Spinoza en de Boeddhanatuur naar Masao Abe's uitleg van Dogen Kigen (1200–1253)

Naar aanleiding van een bespreking die we eind 2013 in de Spinoza kring Limburg hadden over de monistische visie van Spinoza, stuurde een van de deelnemers ons een tekst toe uit een essay van prof. Masao Abe dat vertaald werd en als aanhangsel "Dogen over Boeddhanatuur" werd opgenomen in het boek van Boudewijn Koole, Dogen Kigen: De Schatkamer van het Oog van de Ware Leer. Eerste selectie uit de Shobogenzo, met toelichtende informatie [Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers, 1997]

Dôgen KigenMasao Abe (1915-2006) was een Japans boeddhistisch filosoof, hoogleraar aan de Nara Universiteit, behorend tot de filosofische beweging van de Kyotoschool - de filosofische richting binnen het Japanse zenboeddhisme. Na de dood van Suzuki werd hij in Europa en de VS als de belangrijkste uitlegger van het Zenboeddhisme gezien. Hij probeerde de kloof tussen de westerse filosofie en het Japanse zenboeddhisme te overbruggen. Van zijn hand verschenen diverse werken, waarvan er een in het Nederlands is vertaald: Zen en het westerse denken [vertaald door Boudewijn Koole. Uitg. Kok/Pelckmans 1985] [Cf. wiki; cf artikel van Erno Eskens].

Dôgen Kigen (1200–1253) was een zeer belangrijke Zenmeester wiens Shobogenzo nog altijd zeer wordt bestudeerd. Het gaat me in dit blog niet lukken om diens boeddhistische filosofische leer samen te vatten (als ik er zelf al voldoende van begrepen zou hebben). Ik hoop dat uit het deel van het stuk "Dogen over Boeddhanatuur" dat ik hieronder citeer voldoende erover duidelijk wordt. Het gaat mij erom dat Masao Abe daarin een uitvoerige en interessante vergelijking maakt tussen Dôgen en Spinoza. Het is ook te vinden als hoofdstuk in Masao Abe, Zen and Western Thought [William R. LaFleur (Ed.). University of Hawaii Press, 1989 - books.google]

De Boeddhanatuur volgens Dôgen vergeleken met Spinoza's Substantie

Het volgende is dus van Masao Abe die stelt dat "Dôgen benadruk dat 'niets waar dan ook in het hele universum ooit verborgen is geweest.' Dit slaat [...] op de volledige openbaring van 'alle bestaan' (shitsuu) met inbegrip van de menselijke, levende en niet-levende zijnden binnen het grenzeloze universum dat radicaal de-antropocentrisch is en de diepste ontologische grond uitmaakt.

Het niet-substantiële karakter van de Boeddhanatuur
Dôgens idee 'Alle-bestaan (shitsuu) is de Boeddhanatuur' [...] legt een grenzeloze dimensie open voor de Boeddhanatuur. Bij Dôgen wordt de Boeddhanatuur, de uiteindelijke Werkelijkheid, precies verwerkelijkt in deze oneindige en ontologische dimensie waarin alle zijnden respectievelijk kunnen bestaan zoals zij zijn. Het idee van de Boeddhanatuur kan doen denken aan Spinoza's idee van God als Substantie die ook 'natuur' genoemd wordt en die absoluut oneindig is, met eindige zijnden als Zijn 'modi'. Ondanks echte gelijkenissen ertussen is Dôgens idee van de Boeddhanatuur echter radicaal verschillend van Spinoza's idee van God, juist omdat Dôgens Boeddhanatuur niet een substantie is.

In het hoofdstuk Busshô zegt Dôgen: 'Wat is de betekenis van de woorden van de Door-De-Wereld-Geëerde "Alle levende wezens hebben zonder uitzondering de Boeddhanatuur"? Het is zijn uiting, zijn onderricht van de Leer aangaande "Wat is dit dat zo komt?" De vraag 'Wat is dit dat zo komt?' is te vinden in het gesprek dat plaatsvond bij de eerste ontmoeting tussen de zesde patriarch Hui-neng (Japans:Enô, 638-713) en Nan-yüeh Huai-jang (Japans: Nangaku Ejô, 677-744), zoals vastgelegd in de Ching-tç ch'üan-tçng lu (Japans: Keitoku dentô-roku), deel 5. De patriarch vroeg:

'Waar kom je vandaan?'

