Theo van der Nahmer (1917 - 1989) had Spinoza-penning in een uur klaar

                  

Met dank aan Stefan van Trigt die in een reactie op dit blog meedeelde dat de daar afgebeelde penning op de voorkant van De Beeldenaar [1983 Nr. 4 (juli-augustus)] stond afgebeeld en in dat nummer beschreven werd, ben ik in staat dit blog te maken, mede daar de Maastrichtse bibliotheek de jaargangen van dat blad ingebonden in het magazijn heeft staan.

Het was mij onbekend, maar uiteraard heeft ook de penningkunst zijn maandblad [website]. Ik zag het voor het eerst en leerde dat er ook nog de MUNTkoerier bestaat ["Het enige en geheel onafhankelijke maandblad in de Benelux voor verzamelaars van munten, penningen en papiergeld" - website]

      

Theo van der Nahmer, geboren als zoon van een Eindhovense textielfabrikant, volgde – hoewel hij het liefst vliegenier wilde worden en op z’n 16e al twee zweefvliegbrevets had -- van 1933 tot 1938 de opleiding Bouwkunde aan de Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht (kunstnijverheidschool) in ’s-Hertogenbosch waar hij les kreeg in tekenen, schilderen en boetseren, en van 1938 tot 1942 aan de Koninklijke Academie voor Beeldende kunsten in Den Haag waar hij in de derde beeldhouwafdeling begon en dat jaar de enige leerling was van B.M.A. Ingen Housz. Daarna maakte hij reizen naar Frankrijk en Italië, en exposeerde onder andere in Sonsbeek en de Keukenhof. Hij werd een veelzijdig kunstenaar die verschillende disciplines beheerste: schilderen, tekenen, keramiek en beeldhouwen. Hij bleef altijd in Den Haag wonen, was lid van het Haagse kunstenaarsgenootschap Pulchri en groeide uit tot één van de bekendste Haagse kunstenaars. Wel dertien van zijn beelden staan in Den Haag. In de vijftiger jaren was hij aangesloten bij de Voorburgse artistieke werkgroep De Nieuwe Ploeg. Ook was hij lid van de Posthoorn groep, Fugare en  Verve – van de laatste twee was hij medeoprichter. Hij was getrouwd met de fotografe Marianne Dommisse, die vele Haagse kunstenaars fotografeerde.

In het genoemde nummer van De Beeldenaar werd hij geportretteerd door W.F. van Eekelen als 25e in een reeks “Nederlandse makers van penningen”. Daaraan ontleen ik het volgende. Hij beschouwde zichzelf niet als echte penningontwerper, vond penningwerk te peuterig – maakte liever grote plastische werken. Hij maakte typisch beedldhouwerspenningen. Enige malen maakte hij een vrij ontwerp voor een penning, waarvan hij er slechts één in brons liet gieten. Viermaal accepteerde hij een opdracht voor een penning:
[1] Maecenaspenning voor Pulchri Studio in 1956, jaarlijks bestemd voor bedrijven die Pulchri steunden;
[2] Penning bij de “troonsbestijging van prins Carol van Roemenië als 73e grootmeester van de Malteserorde” in 1969 in opdracht van de Malteserorde;
 
[3] Erasmus-penning in 1973 in opdracht van de Erasmus-liga, waarvoor hij zich inspireerde op de Erasmusportretten van Holbein en anderen;
[4] Spinoza-penning in 1977 in opdracht van diezelfde Erasmus-liga bij gelegenheid van de 300e sterfdag van de filosoof. Voor deze opdracht bekeek Van der Nahmer in het geheel geen portretten en creëerde vanuit zijn fantasie. Hij boetseerde de Erasmus- en Spinoza-penningen zonder voorstudie direct in klei (in positief). In een uur had hij de Spinoza-penning klaar! Vervolgens maakte hij een gipsmodel dat hij door een gieter in brons liet gieten. Deze brengt er vervolgens een patine op aan. De gegoten exemplaren werkte de kunstenaar zelf bij en patineerde nogmaals met salpeterzuur met ijzer- en koperoxyde. Daar een penning niet in de openlucht staat, waar een bronzenbeeld vanzelf patineert, achtte Van der Nahmer deze extra behandeling noodzakelijk. Door deze werkwijze zijn geen twee penningen helemaal hetzelfde. Van de Spinoza-penning, die een doorsnede van 103 mm heeft zijn ± 15 exemplaren gemaakt.