Lev Shestov (1866-1938) en zijn haat-fascinatie verhouding met Spinoza

De Russisch-joodse existentialistische filosoof, Lev Shestov (ook: Leo Sjestow), is vaak gezien al een irrationalist, een anarchist of een religieus filosoof. Veel van zijn thema’s waren geïnspireerd door Nietzsche tot hij later een diepere inspiratie in Kierkegaard vond. Hij was bevriend met Martin Buber, Edmund Husserl en Nikolai Berdyaev (Berdjajew).

Een diepgaande kritiek had hij op de Westerse filosofie. Hij zag die als een strijd tussen Rede en Geloof, tussen Athene en Jerusalem, tussen seculariteit en religie. Hij ondernam, wat hij noemde, een “pelgrimage naar de zielen” van grootheden als Tolstoy, Dostojevsky, Blaise Pascal, Descartes, Plotinus, Plato, Luther en ... Spinoza.

Nikolai Berdyaev  (Berdjajew) , zijn levenslange vriend met wie hij vele intense gesprekken voerde, beschreef Shestovs ambivalente, ja haat-liefde-houding tegenover Spinoza in een essay THE  FUNDAMENTAL IDEA OF THE PHILOSOPHY OF LEV SHESTOV, waaruit hier een stukje:

Lev Shestov was a philosopher, who philosophised with all his being, and for whom philosophy was not an academic specialisation, but rather a matter of life and death. He was consistent of mind. And it was striking, his independence from the surrounding tendencies of the times. He sought God, he sought the liberation of man from the forces of necessity. And this was his personal problem. His philosophy belonged to the existential type of philosophy, i.e. it did not objectify the process of knowledge, it did not tear it asunder from the subject of knowing, it tied it together with the integral judgement of man. Existential philosophy signifies the remembrance of the philosophising subject, who incorporates existential experience into his philosophy. This type of philosophy presupposes, that the mystery of being is comprehendible only within the human existential condition. For Lev Shestov the human tragedy, the terrors and suffering of human life, the surviving of hopelessness, were all at the basis of philosophy. It ought not to be exaggerated as something new, that which they term existential philosophy, or that it derives from certain currents of contemporary German philosophy. This element is something possessed by all genuine and noteworthy philosophers.

Spinoza philosophised via a geometric method and his philosophy can produce the impression of being a cold objective philosophy. But philosophic knowledge was for him a matter of salvation, and his amor Dei intellectualis in no way belongs to objective scientific-form truths. By the way, the attitude of L. Shestov towards Spinoza was very interesting. Spinoza was his enemy, one with whom he struggled all his life, as though a temptation. Spinoza -- was representative of human reason, a destroyer of revelation. And at the same time, L. Shestov very much loved Spinoza, constantly he had him in mind, and often he quoted him. In his final years, L. Shestov had a very remarkable encounter with Kierkegaard. He earlier had never read him, he knew him only by hearsay, and did not even consider perchance the influence of Kierkegaard on his thought. But when he read him, he became then deeply agitated, he was struck by the closeness of Kierkegaard to the fundamental theme of his life. And he came to number Kierkegaard among his heroes. His heroes were Nietzsche, Dostoevsky, Luther, Pascal and the Biblical heroes -- Abraham, Job, Isaiah. Just as it was with Kierkegaard, the philosophical theme of L. Shestov was religious, and just as with Kierkegaard, his chief enemy was Hegel. He went from Nietzsche to the Bible. And he all the more and more turned himself to Biblical revelation. The conflict of Biblical revelation and Greek philosophy became a fundamental theme of his pondering. [Hier - blijjkt aldaar verdwenen, essay naar hier verplaatst]

Shestow schrijft op zijn beurt in een artikel over Nikolai Berdyaev: “When Spinoza was asked whence he knows that his philosophy is the true one, he answered, From there whence you know that the sum of the angles of a triangle is equal to two right angles. Berdyaev, of course, would not let this answer of Spinoza's pass: in it he would perceive rationalism.”
En hierbij een lange voetnoot: “Berdyaev even speaks of Spinoza's "limited rationalism," although it seems to me that this is a slip of the tongue. The word "limited" is very unsuitable for Spinoza, and it is not possible that so subtle a thinker as Berdyaev did not feel this. All the more so - since the central chapter ("Death and Immortality") of his book On the Destiny of Man is undoubtedly inspired by Spinoza's reflections on the theme of amor erga rem aeternam et infinitam and by his sentimus experimurque nos aeternos esse. "Eternal life," writes Berdyaev, "begins already in time, it can come to light in every moment, in the depths of the moment, as the eternally present. Eternal life is not the future life, but the life of the present, the life in the depth of the moment." A completely Spinozist thought. And, in general, all of Berdyaev's "paradoxical ethic," like Kant's ethic, is saturated with Spinoza's idea: beatitudo non est praemium virtutis, sed ipsa virtus.” [Hier]