'Ik kom uit Tung-shan.'

'Wat is het dat zo komt?'

Nan-yüeh wist niet wat te antwoorden. Gedurende acht lange jaren overwoog hij de vraag, toen daagde het hem op een dag en hij riep uit:

'Zelfs zeggen dat het iets is, zou misplaatst zijn.'

De vraag 'Wat is het dat zo (immo ni) komt?' (kore shimobutsu immorai) waarvoor Huai-jang acht jaar uittrok om haar op te lossen, verwijst naar de boeddhistische waarheid en in het geval van Dôgen naar de wezenlijke kern van de woorden 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur'. Zelfs de eerste vraag 'Waar kom je vandaan?' is geen gewone vraag. Zen duidt vaak de uiteindelijke Werkelijkheid voorbij de verbale uitdrukking aan door vragende voornaamwoorden en door ontkenningen zoals 'nietsheid' en 'leegheid'. Een vragend voornaamwoord 'wat' of 'waarvandaan' is dat wat niet door de hand gegrepen kan worden, wat niet door het intellect gedefinieerd kan worden; het is dat wat nooit geobjectiveerd kan worden: het is dat wat men nooit kan bemachtigen, wat men ook doet. Ja, 'wat' of 'waarvandaan' is onkenbaar, onbenoembaar, niet-objectiveerbaar, niet te bemachtigen, en daarom grenzeloos en oneindig. Omdat de Boeddhanatuur onbeperkt en grenzeloos is, zonder naam, vorm of kleur, kan zij goed, ja het best uitgedrukt worden door zo'n vragend voornaamwoord. Dit is de reden dat Dôgen de essentie van zijn idee 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur' precies aantreft in de vraag 'Wat is het dat zo komt?'.

Dit betekent echter niet dat voor Dôgen de Boeddhanatuur iets onbenoembaars en niet-te-bemachtigen, iets onbeperkts en grenzeloos, is. Indien de Boeddhanatuur iets onbenoembaars zou zijn, zou zij niet echt onbenoembaar zijn omdat zij dan iets zou zijn dat 'onbenoembaar' genoemd werd. Indien de Boeddhanatuur iets onbeperkts zou zijn, zou zij niet echt onbeperkt zijn omdat zij beperkt zou worden of onderscheiden van iets beperkts. Daarom is voor Dôgen de Boeddhanatuur niet iets onbenoembaars maar het onnoembare. Toch is tegelijkertijd het onnoembare de Boeddhanatuur. De Boeddhanatuur is iets onbeperkts maar het onbeperkte, <het grenzeloze>, en toch is tegelijkertijd het onbeperkte de Boeddhanatuur. Dit betekent eenvoudig dat voor hem de Boeddhanatuur helemaal niet 'iets' is, zelfs in een ontkennende zin zoals iets onbenoembaars, iets onbeperkts enzovoort. Met andere woorden het is helemaal niet substantieel. Bijgevolg geeft een vragend voornaamwoord zoals wat of waarvandaan de Boeddhanatuur niet weer. Indien het dat deed, dan zou de Boeddhanatuur iets dienen te zijn achter dit 'wat', en dat door 'wat' weergegeven werd.

Omdat de Boeddhanatuur niet substantie is, is 'wat' onmiddellijk de Boeddhanatuur en is de Boeddhanatuur onmiddellijk 'wat'.

Wanneer dit het geval is, is de vraag 'Wat is het dat zo komt?' compleet een vraag en is het woord wat ook door en door een vragend voornaamwoord. Toch is wat, tegelijkertijd, niet louter een vragend voornaamwoord maar is de Boeddhanatuur. Nogmaals, 'Wat-is-dit-dat-zo-komt' is niet louter een vraag maar is een verwerkelijking van de Boeddhanatuur.

