De Spinoza-intoxicated Deleuze

Voor het Deleuze-compendium droeg Wiep van Bunge het hoofdstuk aan over Spinoza. Ik had er op 18 maart 2009 dit blog over. Onder de literatuur vermeldde hij niet het artikel van Robert Piercey, "The Spinoza-intoxicated man: Deleuze on expression" [in: Man and World 29 (1996), pp 269–281]. In dit blog wil ik graag melden dat dit artikel hier op een Russische site als PDF te vinden is.

Dit valt slechts toevallig samen met de verzending vandaag door Jan de Koning van zijn verslag aan de deelnemer van de Spinoza-zomerweek van de inleiding die Jan Snel op dinsdagavond 27 juli 2010 verzorgde over Spinoza en Deleuze.

Mijn interesse in de filosoof Deleuze is aan de nogal matige kant, maar ik waardeer uiteraard zeer dat hij zich uiterst serieus met Spinoza heeft bezig gehouden en dat je van zijn lezing van Spinoza, zoals hij die in twee boeken weergeeft (waarvan ik alleen de 'praktische' las) , wel wat over Spinoza kunt leren. Maar je moet ook oppassen teveel meegezogen te worden in een interpretatie die mogelijk wat van de ware Spinoza afdwaalt.

Het aardige van dit artikel van Piercey is dat hij laat zien dat Deleuze niet alleen a.h.w. in historische zin over Spinoza schreef, maar dat hij zijn eigen filosofie in sterke mate vorm gaf naar die van Spinoza. Piercey geeft om dat te onderbouwen eerst een overzicht van Deleuze’s ontologie, schetst vervolgens in een tweede paragraaf Deleuze’s lezing van Spinoza als ‘expressionist’, en laat in de derde en slotparagraaf zien waarin Deleuze Spinozist is en waarin hij van Spinoza verschilt.

Ik ga niet het hele artikel proberen samen te vatten, maar ga op een aantal onderdelen uit het artikel kort in. De eerste paragraaf over Deleuze’s filosofie is even doorbijten, maar daarna is die over Spinoza zoals gelezen door Deleuze extra interessant. Dé grote bijdrage van Deleuze is dat hij wijst op de beweging van ‘expressie’ van de kracht die God of de Substantie in essentie is, in eerste instantie in de attributen (die hij ziet als het bepalen of determineren van een zekere vorm) en vervolgens van de attributen die zich actualiseren door de productie van modi (die expressie omschrijft hij als actualisatie). Voor zijn eigen filosofie gebruikt Deleuze goed beschouwd dezelfde (drie) soorten (niveaus of ‘velden’) van ontologie en vergelijkbare (twee) bewegingen van expressie (van het ene veld in het andere: waarvoor hij benamingen invoert als differentiation resp. differenciation).

Piercey is van mening dat degenen die Deleuze’s werk over Spinoza hebben overgeslagen, belangrijke delen van zijn expressie-ontologie missen, daar deze geheel volgens de denkfiguur zoals Spinoza die toepaste, is weergegeven.

Het gaat mij te ver om hierop verder in te gaan. Ik volsta met een schema en maak vervolgens enige kanttekeningen bij opmerkingen die Piercey maakt, waar hij verschillen tussen Deleuze en Spinoza waarneemt. Daarin proef ik soms enige afwijking van een juiste weergave van Spinoza.

[1] Spinoza zou de natura naturans zien als ‘het potentiële zijn’ dat zich realiseert of actualiseert in de natura naturata. En hoewel de kracht (= de essentie) van de substantie precies de kracht is om te bestaan (te existeren), zou er toch een verschil zijn tussen het virtuele van Deleuze (dat een vorm van zijn is) en het mogelijke bij Spinoza (dat dan geen vorm van zijn zou vormen?). Ik vraag me af of het Aristotelische onderscheid tussen potentia en act bij Spinoza ingelezen kan worden in zijn denken over natura naturans en natura naturate. Dat mag bij Thomas van Aquino die deze termen ook gebruikte, het geval geweest zijn, maar ik zie niet waar of hoe je bij Spinoza deze denkwijze terugziet. Er is telkens realiteit en er is maar één realiteit; daarin kun je formele, maar geen ontologisch reële onderscheidingen maken (hoewel die onderscheidingen niet alleen een kwestie van het verstand zijn – de werkelijkheid geeft gerede aanleiding voor het maken van het onderscheid en het betreft dus een reëel aspect, maar geen apart ontisch bestaan).

[2] Een verschil zou er zitten in de notie van de grond/de fundering. Voor Spinoza fundeert natura naturans de natura naturata door zichzelf erin uit te drukken. Naarmate alle modi modificaties zijn van de ene substantie zijn ze alle expressies van hetzelfde ‘ding’, waarmee ze dus iets gemeenschappelijks (de eenheid ermee) delen. Bij Deleuze delen de dingen het verschillend zijn: “dat is wat ze gemeen hebben, namelijk dat ze niets gemeen hebben.” Dit klinkt mogelijk ‘welluidend paradoxaal’, maar dient als onzin te worden beschouwd. Het is onzin dat dingen naast elkaar en onafhankelijk van elkaar bestaan en op alle aspecten waarin je ze maar kunt bekijken compleet zouden verschillen.

