Jan Frederik Helmers (1767 – 1813) bezong Spinoza

Wie kent nog deze Nederlandse in Amsterdam geboren dichter, anders dan als naamgever in Amsterdam van de Eerste, Tweede en Derde Helmersstraat? Anders dan hij zelf had vermoed, werd hij tamelijk snel vergeten. P.J. Blok en P.C. Molhuysen schrijven in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (1930): “wanneer hij, Vondels, Hoofts en Bilderdijks taal lovende, van zich zelf gewaagt: ‘En als dan 't nageslacht die Godenzonen roemt, Wordt, schoon op lager toon, ook daar mijn naam genoemd.’ Een overdrijving en overschatting uit gebrek aan smaak en zelfcritiek, die het meeste werk van H. kenmerkt.” [bij DBNL]

Maar goed, daar, midden in de vijfde zang van zijn De Hollandsche natie (1812) deze strofe die hem op deze Bevrijdingsdag via dit weblog weer even aan de vergetelheid ontrukt:

En Gij, nog door geen zang der Hollandsche Poëten
Geroemd! Spinoza! neen, U wil ik niet vergeten!
Gij rein van zeden, vroom van wandel, zacht van hart,
Verdient de hulde van de Vaderlandschen Bard.

Naast dichter was de zeer belezen Helmers een rijk zakenman – of eigenlijk was het natuurlijk andersom: een zakenman die ook dichtte. In zijn gedichten uitte hij bewondering voor de Renaissance en Voltaire. Hij was een man van de Verlichting. Vanaf 1805 gaf hij, samen met zijn zwager Cornelis Loots (1765–1834), uiting aan vaderlandse gevoelens en bracht hij patriottische poëzie.

Knuvelder schrijft: Helmers zag in de oude republiek het waarachtige Nederland, welks val hij in 1795 betreurde in een Lijkzang op het Graf van Nederland: onder de leuze van vrijheid hebben heerszuchtigen uit de heffe des volks het Nederlandse volk misleid. Blijft hij al geloven in de Verlichting, bovenal vervult hem de ellendige toestand van het vaderland. Maar naarmate de actuele toestand hem somberder stemt, naar die mate ook verdiept hij zich, als romanticus avant le date, in het nationale verleden, om daar voor zich en zijn volk troost en steun voor gedachten- en gevoelsleven te zoeken. Als resultaat van meer dan tien jaar studie en arbeid, verschijnt in 1812 het gedicht in zes zangen De Hollandsche Natie. De tijd der mateloze zelfoverschatting was sinds lang voorbij. Het laatste decennium der achttiende eeuw had een zelfinkeer, een onderzoek naar eigen waarde en zelfs een aanklacht tegen eigen onwaarde gebracht. Het is tegen deze geest van kleinmoedigheid en moedeloosheid, die in de aanvang der negentiende eeuw ons volk beheerste, dat Helmets reageert door uitvoerig te wijzen op het glorieus verleden en het roemrijk voorgeslacht. Jammer genoeg is dit gedicht - enigermate te vergelijken met Arthur van Schendels De Nederlanden, van 1946 - geschreven in de conventionele, „brommende" dichtertaal dier jaren. Men kan er breedheid noch kracht aan ontzeggen, maar men kan het als poëzie niet zeer bewonderen. Bepaalde gebeurtenissen zijn zeer breedvoerig berijmd - het zijn de best leesbare onderdelen van het gedicht -, andere worden dot en onbewogen opgesomd; lofhymnen op Nederlandse grootheden worden afgewisseld met vervloekingen van buitenlanders. Zo werd het geheel een vrij rhetorische, compositorisch slecht sluitende, onvolledige cultuurgeschiedenis op rum, geschreven met meet bewondering dan begrip, waarin blijvende waarde slechts hebben de passages, waar het opgewonden gepraat over de dingen wijkt voor het beeld der dingen zelf. Het geheel bewondert men dan ook minder als poëzie dan als daad van verzet. Illegaal was dit gedicht in hoge mate; de censuur schrapte er stevig in, hetgeen niet afdoende bleek: toen echter de politie in Februari 1813 met een keizerlijk bevel arriveerde om Helmets gevangen te nemen en naar Parijs te doen opzenden, kon Loots haar slechts wijzen op het lijk van zijn zojuist gestorven zwager." [Uit Gerard Knuvelder: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van de aanvang tot heden. L.C.G. Malmberg, ’s Hertogenbosch, 1950,  Derde deel, blz. 130-132] 