Spinoza's idee van God als Substantie is natuurlijk niet <'>iets<'>. Omdat bij Spinoza God de Substantie van de zogeheten substanties is, is Hij werkelijk oneindig en het ene noodzakelijke zijnde. Spinoza's idee van God als Substantie kan echter — hoewel het 'wat' genoemd zou kunnen worden van de zijde van de relatieve substanties en de eindige zijnden — op zichzelf niet correct 'wat' genoemd worden omdat 'Substantie' volgens Spinoza's definitie dat is wat op zichzelf is en wat door zichzelf begrepen <(gedacht)> wordt; zij kan begrepen worden onafhankelijk van het begrip van welk ander iets ook. Met andere woorden kan voor Spinoza van God gezegd worden dat Hij 'wat' is wanneer er van buiten af naar gekeken wordt, van de zijde van de relatieve substanties en eindige zijnden, maar is het niet dat 'wat' God is. Dit is precies omdat God bij Spinoza Substantie is die door zichzelf wordt begrepen.

Het verschil tussen Dôgens idee van de Boeddhanatuur en Spinoza's idee van God als Substantie kan duidelijker worden indien we hun relaties tot dingen in het universum in aanmerking nemen. Bij Spinoza heeft de Ene God voorzover wij weten twee 'attributen'*, denken (cogitatio) en uitgebreidheid (extensio); afzonderlijke en eindige dingen worden de 'modi'** van God genoemd die afhangen van en bepaald worden door het goddelijke en oneindige zijnde. Hieruit blijkt duidelijk het monistische karakter van Spinoza's idee van God als dat waarvan alle andere dingen zijn afgeleid en waardoor alle andere dingen begrepen <(bedacht)> worden. Toch houden juist de ideeën van 'attribuut' en 'modus' een dualiteit in tussen God en de wereld — in Spinoza's terminologie, tussen natura naturans (de actieve natuur) en natura naturata (de passieve natuur) — een dualiteit waarin de eerste prioriteit heeft. In scherpe tegenstelling hiertoe is Dôgens Boeddhanatuur niet natura naturans die onderscheiden wordt van natura naturata, dat wil zeggen de geschapen wereld. Bijgevolg zijn afzonderlijke dingen in het universum geen bestaanswijzen van de Boeddhanatuur. Evenmin is er enig exact equivalent van Spinoza's idee van 'attribuut' in Dôgens idee van de Boeddhanatuur omdat het idee van een 'attribuut' betekenisloos is bij een niet-substantiële Boeddhanatuur.

Welke betekenis hebben afzonderlijke dingen en afzonderlijke kwaliteiten dan voor de Boeddhanatuur? Omdat de Boeddhanatuur niet-substantieel is, correspondeert geen afzonderlijk ding of afzonderlijke kwaliteit in het universum met, of wordt voorgesteld door de Boeddhanatuur. In termen van modus en attribuut is voor Dôgen ieder afzonderlijk ding een modus van 'wat'; is iedere afzonderlijke kwaliteit een attribuut van 'wat'. Een pijnboom bijvoorbeeld is niet een modus van God als substantie maar een modus van 'wat', namelijk een modus zonder modificeerder. Daarom is een pijnboom werkelijk een pijnboom op zichzelf, niet meer en niet minder. Dit verwijst naar het ´zo komt' van de pijnboom in het boven aangehaalde 'Wat-is-dit-dat-komt?' Nogmaals, denken is niet een attribuut van God als Substantie maar een attribuut van 'wat', een attribuut dat niet aan iets toegeschreven wordt. Bijgevolg is denken enkel denken op zichzelf, niet meer en minder. Ook dit verwijst naar het 'zo komt' van het denken.

Toen de zesde patriarch Huai-jang vroeg 'Wat is het dat zo komt?' wees de vraag direct naar Huai-jang zelf als een onafhankelijke en geïndividualiseerde persoonlijkheid die geen vervanging door een ander toe zal staan. Huai-jang is niet een schepsel dat door god als Substantie bepaald is. Men kan zeggen dat hij iets is dat van 'wat' komt iets dat bepaald is zonder bepaler. Bepaaldheid zonder bepaler is beschikking, vrijheid en individualiteit, wat slechts verschillende termen zijn voor de Boeddhanatuur. Als Huai-jang zich verwerkelijkt had als dat wat 'zo komt' uit 'wat' vandaan, zou hij zijn Boeddhanatuur verwerkelijkt hebben. Het kostte Huai-jang acht jaar om deze vraag op te lossen en te zeggen: 'Zelfs zeggen dat het iets is, zou misplaatst zijn.'

