst Sp.'s definitie + uitleg:
[E2d4] 'Een adequaat idee is een idee dat, op zichzelf en los van de relatie met het object beschouwd, alle wezenlijke eigenschappen en intrinsieke benoemingen van een waar idee heeft.'
[Uitleg] 'Ik gebruik 'intrinsiek' om een extrinsieke benoeming uit te sluiten, namelijk de overeenstemming tussen de idee en het voorgestelde object.'
Nu de toepassing op de gemeenschappelijke noties: ik heb een een stuk land dat een rechthoelkige driehoek is. Als ik de hoeken meet en de drie zijden opmeet, dan heb ik een idee van een object. Daarna zie ik een toren. Ik meet op een afstand, die zodanig is dat de hoek tussen de begane grond en de torenspits dezelfde is als een hoek van het stuk land. Ik meet de lengte van de toren door naar de spits te gaan. De lengte, en de lengte van de twee andere zijden zijn bijvoorbeeld 3/4 van het stuk land, de hoeken zijn dezelfde. Weer een idee van een object. Ik zie een overeenkomst tussen die twee metingen van objecten, en vindt door denkwerk de driehoeksmeting uit. Dat is dus een idee van ideeën van objecten = I (( I (O )) = een gemeenschappelijke notie. Adequate ideeën - ook gemeenschappelijke noties - zijn dus ideeën van ideeën die alleen indirect een relatie met een onject hebben, namelijk via de ideeën van objecten.

Dat lijkt me een nogal idiosyncratische uitleg. Ik heb nog nooit ergens gelezen dat adequate ideeën of gemeenschappelijke noties 'per definitie' ideeën van ideeën zijn. Komen niet alle ideeën via denkkracht voort uit andere ideeën? Jouw idee van de driehoeksmeting is niet een idee van die andere twee ideeën. Barker zei het meen ik al: een idee van een idee voegt niets aan een idee toe en Spinoza laat ze samenvallen.

Henk,
1. Volgens Sp's definitie 2/d4 dient een adequaat idee los van zijn object beschouwd te worden, zie de uitleg die hij erbij geeft.
2. De eeuwigheid van de geest (5/p23) bestaat uit een bundel adequate ideeën, dus los van het lichaam (afleiding door Nadler: Sp's'heresy, Ch.4).

Maar daarmee is het nog geen idee van een idee en daar ging de discussie over.

PS: Dat een idee qua adequaatheid los van zijn object (ideatum)beschouwd wordt, wil niet zeggen dat dat object er niet is.

Stan, het spijt me. Ik geloof dat ik de mores van het bloggen niet goed begrijp. Maar ik vond mijn reactie wel relevant. Ik zal het idee aan Filip Buyse, de mentor van Jaquet, voorleggen.

Henk,
1. TIE33-37 behandelt ware ideeën als ideeën van ideeën; TIE38 stelt dat de 'methode [naar de ware ideeën] niets anders is dan reflexieve kennis, d.w.z. een idee van een idee'. Br60 stelt dat er geen verschil is tussen een waar en een adequaat idee.
2. E2p24d (laatste regel) zegt dat we een inadequaat idee hebben van iets dat buiten mijn geest veroorzaakt wordt. Omdat we alleen inadequate en adequate ideeën hebben, en omdat inadequate ideeën buiten mijn geest veroorzaakt worden, kan je daaruit concluderen dat adequate ideeën uitsluitend binnen mijn geest veroorzaakt worden, dus ideeën van ideeën zijn.
Conclusie: ik blijf erbij dat adequate ideeën alleen ideeën van ideeën zijn, maar moet toegeven dat Sp. zich hier niet helder, en alleen indirect, over uitlaat.

Adrie, we moeten er maar een eind aan breien. Het is al lang geleden dat ik de TIE gelezen heb en ik denk dat de Ethica voorrang heeft. Ik kan in E2p24d niets vinden van wat je zegt. Maar ik wil eindigen met een citaat uit 2/43d. Dat gaat over de stelling dat wie een waar idee heeft ook weet hij een waar idee heeft.
"Laten we stellen dat er in God, in zover hij zich verklaart door de natuur van de menselijke geest, een adequaat idee A is. ........... ... dus de idee van de idee A moet zich op dezelfde wijze tot God verhouden, d.w.z de adekwate idee van idee A zal in de geest zelf zijn die de adequate idee A heeft; met als gevolg dat wie een adekwaat idee heeft, anders gezegd wie een zaak werkelijk kent, tegelijkertijd een adekwaat idee moet hebben, ofwel een ware kennis, van zijn kennis, d.w.z. hij moet tegelijkertijd zeker zijn.'