 

Een mooi voorbeeld van hoe Shestov waar mogelijk Spinoza erbij haalde, was het enigszins omslachtige stuk dat hij in 1921 schreef ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Fjodor Dostojewski. Hij schrijft over diens grote werken en haalt er alle groten uit de filosofiegeschiedenis bij. Wanneer hij aan De Idioot toe is waarin de auteur een zekerheid zoekt, een vast tegenwicht tegen alle chaos en ellende in de geschiedenis, waarin hij een bescherming wil vinden tegen de tanden van de hele wereld, haalt hij er Spinoza bij.

"En Dostojewski weet dat net zo goed als Spinoza. Sterker nog: Spinoza heeft zelf dezelfde vraag opgeworpen, met de helderheid en het opzettelijke benadrukken van de hopeloosheid van het vinden van een oplossing, die karakteristiek is voor het hele werk van die opmerkelijke filosoof. “Nadat de mensen zich eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten zij wel in alle dingen datgene het belangrijkste vinden wat voor hen het nuttigste was en al datgene voor het voortreffelijkste houden, waardoor zij het aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter verklaring van de aard van de dingen als die begrippen moesten vormen, als daar zijn het goede, het kwade, orde, verwarring, warmte koude, schoonheid en wanstaltigheid.....De waarheid zou voor het menselijke geslacht in eeuwigheid verborgen zijn gebleven, indien niet de wiskunde, die niet over doeleinden, maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren handelt, de mensen een ander richtsnoer van waarheid had getoond.” (Ethica. Pars I Appendix).

Je ziet, hoe voor diezelfde weegschaal, voor datzelfde vreselijke, duizend jaren oude raadsel, die twee elkaar hebben gevonden: de hedendaagse, ongeschoolde Russische schrijver, en de nu beroemd geworden, maar tijdens zijn leven onbekende en verachte, eenzame geleerde. Men denkt gewoonlijk, dat Spinoza plotseling bij de wiskunde is blijven stilstaan, omdat hij daarin het antwoord op zijn vraag zag. Maar, als je Spinoza niet alleen zorgvuldig leest, maar ook naar toon van zijn stem luistert, kun je in de door mij aangehaalde woorden en in de hele Appendix, waarmee het eerste deel van zijn ‘Ethica’ eindigt, een echo van hetzelfde probleem horen, waar Dostojewski zo hardnekkig in al zijn werken jacht op maakte. Spinoza vertrapt opzettelijk het goede, de schoonheid en alles, wat ooit voor de mens heilig is geweest, onder zijn voeten, alsof hij zichzelf samen met de profeet afvraagt: ‘hoe vaak moeten wij worden geslagen?” Alles heeft hij ons afgenomen; hij heeft ons slechts het ‘twee maal twee is vier’ nagelaten. Zal de mens dat kunnen verdragen? Kan ik dat zelf verdragen? Of zal mijn ”bewustzijn” en dat van alle andere mensen uiteindelijk onder die last worden verpletterd? En dan zullen wij niet alleen voelen, maar ook, al is het maar éven, zien, dat ‘hier’ alles alleen maar begint en dat, wat hier begint, niet hier eindigt waar tot nu toe geen schoonheid noch lelijkheid is, geen goed noch kwaad, maar alleen warm en koud, aangenaam en onaangenaam; waar het niet de vrijheid is die heerst, maar de noodzaak, waar zelfs God zelf aan ondergeschikt is; waar de menselijke wil en verstand net zomin op de wil en het verstand van de Schepper lijken, als een hond, het blaffende dier, op de Hondsster (een van de sterren van het sterrenbeeld Grote Hond).