[3] Het grootste verschil zou erin bestaan dat volgens Deleuze de Substantie verschijnt als onafhankelijk van de modi, terwijl de modi afhankelijk zijn van de substantie, namelijk als van iets anders dan zichzelf. Hoewel Spinoza dé filosoof van de immanentie is, heeft zijn behandeling van de substantie een ‘rest van transcendentie of emanatie’, aldus Piercey. Dit daar Spinoza de Substantie privilegieert t.o.v. de modi. Daar hij Substantie als een zijnde ziet, volkomen anders dan de ‘zijnden’ die hij modi noemt. Beide zijn, maar de eerste heeft méér werkelijkheid want is groter, beter, sterker. “Maar Deleuze accepteert geen hiërarchie,” terwijl voor Spinoza uiteindelijk zijn niet gelijkelijk aanwezig is in alle zijnden en hij Substantie als hoger ziet dan modi. Deleuze wil substantie alleen toekennen aan de modi en geen “realm of particular empirical things to subordinate to anything.” (p. 280)
Maar de Substantie hoort juist niet onder de empirisch waarneembare dingen, maar moet in een metafysica die de héle werkelijkheid wil omvatten, worden begrepen. Verder, als van een ‘rest van transcendentie’ wordt gesproken, moet er wel bij vermeld worden dat het dan om een ander transcendentie-begrip moet gaan, dan het ‘overgaande’. Kenmerken als ‘groter, sterker, méér…’ allemaal mee akkoord, maar niet “er-boven-uit-stijgend-en-er-buiten-komend” – niet die soort van transcendentie. Superieur, ja, transcendent, nee.

Aanvulling 28 dec. 2010

Ontdek zojuist het bestaan van dit boek [cf.]. Lijkt me nuttig aan dit blog toe te voegen.

Gillian Howie: Deleuze and Spinoza. Aura of Expressionism. Palgrave Macmillan, 2002

"Expressionism, Deleuze's philosophical commentary on Spinoza, is a critically important work because its conclusions provide the foundations for Deleuze's later metaphysical speculations on the nature of power, the body, difference and singularities. Deleuze and Spinoza is the first book to examine Deleuze's philosophical assessment of Spinoza and appraise his arguments concerning the Absolute, the philosophy of mind, epistemology and moral and political philosophy. The author respects and disagrees with Deleuze the philosopher and suggests that his arguments not only lead to eliminativism and an Hobbesian politics but that they also cast a mystifying spell.

Preface
Introduction
God
From the Infinite to the Finite
Weak Identity Thesis
The Body and its Passions
The State of Nature
The Blessed State of Reason
Conclusion
Notes
Works Cited
Index

GILLIAN HOWIE is Lecturer in Philosophy at the University of Liverpool.

 

Reacties

'Spinoza intoxicated', yes, but also 'Hume intoxicated'! Dit laatste is helaas minder bekend. Deleuze's eerste grote werk (1953) ging over Hume en werd in 1991 in het Engels gepubliceerd onder de titel EMPIRICISM AND SUBJECTIVITY: AN ESSAY ON HUME'S THEORY OF HUMAN NATURE. Knox Peden schrijft over "Deleuze: form Hume to Spinoza" (Archives internationales d'historie des ideees 198 (1988).Deleuze had een heel goede neus over waar Hume de mosterd had gehaald. Zie mijn DAVID HUME. WETENSCHAPPELIJKE ETHICA VAN EEN OVERTUIGD SPINOZIST (vRIJSTAD 2010).

Ed Romein schreef in het bovenvermelde Deleuze-Compendium over de relatie van Deleuze met Hume. In dat hoofdstuk deze zin die jou, Wim, zal interesseren: "Denkers [Nietzsche en Spinoza] die je normaal niet zou identificeren met het empirisme, blijken bij Deleuze plotseling nauwe verwanten van Hume te zijn."

Voor mijn scriptie ben ik drie tot vier keer begonnen in Deleuze's "Spinoza et le problème de l'expression". De laatste keer had ik, na de teleurstellende eerdere pogingen, me heilig voorgenomen om als enige doel te hebben 'een lijn' te ontwaren, maar ik zie nu dat de boekenlegger en de potloodonderstrepingen zijn blijven steken op p. 62. (opgegeven) Inhoudelijk begint het al problematisch met de afstand tussen substantie en attributen (zie ook je stroomschema), maar dit terzijde. Ik kan me wel vinden in Wim Klevers negatieve qualificatie in het vorige blog over dit onderwerp. Het boek van Deleuze is een handelsuitgave van zijn proefschrift. Veelzeggend is wat ik ergens bij Pierre Macherey las: dat in geen enkel later geschrift van Deleuze over Spinoza ook maar één keer gerept wordt over het verschijnsel 'expression'. Zo belangrijk zal het dus niet geweest zijn.

PS: Ik had het boek van Deleuze 'een warrig verhaal' moeten noemen (met dank aan Wim Klever).