De adekwate idee van idee A maakt alleen dat ik er zeker van ben dat ik adequate kennis van A heb. Ik begrijp je niet. Dus als de mens adekwate kennis van het eeuwige en oneindige wezen van God heeft (2/47) heeft hij geen adequate kennis van het eeuwige en oneindige wezen van God, maar van de idee van het eeuwige en oneindige wezen van God.

Volgens mij verwar je dat een idee voortkomt uit een idee met een idee van een idee.

Ik voel mij zelf niet sterk genoeg om een uitspraak te doen of Spinoza de "idee van ideeen" al dan niet erkent, maar in het artikel dat Stan me hierboven aanraadde gaat Yitzhak Y. er in ieder geval van uit dat Spinoza dat wel degelijk doet.
Maar wat je oorspronkelijke stelling betreft dat je parallellisme niet door gelijkheid mag vervangen, geef ik je gelijk. Het parallellisme heeft betrekking op de orde van de dingen, niet op hun wezen. In deze tijd van ICT durf ik nog een alternatief formuleren voor parallellisme: 1-op-1 mapping. Deze term gebruikt men wanneer men twee systemen wil laten communiceren die gelijkaardige data bevatten maar met verschillende benamingen/structuren.

Mark, Spinoza erkent wel 'idee van een idee', maar hij zegt niet dat een adekwaat idee een idee van een idee is. 'Idee van idee' heeft bij Spinoza een beperkte, 'technische', betekenis. Zij is de idee die maakt dat je weet dat je weet (2/21s achteraan) of dat je zeker weet (2/43d). Spinoza zegt wel dat het tot inadequate ideeën leidt als het denken over de dingen van buitenaf, door de toevallige ontmoeting met de dingen, wordt bepaald (2/29s, ik denk dat Adrie daar op doelt) en ook dat je tot heldere en onderscheiden ideeën kunt komen als het denken van binnenuit bepaald wordt, maar hij noemt dit geen ideeën van ideeën. Die betekenis heeft deze term niet b ij hem. Zo zit het althans volgens mij in elkaar.

Henk,
Ik denk dat Sp. in 2/29+s twee soorten ideeën van ideeën onderscheidt, namelijk inadequate en adequate i.v.i:
1. i n a d e q u a t e , bij erratisch nadenken over incidenten. Spinoza noemt dit 'op uiterlijke wijze ... aangezet worden een en ander te bestuderen''. Hier werkt de geest volgens het associatie-mechanisme, zie 2/18s: je hoort het woord 'appel' (geluid), en je denkt aan een vrucht; je ziet de sporen van een paard in het zand, en je denkt aan een ruiter, vervolgens aan een soldaat, allemaal inadequate ideeën van ideeën.
Conclusie: Je hebt dus gelijk dat er ook inadequate ideeën van ideeën bestaan, namelijk die i.v.i die werken via het associatie-mechanisme. Inadequate ideeën zijn bijgevolg zowel ideeën van objecten als ideeën ideeën van ideeën.
2. A d e q u a t e , 'op innerlijke grond', 'wanneer de geest innerlijk beïnvloed ... een aantal dingen tegelijk bestudeert', dan beschouwt hij de dingen 'helder en onderscheiden', namelijk door het verstand. Sp. zal dat 'verderop bewijzen', naar ik aanneem de notiones communis in 2/p37-39.
C o n c l u s i e s: 1. de adequate ideeën zijn noodzakelijk allen ideeën van ideeën en niet ideeën van objecten, om de eenvoudige reden dat ideeën van objecten altijd inadequate ideeën zijn. 2. adequate ideeën ontstaan door zuiver verstandelijk denken, en niet via het associatie-mechanisme van de inadequate ideeën van ideeën. 3. het ware idee van 2/p43d, dat je aanhaalt in je vorige reactie, is volgens TIE38 een idee van een idee. M.a.w. als 2/p43d spreekt over 'ideeën van ideeën', dan spreekt het over ideeën van ware = adequate ideeën, dus over ídeeën van ideeën van ideeën van objecten, in notatie: i ( i ( i ( O ))).

OK Adrie, maar noem me 1 plaats in de Ethica waar Spinoza met evenzoveel woorden zegt dat adequate (ideeën van ...) ideeën van ideeën van zijn en als dat niet lukt, 1 plaats in de Ethica waar Spinoza op zijn minst een associatie geeft van adequate ideeën en ideeën van ideeën. En als dat niet lukt, begeef je je met je stellingen toch wel op heel glad ijs.

Vooruitlopend op de nog in druk te verschijnen lezing van Chantal Jaquet, "From Parallelism to Equality", wil ik onder verwijzing naar het blog, hier intussen kwaijt dat die toch beter zou kunnen gaan over: "From Parallelism to Equivalence."