300 jaar geleden voerden Dortous de Mairan en Malebranche een correspondentie over Spinoza

In dit blog de fraaie samenvatting en kritische beschouwing van Johannes van Vloten in een bijlage in zijn boek Benedictus de Spinoza (2e druk 1871) van de briefwisseling die deze Franse geleerden van  sept. 1713 t/m sept 1714 met elkaar hadden over Spinoza. Eerst stel ik de protagonisten voor:

Jean-Jacques Dortous de Mairan (1678 - 1771), was een Frans geofysicus en astronoom. Hij was lid van verschillende wetenschappelijke verenigingen en instellingen en deed enkele belangrijke ontdekkingen op het gebied van astronomie en biologie. De Mairans observaties en experimenten leidden ook tot het begin van wat heden bekendstaat als het circadiane ritme. In 1743 werd hij verkozen tot lid van de Académie française. Hij overleed 20 februari 1771 in Parijs op 92-jarige leeftijd aan een longontsteking.[Tot zover nl.wikipedia]. De Engelse voegt daar nog aan toe dat Malebranche zijn docent was: “De Mairan attended college in Toulouse from 1694–1697 with a focus in ancient Greek. In 1698 he went to Paris to study mathematics and physics under the teachings of Nicolas Malebranche.” [en.wikipedia] En in de Franse vinden we een verwijzing naar deze correspondentie: Méditations métaphysiques et correspondance de N. Malebranche avec J.-J. Dortous de Mairan sur des sujets de métaphysique (1841). Heruitgegeven als Nicolas Malebranche: Correspondance avec J.-J. Dortous de Mairan. Paris, Vrin, 1947. [fr.wikipedia]

Nicolas de Malebranche (1638 - 1715) was een Frans cartesiaans filosoof. Malebranche was van oorsprong een oratoriaans priester die de discussie aanging met zijn tijdgenoot Antoine Arnauld over theologische en metafysische vraagstukken. Hij heeft met Blaise Pascal gemeen dat zijn werk zich kenmerkt door fraai proza. Hij was goed bekend met het werk van René Descartes en uitte er veel kritiek op. Hij kon zich niet vinden in Descartes' voorstelling omtrent de relatie tussen lichaam en geest. Hij verwierp de opvatting dat lichamen een intrinsiek vermogen bezitten om ons en elkaar te beïnvloeden als bijgeloof, en verdedigde daarentegen de theorie van het occasionalisme.

Volgens Malebranche is wetenschap geworteld in a priori metafysische beginselen en is er onderscheid tussen de rationeel bevattelijke essentie en de empirisch waarneembare eigenschappen van dingen. Echter, om invloedrijk te kunnen zijn, kwam Malebranche te laat. Het cartesianisme werd reeds overschaduwd door het werk van Spinoza en Gottfried Wilhelm Leibniz en was met wisselend succes aangevallen door empiristen als Thomas Hobbes en John Locke. [aldus nl.wikipedia]

Hun correspondentie over Spinoza
Welnu, zoals we zodadelijk in de beschrijving van Van Vloten kunnen lezen, was het J.-J. Dortous de Mairan die de correspondentie met zijn leermeester N. Malebranche begon. Deze correspondentie van elk vier brieven gespreid over een jaar, ging geheel over Spinoza en is in 1841 uitgegeven in:

Nicolas Malebranche, Méditations métaphysiques et correspondance avec J.-J. Dortous de Mairan sur des sujets de métaphysique publiees pour la premiere fois sur les manuscrits originaux. Paris, H. Delloye, 1841 [books.google, rechtstreeks naar deze correspondentie]

Van Vloten had de brieven aangetroffen in Cousins Fragments de philosophie Cartésienne, p. 262 – 348. De bespreking van deze correspondentie vormde het begin van zijn bijlage IV SPINOZA DOOR SAISSET BESTREDEN. Voor hij over Saisset begon had hij 't eerst over deze correspondentie (waarvan hier de inhoudsopgave uit bovengenoemd boek).

 

