Spinoza staat God in zijn crisis bij - een soort gedicht

Over Gorters Spinoza-gedichten gaf een recensent als commentaar dat hij er teveel in filosofeerde en te weinig beeldend dichtte.

Dat 'inspireerde' mij een poging te wagen. De laatste weken was ik weer zo bezig met het op internet speuren naar gedichten over Spinoza... ineens welde in mij het volgende naar boven. Ik breng het hier, wetend dat ik geen dichter ben en er nooit een word, maar is niet iedereen filosoof...

Spinoza staat God in zijn crisis bij

God weet niet zeker meer
of hij nog wel gelooft in Spinoza.
Hij kijkt met de ogen van zijn goddelijk verstand
naar ‘t hoekje waarin zich het eeuwige deel
van Spinoza’s geest zou moeten bevinden.
Ziet het vooralsnog niet - en twijfelt nog sterker.

“Oké, dankje Descartes: ik twijfel dus, ja, ik besta!
Maar wat heb ik, God, aan zo’n bewijs,
voor de zekerheid waarvan je een beroep deed op mij:
in de aanname, je geloof: dat ik geen bedrieger-demiurg ben.
Met die ‘zekerheid van niets’ doe je mij geen plezier.
Wat bewijs je daar nou helemaal mee.”

Daarom geloofde God altijd liever in Spinoza. -
Die hem bewees zonder enige twijfel.
Spinoza had God er niet voor nodig – voor ‘t bewijs van
zijn bestaan als eeuwige en enige substantie.
Hij bewees God vanuit de kracht van zijn eigen denken.
En God was in z’n nopjes met dat bewijs.

Maar nu twijfelt hij - ineens beseffend dat hij
naar geometrische orde werd bewezen.
Maar wat is nou helemaal geo – de aarde!
Zo’n nietig, rommelig stukje van ’t heelal!
Wordt hij, God, dan niet erg geomorf gezien?
Hoeveel anders is dat dan antropomorf?

Hoe bewijs je God More Universometrico?
Daar lijkt geen beginnen aan -
Waar in de onmetelijke ruimte en tijd begin je?
Bij God…
Waar, Spinoza, begin je, in het onmetelijk lege universum?
Het voelde als bestond hij niet langer voor zichzelf -
 

God verkeert in crisis. Duidelijk.
De acquiescentia in se ipso is voorbij.
In onrust en vooral in beweging zoekt hij de Filosoof.
Daar zweeft wat eeuwig rest van Nietzsche.
“Grüβ Gott”, mompelt deze zacht, en met ‘n knipoog:
“Lekker Eeuwig Wederkeertje, vandaag?”

God glimlacht: Zarathoestra is gekalmeerd.
Uit de zee gekropen, onrustig aan land geleefd,
Tot z’n schrik gezien dat men ’t godsbeeld heeft gedood,
’t nihilisme vrezend, zich druk makend over
een omwaardering van alle waarden,
lijkt hij intussen goed aangepast aan de eeuwigheid.

Nu vreest God op zijn beurt nihilist te worden
Eeuwig achter de Waarheid verborgen zijn
houdt een keertje op leuk te zijn.
Ja, God verkeert in existentiële, tevens essentiële crisis,
en weet dat hij een shot metafysica nodig heeft -
van doctor honoris causa sui Spinoza.

Dan ziet God eindelijk die Cosmic Spirit,
omzwermd door Socrates, Plato, Aristoteles,
de engelachtige Aquinus, Marx en vele anderen.
Al hebben eeuwige geesten geen voeten,
Ze zijn het peripathetische school blijven noemen;
waarom zou je een goed idee afschaffen?

God mengt zich tussen de edele geleerden,
groet de ‘Marx zonder baard’ en stelt hem zijn vragen.
Dan legt Spinoza God uit.
“De geometrische methode werkt in het hele universum.
Je moet niet letten op het woord, zegt hij,
maar op de zaak en daarvan op het idee.

Geo is maar een naam, net als God,
Adam kan jullie zo maar een andere geven.”
Adam schrikt op uit zijn dutje en zegt -
hij is een goede leerling van Spinoza -
“Eens adequaat gedacht, altijd adequaat gedacht
en… voor in de eeuwen der eeuwen.”
“En overal en Amen”, vullen alle filosofen aan.

Om God helemaal gerust te stellen, voegt Spinoza nog toe:
Er was ooit wel je wezenseigenschap ‘denken’,
maar nog geen goddelijk verstand.
Eerst moest gedacht zijn door eindige intelligente wezens,
wier gezamenlijke denken het totaal vormt: ‘t goddelijk verstand.
Het eeuwige denken sluimerde tot het moment in de tijd,

waarin de eerste mensen zich – en God – bewust werden.
Toen pas kon de bewijsmethode worden ontdekt.
Bij de mensen werd dat de geometrische methode.
God kijkt gerustgesteld – acquiescentia terug - en vraagt:
“Wie deed ooit kadisj voor jou, Spinoza?”
Spinoza kijkt hem bevreemd aan: “Waar denkt een wijze nou nooit aan?”

 

Stan Verdult