Spinoza vond zijn argumenten tegen teleologie al bij Aristoteles

Voor wie, zoals ik, reeds vele malen – genietend - de Appendix bij deel I van de Ethica heeft gelezen, zoals we die ook weer twee zaterdagen terug lazen voor de eerste Spinozahuis-bijeenkomst over de Ethica, is het verrassend op een dag de argumenten van Aristoteles vóór teleologie in de natuur te lezen. Alvorens met die argumenten te komen geeft Aristoteles eerst de visie volgens welke alles een zaak van toeval en noodzakelijkheid is; ik zal die zo citeren. “Een dergelijke gedachtengang geeft ons te denken,” besluit hij. Wel, dat is Spinoza nog eens gaan doen.

Spinoza geeft in die schitterende Appendix (ik vind het een van zijn mooiste teksten) argumenten tegen de doelgerichtheid in de natuur: de algemeen voorkomende bevooroordeelde veronderstelling dat alles in de natuur, net als de mensen zelf, gericht is op een doel. Het is aardig hoe hij daarbij gebruik maakt van de argumenten en gedachtengang van Aristoteles. De analogie met de menselijke ambachtsman, bijvoorbeeld, die Aristoteles kennelijk een sterk argument pro teleologie achtte, haalt Spinoza onderuit.
Maar nogmaals, het is aardig om te zien hoe ook de denklijn tégen teleologie al grotendeels door Aristoteles is geschetst. Het zou tot Spinoza, en nog meer tot Darwin duren voor dit de wetenschappelijke lijn werd.

Aristoteles schrijft 

Waarom zouden we veronderstellen dat de natuur handelt ‘omwille van’ iets en ter wille van wat beter is? Waarom zou niet alles zo zijn als regen? Zeus laat het regenen, niet om het graan te laten groeien, maar noodzakelijkerwijs. Immers, de damp die is opgestegen moet wel afkoelen en, eenmaal afgekoeld, in water veranderen en neervallen. Dat het graan groeit wanneer dat is gebeurd, is louter een bijkomstig gevolg daarvan. Evenzo, als iemands graan gaat rotten op de dorsvloer, is het niet omwille daarvan dat het geregend heeft – opdat het graan zou gaan rotten; dat gebeurt gewoon als bijkomstig gevolg. Dus waarom zou het met de onderdelen van de natuur niet net zo gesteld zijn? Dat de voortanden noodzakelijkerwijs scherp en geschikt worden om te bijten, de kiezen breed en geschikt om voedsel te kauwen, niet omwille daarvan, maar dat dat gewoon een gelukkig toeval is? En dat zou evenzeer gelden voor de andere delen waarin een gerichtheid op een doel aanwezig lijkt te zijn. Met als gevolg dat, waar alle delen als bijkomstigheid optraden alsof ze omwille van iets waren ontstaan, het deze dingen waren die bleven voortbestaan, doordat ze door het toeval op geschikte wijze in elkaar gezet waren; de delen waarvoor dat niet gold, gingen verloren (zoals Empedocles zei dat de menshoofdige kalveren stierven).
Een dergelijke gedachtengang geeft ons te denken (..) Toch is het onmogelijk dat het met de dingen zo zou zijn gesteld.
(Aristoteles in Physica, II.8198 b 17-34; geciteerd in John L. Ackrill, Aristoteles, Historische Uitgeverij, Groningen, 2000, blz. 63)

 Zo moet er veel meer Aristoteles in Spinoza zitten.
Dit boek van Manzini over Spinoza´s lezing van Aristoteles, dat ik eerder signaleerde, wordt aldus door de uitgever getypeerd
"Het gezag van Aristoteles heeft niet veel gewicht voor mij," zegt Spinoza aan Hugo Boxel. Maar dit wantrouwen van autoriteit doet niets af aan het feit dat Aristoteles na Descartes de tweede meest door Spinoza geciteerde auteur is. De ontdekking van de uitgave van de complete werken van Aristoteles die door Spinoza is gebruikt, staat voor het eerst toe conclusies te trekken op basis van een lezing uit de eerste hand. Frederick Manzini toont met dit gereedschap de noodzaak om opnieuw de betrekkingen tussen de twee filosofen in al hun complexiteit te beoordelen door de systematische vergelijking van de twee systemen. Van de ethiek tot de metafysica via de kennistheorie vormt Aristoteles een gesprekspartners met wie Spinoza voortdurend polemiseert. De Ethica toont zich als de nieuwe Ethica Nicomachea, waar Spinoza eindelijk de universele, eerste, ware en zekere principes van hoopt aan te tonen.”

Volgens de aantekeningen van Ethica-vertaler Henri Krop lijkt Spinoza te reageren op Heereboord´s Meletemata.

Reacties

Aardig, Stan, dat je nog eens het boek van Manzini over Spinoza's lectuur van hem vermeldt en wat 'body' aan deze signalering geeft door een mooi citaat uit de PHYSICA [niet 8198 maar 198!] . Dat je in dit verband mijn hoofdstuk over Aristoteles in SPINOZA CLASSICUS (Spinoza contra Plato, Aristoteles, Socrates en Zeno of verwerping van speculatieve wijsbegeerte) niet vermeldt, is misschien terecht, omdat ik daarin nogal veel hooi op mijn vork nam van de complexe materie en ik niet nog eens weergaf wat ik daarover eerder had gepubliceerd. Op dit eerdere wilde ik je hier echter toch wijzen omdat het aansluit bij de door jou behandelde problematiek. In mijn boek VOORBESCHIKKING. DE WETENSCHAPPELIJKE FILOSOFIE (Nijmegen: Markant 1989) ben ik uitgebreid ingegaan op de kwestie van Aristoteles' finalisme: p. 126-135. Ik heb Manzini niet aangeschaft omdt ik toch geen tijd heb om het te lezen. Maar ik ben wel benieuwd naar een leesverslag.