[p. 265] “Er is ons uit de papieren van Pater Malebranche een allermerkwaardigst stelletjen brieven, uit de jaren 1713 en 1714, bewaard gebleven waarin hij met den scherpzinnigen Dortous de Mairan over den door dezen bestudeerden Spinoza handelt, en zich — met meer hevigheid dan goed gevolg ongelukkig — tegen de stellingen kant, door Mairan uit genen te berde gebracht, en hem ter verklaring voorgelegd. Mairan, dien het klaarblijkelijk niet, als den Pater, om uitsluitende handhaving van 't kerkgeloof, maar om grondige doorvorsching der waarheid te doen is, naar zijn inzien in Spinoza's stellingen vervat, laat zich daarbij door de tegenstribbelingen van dien Pater niet uit het veld slaan; maar legt hem, met telkens krachtiger aandrang, zijne bezwaarpunten voor, en houdt, op even beleefden en eerbiedigen als kalmen en welberaden toon, met zijn vriendelijk maar lastig aanzoek, om eene te vergeefs verlangde oplossing, aan. De Pater weet hem blijkbaar niet te helpen, en zoekt zich met enkel uitvluchten en uitvallen van de zaak af te maken. Mairan was begonnen hem meê te deelen, hoe tot dusver zijn eigen geschriften, met die van Descartes, Pascal en Labadie, zijn richtsnoer geweest waren, en hem slechts bevestigd hadden in 't geen een goede opvoeding en de H. Schrift hem hadden bijgebracht; hoe hem daarop echter Spinoza's Ethica in handen gekomen was, en hem — in haar van alle anderen zoo verschillend karakter, haar strenge redeneering en snijdenden vorm — bij de eerste lezing al aanstonds geboeid en tot herlezing en overdenking had uitgelokt. Hoe meer hij haar las, hoe degelijker en vol gezond verstand hij haar vond; terwijl het hem onmogelijk scheen de keten van haar betoogschakels ergens te doorbreken. Hij komt daardoor echter in tweestrijd met zich zelf en met het vroeger zoo geloovig aangenomene, en roept Malebranche om hulp aan, tegen die redeneeringen die hem in de war brengen, maar van welke zijne eerlijkheid hem gebiedt de onwrikbaarheid te erkennen, te gelijk met het vruchtelooze der pogingen, door anderen tot wederlegging in 't werk gesteld. „Ik heb (schrijft hij) de zoogenoemde wederleggingen, [266] die men er tegen heeft uitgegeven, gezien; zij doen echter hoegenaamd niets af. Men verstaat Spinoza niet, en heeft daar óf zelfs de moeite niet eens toe genomen, óf het niet vermocht door gebrek aan juistheid of koelbloedigheid. Wijs gij mij daarom, eerwaarde Pater ! den weg, om uit dien neteligen toestand te geraken, en de fouten, waarin zich Spinoza's betoog verloopt; of liever toon mij den eersten stap, die hem — ik wil 't geloven — in den afgrond gesleept heeft; maar doe dat, wat ik u bidden mag, langs bondigen en zekeren weg. Een ontwijkend of onbestemd. antwoord zou hem (zoo besluit hij) slechts van de wijs helpen; hij acht zich daar echter, bij Malebranches grootheid en juistheid van geest, genoegzaam voor gevrijwaard. Het eerste antwoord van Malebranche, geheel uit de hoogte en met de meest vluchtige pen gesteld, zegt, hoe hij, buiten zijnde, Spinoza's boeken niet ter hand, maar er vroeger een deel van gelezen heeft; dat hem dit echter al spoedig „walgde"; niet alleen om de „afgrijselijke" gevolgtrekkingen, maar ook om de onjuistheid der „zoogenoemde bewijsvoering'', in plaats van hem dan ook helder te vinden, vindt hij hem „duister en vol dubbelzinnigheid." Als huismiddeltjen, doet hij Mairan inmiddels de lezing van zijn eigen Gesprek tusschen een Sinees en een Kristen-wijsgeer aan de hand. Dat middeltjen gaf echter geen baat; Mairan schrijft, hoe hij niet alleen dat Gesprek, maar ook al de overige geschriften van den Pater met de meeste aandacht doorsnuffeld heeft, maar nergens een opmerking gevonden, die Spinoza's bewijsvoering omverstoot; dat deze daarentegen slechts te zegevierender blijkt, naarmate men hem herhaaldelijker leest. Niets komt hem bijv. juister voor dan de toepassing, door Spinoza van zijne bepalingen en axiomen gemaakt. Deze zelf — met name zijne bepaling van God — laten niets-te  wenschen over. Niet dat men (zoo erkent hij) in die Godsbepaling juist het bepaalde kerkelijke Godsbegrip moet zoeken, maar het algemeene denkbeeld van 't onvoorwaardelijk en oneindig bestaan, dat elk in God ziet, is er klaar in uitgedrukt [De opmerking is even juist als belangrijk, en nemen wij er daarom voorloopig reeds aanteekening van]. Onduidelijk en dubbelzinnig is Spinoza volstrekt niet, en noemt hem de Pater thans zoo in zijn schrijven, in Zijne schriften (Medit. II) heeft hij hem vroeger „even nauwkeurig als vermetel" genoemd. Daar echter Malebranche - niet onnatuurlijk - alle rechtstreeksche beantwoording blijft ontwijken, begint Mairan allengs van zijn kant, zijn vrees te betuigen, dat hij Spinoza „onverwinnelijk" zal moeten achten, nu de Pater hem steeds meer van ter zijde zoekt te bestrijden. „Een kwartiertjes lectuurs” (zoo schrijft hij) „ware anders voldoende, hem met zijn eigen wapenen op 't lijf te komen, daar hij reeds in zijn tweede viertal stellingen beginselen vaststelt, met de heerschende kerkleer in strijd. Welk een toovermiddel (zoo vraagt hij) zou er toch over die stuk of wat stellingen zijn uitgestort, dat men niet zeggen kan: ziedaar zijn eerste verkeerde stap, een fout in zijn betoog, een misbruik, een dubbelzinnigheid?" — Zoo duurt de briefwisseling meer dan een jaar lang voort: Mairan, altijd voet bij stuk houdende, om zich de Achilles-pees in Spinoza's stelsel te zien aanwijzen; terwijl hij tevens, op zegevierende wijs, alle Malebranches aanvallen op Spinoza's voorstelling eener oneindige uitgebreidheid, gelijk zijn beweren eener verwarring tusschen dingen en begrippen weêrlegt; Malebranche, zich altijd bij algemeene grieven en ontboezemingen bepalende, en ten slotte in 't…. redmiddeltjen onzer dagen, een misverstand! zijn toevlucht zoekende, [267] daar men (meent hij) elkander schriftelijk zoo moeyelijk omtrent de juiste beteekenis der termen, die men bezigt, verstaat. Mairan, van zijne zijde, zegt het dan ook maar te willen opgeven, en zich voortaan met eene ernstige lectuur van 's Paters geschriften en hem geworden brieven te vergenoegen, die, met hoe weinig goed gevolg ook ondernomen, hem toch nimmer aan zijn erkentelijkheid en eerbied voor den Pater te kort zal laten doen.