Huai-jang op zichzelf is 'Wat-is-dit-dat-zo-komt'. Dit is echter alleen voor hem het geval. U en ik zijn evengoed precies 'Wat is dit dat-zo-komt'. Bomen en grassen, hemel en aarde zijn gelijkelijk 'Wat is-dit-dat-zo-komt'. Cogitatio en extensio, geest en lichaam zijn op hun beurt 'Wat-is-dit-dat-zo-komt'. Alles in het universum zonder uitzondering is 'Wat-is-dit-dat-zo-komt'. Dit is precies de betekenis van Dôgens 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur'. Hierom is het dat Dôgen in de vraag van de zesde patriarch 'Wat is het dat zo komt' de essentie herkende van zijn idee 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur.

Evenals Dôgens idee van de Boeddhanatuur is Spinoza's idee van God eeuwigdurend oneindig, absoluut zichzelf genoeg, zichzelf bepalend en van zichzelf afhankelijk. Volgens Spinoza echter, de monist bij uitstek, moet de relatie tussen de Ene Substantie en het veelvoud van eindige zijnden deductief opgevat worden. Opvallend in tegenstelling hiermee is bij Dôgen de relatie tussen Boeddhanatuur en alle eindige zijnden niet deductief maar niet-dualistisch, juist omdat de Boeddhanatuur niet Een Substantie is. Alle zijnden zijn gelijkelijk en ieder op hun beurt 'Wat-is-dit-dat-zo-komt'. Zelfs God als de Ene Substantie in de zin van Spinoza kan geen uitzondering hierop zijn. Met andere woorden, vanuit Dôgens gezichtspunt is God als de Ene Substantie, nog voorafgaand aan het als zodanig bestempeld zijn, 'Wat-is-dit-dat-zo-komt'. Derhalve kan er geen verschil, geen deductieve relatie zijn tussen God en eindige zijnden in het universum. Dit alomvattende, zelfs-God-of-Substantie-omvattende 'Wat-is-dit-dat-zo-komt' op zichzelf is de Boeddhanatuur in de zin van Dôgens woorden 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur'.

Bijgevolg is de Boeddhanatuur bij Dôgen noch transcendent noch immanent. Een van de kenmerken van Spinoza's filosofie ligt in het immanente karakter van zijn idee van God — Deus sive natura (God of de natuur). Spinoza wees de orthodoxe theologische leer af van een transcendente persoonlijke God die de wereld schept en regeert met wil en doel. Hij legde nadruk op God als de oneindige oorzaak van de noodzakelijke voortbrenging van alle zijnde dingen. In deze zin is Spinoza's positie veel dichter bij het boeddhisme in het algemeen en bij Dôgen in het bijzonder dan bij het orthodoxe christendom. Zoals Richard Kroner echter aanduidt als hij over Spinoza spreekt: 'Alle individualiteit wordt uiteindelijk verzwolgen door de universaliteit van de Ene God die alleen werkelijk Is.' Dit kan de reden zijn dat Spinoza's systeem 'pantheïsme' wordt genoemd. Bij Dôgen geeft de uitspraak 'Alle-bestaan is de Boeddhanatuur' niet aan dat alle zijnden verzwolgen worden door de Boeddhanatuur. In plaats daarvan legt hij er de nadruk op dat 'door het hele universum niets ooit verborgen is geweest', ieder afzonderlijk ding in het universum manifesteert zichzelf in zijn individualiteit eenvoudig omdat de Boeddhanatuur niet een substantie is maar een ´wat'. Voor Dôgen worden alle dingen bodemloos 'verzwolgen' door de Boeddhanatuur; toch wordt tegelijkertijd de Boeddhanatuur ook bodemloos verzwolgen door alle zijnden. Dit is omdat 'alle bestaan' (shitsuu) en de Boeddhanatuur niet-dualistisch zijn en daarom is de Boeddhanatuur noch immanent noch transcendent (of zowel immanent als transcendent). Daarom kan men, ondanks vaak voorkomende misverstanden die op het tegendeel wijzen, geredelijk noteren dat Dôgen geen pantheïst is, hoe pantheïstisch zijn woorden op het eerste gezicht ook mogen lijken. Hij is dan ook evenmin pantheïstisch als theïstisch.