Het karakter van Dostojewski was tweeledig, net als dat van Spinoza, en van bijna alle mensen die de mensheid uit haar verdoving willen wekken. Daarom was hij van tijd tot tijd genoodzaakt zijn tweede paar ogen te sluiten en de wereld te bekijken met zijn gewone, blinde ogen, om zijn dissonanten op te lossen in harmonische akkoorden. Hij heeft zelf meer dan eens beschutting gezocht in de schaduw van die regels en wetten, waartegen hij een oorlog op leven en dood had verklaard; hij vluchtte naar het kamp van de vijand om zich te warmen aan hun vuren. Voor de lezer is dat een bron van een aanhoudend en pijnlijk misverstand. Hij weet niet, waar hij de ‘echte’ Dostojewski moet zoeken. Bevindt hij zich waar de dingen zowel beginnen als eindigen, of waar ze alleen maar beginnen, maar niet eindigen; waar het evenwicht wordt gehandhaafd, of waar het is verstoord? Waar de tijd maar één dimensie heeft, of waar hij de tweede dimensie kan waarnemen en waar de schaal waar het το τιμιωτατον op ligt langzaam lijkt te gaan zakken…? Het is ten eerste des te moeilijker te bepalen, omdat het onmogelijk is om in al zijn romans het wezenlijke thema precies vast te stellen. Zelfs hun onderwerp is, hoewel het altijd min of meer in overeenstemming is met de aanvaarde regels, zó ingewikkeld en zó uitgebreid vertakt, dat het onmogelijk is om met zekerheid te zeggen wat de bedoeling van de schrijver was. Ten tweede onderbreken belangrijke gebeurtenissen doorlopend de hoofdlijn van de roman en deze gebeurtenissen zijn zo belangrijk, zowel qua onderwerp als uitwerking, dat zij het hoofdthema naar de achtergrond verdringen en volledig verduisteren. Desalniettemin vertonen alle verhalen van Dostojewski één gemeenschappelijke trek." [Van hier]

Dit lange citaat is een fraai voorbeeld van hoe Shestov dat vaker doet: met Spinoza confronteren.

In juni 1923 publiseerde hij in de Mercure de France twee jaar voor het eindelijk in het een Russisch magazine [] kon verschijnen, omdat de redactie zich ertegen verzette, zijn studie “Descartes en Spinoza”. [Hier] 

Vooral de boeken
Athens and Jerusalem
[Written over a period of 20 years and completed in 1937, it is clearly Shestov's crowning achievement - a critical overview of the history of Western philosophy from the standpoint of Shestov's vision of the destructive bondage that rationalist thought imposes on human spirit] en
In Job's Balances
[(1929) constitutes a collection of Shestov's essays on Tolstoy, Dostoevsky, Blaise Pascal, Descartes, Plotinus and Spinoza written in the 1920's. Shestov's sharp gift for philosophical criticism finds here its best examples] staan vol met Spinoza.

Voor Shestov  was de taak van de filosofie om de wereld te begrijpen, maar niet door deze te kennen en met de rede te onderzoeken. Hij wilde de metafysica voorbij met behulp van geloof. Geloof zag hij als de uiteindelijke emancipatie van de mens uit de grenzen en beperkingen van de eeuwige wetten, algemene rationalisaties en sociale dogma’s. Als je weet dat God-de-natuur doof is en niet spreekt, helpt alleen geloven, niet denken, om te overleven. [Van hier]

Bronnen

De officiële  Lev Shestov website onder auspiciën van de Lev Shestov Studies Society en de  Shestov Journal.

Zie hier een website met tal van Shestov's werken in extenso, vertaald door Bernard Martin (1928 - 2001) in de 1960-iger jaren. Dezelfde ook hier.

Zie hier ruim 150 Spinoza-hits van bovenstaande website in de werken van Shetov, waarvan vele pagina’s geheel over Spinoza gaan.

Zie Herman Ligtenberg: Leo Sjestov's protest tegen de rede. In: Wapenveld, Jaargang 49, Nummer 1, p. 25-31

Taras D. Zakydalsky: Lev Shestov and the Revival of Religious Thought in Russia. In James Patrick Scanlan (Ed.): Russian thought after communism: the recovery of a philosophical heritage. M.E. Sharpe, 1994 [grotendeels te lezen in books.goole]