 

De eerste zang van De Hollandse natie bezong de zedelijkheid; de tweede zang de heldenmoed ter land; de derde zang heldenmoed ter zee; de vierde zang zeevaart; de vijfde zang de wetenschappen (waaronder Huygens, Boerhave, Erasmus, De Groot, Stevin en ook Spinoza); de zesde zang de schone kunsten. Z’n werk werd postuum verzameld en uitgegeven.  

 

                                                * * *

Hier de eerste strofe uit de eerste zang en vervolgens een aantal uit de vijfde zang (over de wetenschappers), waarin ook die strofe over Spinoza

 

Ik juich! geen hooger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland! ben op uw' grond geteeld,
Dat van den heldren glans die van u af mogt stralen,
Een nietig sprankjen, op mijn' schedel af mag dalen.
Dat ik ook deel in de eer, den roem dien 't voorgeslacht,
't Verbaasd Euroop' ten trots aan ons ten erfgoed bragt.
'k Zweer bij dat erfdeel, bij de trouw en deugd der vaderen,
Dat steeds de dankbaarheid zal gloeijen in mijne aderen.
Ja! 'k blijf, ô Vaderland! tot aan het uur des doods,
Als Nederlander op dien schoonen eernaam grootsch. -

 

[…]

Hier staat Stevin ter zij van Neêrlands grootfte held,
Daar hij het Statenheir op zijnen hoefslag stelt,
En Nederlands Vauban slaat hier een' gordel schansen,
Om onzen ringmuur heen, met bolwerk, mijnen transen,
Waar achter d'overvloed een lucht van rozen kweekt,
En Mavors donder sterft, waar onze Koehoorn spreekt.

Had ik, ó Vondel! thans uw Geestkracht; kon ik zingen;
Hoe zou der vaadren roem elk volk in d'ooren dringen!
Hoe galmde en bosch en vliet mijn stoute zangen na,
Voor Bekker, Aldegonde, Armijn en Venema.

Mogt niet de Wijsbegeerte, in Hollands zachte linden,
(Verdreven van heel d'aard') een schuts en wijkplaats vinden?
Descartes dacht hier aan den Amstel, op wiens grond
Zijn brein het eerst de wis- en stelkunst zaam verbond.

En Gij, nog door geen zang der Hollandsche Poëten
Geroemd! Spinoza! neen, U wil ik niet vergeten!
Gij rein van zeden, vroom van wandel, zacht van hart,
Verdient de hulde van den Vaderlandschen Bard.

Hoe ruisschen in mijn oor hier de Idumeesche palmen!
'k Hoor, Schultensen, uw lof, door 't loof der Cedren galmen;
Gij voert me in 't dor gewest, ik rust aan Kifons vloed,
Waar 't kroost van Ismaël zijn Kemels drenkt en voedt,
En van zijn' hengst verzeld, die nooit hem 't spoor doet missen,
De onmeetlijkheid doorrent dier eeuw'ge wildernisfen.

Wie heeft geleerdheid eerst ontslagen van den band?
De kennis aangebragt? Gij waart het Nederland.
Met stouter golfslag ruischt de Rotte! doet zich hooren!
De groote Desideer is aan haar zoom geboren!
En Hellaas wetenschap, den Bosphorus ontvlugt,
Doet hij herbloeijen in de Vaderlandsche lucht.

[Bij books.google het hele gedicht]

Reacties

toevallig vond ik nog een boek van deze dichter, nachtergelaten gedichten uit 1814 eerste druk, ik vroeg mij af of dit boek nog enige waarde vertegenwoordigt.

Het zal om "Nagelaten gedichten" gaan? Oude boeken die bewaard gebleven zijn vertegenwoordigen altijd enige waarde, maar hoeveel dat is? Wat de gek er voor geeft wellicht? Geen idee.