* Eigenschappen, kenmerken.

** (Bestaans)wijzen.

Tot zover Masao Abe

                                                       * * *

Een bescheiden commentaar

Een zeer boeiende vergelijkende tekst die nog eens helpt nadenken over Spinoza's Substantie-begrip.

De passage "een modus zonder modificeerder" (in geval van Dôgen; en verderop in de tekst 'een bepaler') doet je je afvragen of er bij Spinoza van een 'modificeerder' of 'een bepaler' sprake is? Dit is bij Spinoza God of de natuur, maar je moet uiteraard oppassen met deze naar een "subject" verwijzende termen die al snel veel te antropomorf over de natuur gedacht zijn. Maar Spinoza houdt je wel steeds bij de les dat je er niet 'vanzelf' bent.

De daarop volgende passage "Daarom is een pijnboom werkelijk een pijnboom op zichzelf, niet meer en niet minder," doet je weer eens extra beseffen dat bij Spinoza niet de nadruk ligt op dat "iets op jezelf zijn", maar dat alles als in een netwerk van verhoudingen afhankelijk is en blijft van andere dingen - dat is het grote voordeel van zijn benadrukken van het geheel: 'God of de natuur'.

Ook een passage als "denken is enkel denken op zichzelf", doet je beseffen dat Spinoza juist benadrukt "dat denken juist niet enkel iets op zichzelf is;" hoe zou je namelijk het denken dat je bij anderen tegenkomt kunnen verklaren, als het telkens alleen maar "iets op zichzelfs" zou zijn?

De passage "de relatie tussen de Ene Substantie en het veelvoud van eindige zijnden [moet] deductief opgevat worden" vind ik precies goed geformuleerd. Spinoza leidt de eindige zijnden niet af van de Ene Substantie (want dat kan hij niet), maar hij begrijpt wel dat het zo "opgevat"/begrepen moet worden; verder kan hij niet gaan dan met daarop de nadruk te leggen. Het is Bartuschat die hierop het scherpst gewezen heeft en liet zien dat dát is wat Spinoza in het 5e deel aanpakt: ons helpen beseffen dat wij passen in en voortkomen uit de natuur, maar zonder dat hij als een soort van ideaal aanreikt: het opgaan in of "verzwolgen worden" door God, zoals het citaat van Richard Kroner suggereert, 'Alle individualiteit wordt uiteindelijk verzwolgen door de universaliteit van de Ene God die alleen werkelijk Is.' Dit is typisch de interpretatie uit de tijd waarover het boek van Richard Kroner gaat: Von Kant bis Hegel [Erster Band, Tübingen, Mohr Verlag, 1921 - archive.org]

En zo mag je ook zeggen dat God of de natuur ook bodemloos verzwolgen worden door alle zijnden, want er is voor God of de natuur geen 'rest' nadat hij geheel is gerealiseerd of uitgedrukt in alle zijnden. De natura naturans gaat ook restloos op in de natura naturata. De overeenkomst tussen Spinoza's God en de Boeddhanatuur is misschien nog wel groter dan Masao Abe liet zien.

Stan Verdult

_________

 

ANDRÉ VAN DER BRAAK, ZEN SPIRITUALITY IN A SECULAR AGE II [DOC]

Masao Abe’s life and work [op WorldWidom]

ABE MASAO, God, Emptiness, and the True Self [PDF] hoofdstuk uit The Buddha Eye

Afbeelding van Dogen Kigen van hier, een bron van veel teksten.

Mahendra de Silva, "Einstein and Buddha-Convergence of Science and Eastern Philosophy" in: The Sri Lanka Guardian 29 januari 2014

En hier de drie delen van "Meester Dogen's meesterwer​k vergelijkb​aar met Ethica", zoals Wim Klever erbij vermeldde en waarover hij in onderstaande reactie schreef.