Waartoe deze herinnering — Om nu, met Cousin, tot de slotsom te komen, dat de door Mairan gezochte, en door Malebranche niet gevonden fout niet alleen bij Spinoza, maar bij Malebranche en Descartes zelf reeds zat, en men tot Leibnitz moet doordringen om haar te vinden, en tot eene „degelijke weêrlegging" (die gelukkige Cousin!) van Spinoza te komen? Wij zouden dan meer waarde moeten hechten aan de luide — maar ijdele — zegekreet, waarmee de Fransche Eclecticus zijn schoone opmerking voordraagt, of aan de hoog opgevijzelde wijsheid van den Hannoveraanschen veelweter. Ons oogmerk was alleen, onze lezers op de kennismaking voor te bereiden met Spinoza's niet minder zegevierenden, jongeren bestrijder, dien wij ons 't genoegen geven, hun in den persoon van den Parijschen professor Saisset voor te stellen, en die zich. — als wij zien zullen — juist op gelijke wijze, als Malebranche anderhalve eeuw vroeger, aan hem vergrijpt en bij hem te kort schiet. Opmerkelijk mag het dan voorzeker heeten, dat juist Saisset ook (p. 36) die briefwisseling aanhaalt, en Malebranche zijn ontwijkende antwoorden op Mairans bepaalde aanvrage verwijt; terwijl hij tevens met den armen Rotterdammer den draak steekt, die, toen hij Spinoza's betoogreeks te weêrleggen zocht. zich in haar kunstig weefsel maar al te deerlijk verwarde. Hij zelf beweert dan, met het meeste zelfvertrouwen, dat de reden, waarom èn de Pater de zwakke plaats in Spinoza's redeneeringen niet aan kon wijzen, èn die Rotterdammer het slachtoffer zijner vermetelheid werd, alleen daarin bestaat, dat men die plaats niet in deze of gene der Ethica moet willen zoeken, maar dat geheel het stelsel er van uitgaat, en zij daar overal in te vinden is. Des te gemakkelijker, zou men zeggen, haar dan aan te geven, en des te onverklaarbaarder Malebranches huivering. Wij zullen echter weldra zien, wat er van Saissets grootspraak aan is, en of hij, in stede van op zijn beide voorgangers uit de hoogte neêr te zien, zelf — als derde slachtoffer — niet eer een plaatsjen naast hen mag aanvragen, en bepaaldelijk met dien Rotterdammer (Bredenburg) een treffende overeenkomst heeft. Indien toch Malebranche slechts zijns ondanks tot den ontweken strijd geroepen werd, Saisset zien wij er zich juist opzettelijk toe aangorden; en mogen wij het noch als een gelukkig voorteeken, noch van een weldadigen invloed op zijn beschouwing achten, dat hij hoofdzakelijk om Spinoza en, in hem, het Pantheïsme te bestrijden, het werk zijner vertaling en beoordeeling (?) op zich genomen heeft. „Van 't begin zijner loopbaan af", zoo meldt hij ons, „zijn Spinoza en het Pantheïsme zijn voortdurende zorg geweest; overal waar hij te schrijven of te spreken had, altijd en bij elke gelegenheid, heeft hij op de uitbreiding van 't Pantheïsme, en de dringende noodzakelijkheid dien vijand te bestrijden, gewezen. "

[Hierna gaat Van Vlodrop nog geruime tijd door met het bestrijden van Saisset - mij ging het in dit blog alleen om zijn weergave van die correspondentie].