            

Reacties

Het doet mij waarlijk genoegen hier het portret aan te treffen van mijn geliefde meester Dogen Shi alsmede de losprijzing van zijn meesterwerk SHOBOGENZO, dat ik in de Engelse vertaling van Nishijima (3 delen 1994) bezit en aan welks lectuur ik heel wat weken heb besteed. Is een fantastisch diepziing alsook poetisch werk waarvan ik de overeenkomst / affiniteit met Spinoza al lang geleden heb geproefd en genoten. Wie het bij mij zou komen bezichtigen zou daarin heel wat aanstrepingen ontdekken als uiting van mijn bewondering van de formulering. Ik heb het genoegen mogen smaken om in Japan ook het oude en schitterende tempelcomplex van het Zen-centrum in Nara te bezoeken. Gemakshalve zeg ik wel eens tegen mezelf: SpinoZen. Ik stuur een foto van mijn SHOBOGENZO-banden afzonderlijk naar Stan.

De foto van de drie delen van meester Dogen's Shobogenzo heb ik aan het eind van het blog toegevoegd. Al heel lang geleden is dus door een Spinoza-kenner het verband met Dogen al gelegd. Mooi die vergelijking met de Ethica, die overigens - uiterst modern - een zo hermetisch "poëtisch werk" is dat de meesten het poëtische er niet aan kunnen beleven...

Stan, in korte tijd kom ik bij jou twee keer de stelling tegen die je verwoordt in de laatste alinea:
"En zo mag je ook zeggen dat God of de natuur ook bodemloos verzwolgen worden door alle zijnden, want er is voor God of de natuur geen 'rest' nadat hij geheel is gerealiseerd of uitgedrukt in alle zijnden. De natura naturans gaat ook restloos op in de natura naturata."
Er is dus geen God, alleen een gemodificeerde God die geen God meer is. Ik vraag me af of dit bij Spinoza zo is. Spinoza stelt de werking van God (potentia) op verschillende plaatsen voor als 'de werking (= werking potentia) van de eeuwige wetten van Gods oneindige natuur. Ze zijn werkzaam in al het zijnde (dat je misschien mag zien als het samengaan van tijdelijke en beperkte condities en eeuwige wetten), maar bestaan ze niet als zodanig (eeuwig, onveranderlijk, oneindig, ondeelbaar)?

Henk, je daagt me terecht uit om nog eens goed te kijken naar hoe ik het schreef. Je hebt immers vaak te maken met de beperkingen van de mogelijkheden om de dingen in taal goed uit te drukken. Soms gaat je aandacht sterk uit naar het een en verwaarloos je een ander aspect. Daarom kan een tweede poging aan de hand van reacties wellicht een verbetering aanbrengen.
Wat ik wil uitdrukken is dat - zoals ik Spinoza begrijp - God volstrekt immanent in alles, in de reëel bestaande dingen is. De werkzaamheid van God, natura naturans, of de kracht der werkende natuurwetten is daarmee niet voorbij - die is en blijft werkzaam in de reeds verwezenlijkte natuur (natura naturata). De werkelijkheid is immers niet een eenmalig gebeuren, maar een dynamisch proces. De conclusie kan dus niet zijn: "Er is dus geen God, alleen een gemodificeerde God die geen God meer is." Waar het mij om ging is dat de suggestie als zou God (of de werkingskracht der natuurwetten) iets aparts naast de gerealiseerde natuur zijn, voorkomen dient te worden. Dat druk ik uit met dat er "voor God of de natuur geen 'rest' is". De term "bodemloos verzwolgen" had ik beter niet kunnen overnemen, want dan lijkt het verdwenen, terwijl het fundament van het "geheel-al" blijft; de werkelijkheid is niet 'grondeloos'. De uitspraak echter, "De natura naturans gaat ook restloos op in de natura naturata," houd ik staande: enige 'rest' is er namelijk niet - de actieve macht zit helemaal in de natuurwerkelijkheid. De wetten van de natuur zijn ín de natuur aanwezig en werkzaam en niet ergens daarbuiten te vinden. Dat was wat ik wilde benadrukken.

Ik begrijp wat je bedoelt, maar ik vind de uitdrukking 'opgaan in' niet zo gelukkig. Heeft bij mij de associatie dat het verdwijnt. Ik zou liever zeggen 'manifesteert zich (volledig) in'.

Eens en akkoord, Henk.
Ik heb even teruggekeken naar eerdere blogs en denk dat ik mij had laten inspireren door Daniel Whistler, die onder verwijzing naar Gilles Deleuze en Genevieve Lloyd schrijft in "Improper Names for God. Religious Language and the 'Spinoza-Effect'":
"for Spinoza there is no substance outside of its modes. Immanence does not in any way stand above or outside its expressions. Substance is “exhausted” in its modes. There is nothing behind the manifestations, for they are reality."
Prima verbetering dus: 'manifesteert zich (volledig) in'.

Ik wil je in essentie niet tegenspreken Stan, maar volgende aanvullende bedenking maken. Als ik je hoger hoor spreken van de natuurwetten, dan denk ik aan de wetten van de fysica. Die wetten zijn vandaag zo complex en bevatten zoveel schijnbaar arbitraire natuurconstanten (bv. waarom is 300.000 km/seconde de hoogst mogelijke snelheid in het heelal), dat ze m.i. niet fundamenteel zijn, maar als het ware evengoed natura naturata als de zonnebloem die ik voor me zie. Onderliggend –immanent, niet transcendent- is er de natura naturans, in wezen potentia, die misschien tot oneindig veel “heelallen” leidt , met elk elk een eigen versie van natuurwetten, en elk is een (samengestelde) modus van de substantie met de conatus als essentie.

Mark, je bedenkingen ervaar ik niet als tegensprekingen, maar we raken wel aan de grenzen van de taal. In de taal die Spinoza gekozen heeft en die we proberen te leren kennen om langs die weg zijn zicht op de werkelijkheid te doorgronden, is substantie (dus God) nooit rechtstreeks te kennen, alleen via de attributen. En ook die niet rechtstreeks, maar alleen via de expressies ervan in dingen en denken (de modi). Als Spinoza in 4/24 zegt "naarmate wij de individuele dingen beter begrijpen, begrijpen wij God beter", dan begrijpen wij God nooit rechtstreeks, maar altijd via de dingen en hun eigenschappen. Zo behoren ook de natuurwetten (de fysische én de denkwetten) tot de natura naturata. Ik meen dat het Edwin Curley was die als eerste suggereerde dat die als de onmiddellijke oneindige modi van God of de substantie zouden zijn bedoeld. Er is dus wel een flink verschil tussen de natuurwetten en de individuele dingen zoals de zonnebloem (jij gooit ze onterecht op een hoop). De multiversum-idee (oneindig veel “heelallen” , met elk een eigen versie van natuurwetten, althans van constanten daarbinnen) verandert niet wezenlijk iets aan de Spinozistische taal waarmee de de werkelijkheid wordt geduid. Waar het mij om gaat is dat we nooit voorbij natura naturata (de reële verschijnselen) kunnen komen. Intuïtief zien we met ons verstand in, begrijpen we dat daaronder of daarin de natura naturans bestaat. Dichterbij komen we niet, meer rechtstreeks ervaren we het eeuwige en oneindige en onderliggende niet.

En hiermee heb ik ook commentaar gegeven op de passage die ik hiervoor van Daniel Whistler aanhaalde: `There is nothing behind the manifestations, for they are reality." Dat 'nothing' staat daar toch niet lekker.
Daar hebben we wellicht de Boeddhistische taal van b.v. Dogen over wie dit blog gaat nodig: hoe spreek je over dat achter- of onderliggende dat niet 'iets' is maar ook niet 'niets'. Hier stop ik dus, want is zwijgen beter.

Ik zou er nog wel voor willen pleiten om de 'natuurwetten' op te vatten als besloten in de goddelijke natuur zelf, als natuurkracht en inherente wetten. Spinoza zegt: "alle dingen die ontstaan, ontstaan uitsluitend op grond van de wetten van Gods oneindige NATUUR en volgen uit de noodzaak van zijn WEZEN'' (1/15s). En in 1/17d: "uit de noodzaak van de goddelijke natuur alleen, of wat hetzelfde is, uitsluitend uit de wetten van zijn natuur, volgen oneindig veel dingen". En de stelling zelf: "God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen natuur" (1/17). Die wetten zijn overal en altijd gelijk, maar werken verschillend uit naar de omstandigheden.

Henk, duidelijk, niets aan toe te voegen of aan af te doen. Je hebt gelijk, daar, in de natura naturans moeten we de wetten zoeken, niet als gevolg in de natura naturata. Goed dat je hier op wijst. Als ik minder lui was, zou ik nog eens opzoeken hoe Curley erf ook alweer over schrijft.

Henk en Stan jullie hebben gelijk natuurlijk, als je je beperkt tot uit te leggen wat er bij Spinoza naar de letter staat. Alleen: voor Spinoza waren “natuurwetten” iets heel anders dan wat we daar vandaag onder verstaan. Spinoza’s natuurwetten (zie zijn kleine fysica) zijn niet meer dan een deductieve afleiding vanuit de logica. Ik kan me moeilijk voorstellen, mocht Spinoza de natuurwetten van vandaag zien, met hun vele schijnbaar arbitrair vastgelegde constanten, dat hij deze zou zien als wetten van Gods wezen, als natura naturans causa sui. Vandaar dat ik ze in de verticale keten een trapje lager zie, misschien in de onmiddellijke oneindige modus, misschien in de middellijke… daar wil ik hier niet verder op in gaan.
Curley identificeert ook de natuurwetten met de natura naturans. Op het eerste gezicht in overeenstemming met Spinoza’s tekst, op het tweede gezicht misschien juist niet. Als Curley met natuurwetten bedoelt de fysische wetten zoals we die vandaag kennen, dan is dat een anachronisme. De natuurwetten zoals Spinoza die kende waren heel wat anders.

@Mark, maar het gaat er toch om hoe Spinoza het in zijn tijd gezien en bedoeld heeft? Ik meen dat Curley alleen de meest universele, niet herleidbare wetten toeschrijft aan de natura naturans (de attributen) en de overige beschouwt als oneindige en eindige modi.

Henk, dank zij jouw bemerking ben ik op het internet op een erg interessante Spinoza site gestoten: http://caute.ru. Russische site maar tweetalig Russisch-Engels. Je vindt er interessante teksten (zelfs van Wim Klever), afbeeldingen en zelfs de complete Gebhart.

Maar mijn reactie gaat eigenlijk over Curley’s standpunt over de natuurwetten, en ik heb dat op bovenstaande site gevonden. En het blijkt dat je volledig gelijk hebt: Curley ziet de natura naturans niet als de “gewone natuurwetten”, maar alleen als “fundamentele basiswetten” waaruit de andere wetten (die dan tot de onmiddellijke modus Beweging en Rust zouden “behoren”) kunnen worden afgeleid. Hiermee kan ik het volledig eens zijn, maar wel met de bedenking dat die “fundamentele basiswetten” vandaag nog altijd niet gevonden zijn. Hieronder passage uit Curley:

“… we can infer that Spinoza conceived attributes like thought and extension as eternal entities involving laws of nature so fundamental that they do not admit of explanation in terms of anything more basic. On this reading Spinoza dreamed of a final scientific theory whose most basic principles would be, and could be seen to be, absolutely necessary. ….
According to this interpretation, some things follow from the fundamental laws without the aid of any other propositions. These are the eternal, immutable things which follow from God’s absolute nature, the infinite modes of the Ethics (or universal modes in the ST). They are those general features of reality corresponding to the derived laws of nature, like motion and rest, which involve laws pertaining to anything possessing motion or rest. “

Mark, de site waar je op wijst is van dr. Andrey Maidansky, op wiens naam in het zoekvenster op dit blog je aardig wat hits kunt krijgen. Die tekst van Curley had ik daar nog niet eerder gezien. Dank voor het attenderen (ik ben altijd gek op encyclopedielemma's geschreven door deskundigen). Ik ga die eens goed bestuderen.

Hoe dan ook, bij Ed Curley thuis in Evanston Ill. werkten de natuurwetten in 1987 naar mijn bevinding heel goed.