De betekenis van Christus voor Spinoza

Vandaag, op Goede Vrijdag, lijkt het me wel passend een samenvatting te geven van het boekje van Dra C. Roelofsz, De beteekenis van Christus voor Spinoza [J. Ploegsma, Zeist, 1938], waar ik in een blog van gisteren naar verwees.

Ik breng die samenvatting zonder commentaar of andere tussenkomst van mij. Ik heb de citaten e.d. enigszins gestileerd (dubbele 'ee' en 'sch' weggelaten), maar iets van de oude taal blijft wel te proeven.

Wat volgt is dus voor rekening van mevrouw Roelofsz, maar m.i. is de schets treffend.

In Spinoza's Godgeleerd Staatkundig Vertoog treffen reeds bij een eerste lezing verschillende uitspraken, welke van grote bewondering voor Christus getuigen. Nadere bestudering en vergelijking met Spinoza's brieven brengt aan het licht, dat dit bepaald geen losse opmerkingen zijn, zonder verband of in strijd met Spinoza's wijsbegeerte, doch dat zij uitdrukking geven aan Spinoza's opvatting omtrent de betekenis van Christus en dat deze opvatting uit zijn beschouwingswijze moet volgen. Onder drie gezichtspunten is dit nader te beschouwen: 

[1] Waar inzicht
Allereerst de waarheid van Christus' inzicht. Spinoza heeft van Christus gezegd, dat hij een „waar en volkomen inzicht" heeft bezeten. Nader gekenmerkt wordt dit inzicht hierdoor, „dat God zich aan Christus, of liever aan Christus’ geest onmiddellijk heeft geopenbaard en niet, gelijk aan de profeten, in woorden en beelden". Gods openbaring in Christus is hier begrepen uit de immanentie der Godsidee. Spinoza drukt dit uit met de woorden: „dat God zich wel onmiddellijk aan de mensen bekend kan maken, want zonder stoffelijke middelen te gebruiken deelt Hij zijn wezen aan onze geest mede". En laat daarop volgen: „Ik geloof niet, dat enig mens zulk een volmaaktheid heeft bereikt dan alleen Christus aan wie Gods wil zich niet door woorden of in voorstellingen, maar onmiddellijk heeft geopenbaard." Christus wordt niet beschouwd als middelaar, éénmaal uitverkoren om Gods wil aan de mensheid te vertolken. Zijn inzicht is geen bovennatuurlijk weten uit een aan de mensen vreemde, transcendente sfeer, maar de hoogste trap van menselijke kennis, het „doorschouwend inzicht" in zijn zuiverste vorm. Christus is dus slechts in zoverre middelaar, als hij zijn eigen volkomen weten mededeelt in een vorm, de voor zijn hoorders toegankelijk is. Toegankelijk dus voor de gehele wereld. Want Christus had een missie voor de hele mensheid.

[2] algemene geldigheid
In deze algemeenheid van Christus' leer vinden wij het tweede gezichtspunt, dat ten nauwste met het eerste samenhangt. Immers, waar – Spinozistisch gezien - kennis der waarheid begrepen wordt als bewustzijn van en inzicht in de eeuwige orde, een inzicht, dat de mens kan verwerven krachtens zijn verbondenheid met de goddelijke orde, waartoe ook hij als openbaringswijze Gods behoort, maakt de waarheid, voor zover zij niet aan een bepaalde uitdrukkingsvorm gebonden, eeuwige waarheid is, aanspraak op algemene geldigheid. Zolang de mens blijft bij de ervaringskennis, kan hij geen inzicht in de waarheid verwerven. De weg daartoe wordt eerst geopend door wat Spinoza noemt de ‘algemene begrippen’ (notiones communes), d.w.z. de begrippen van wetmatigheid, waardoor de ordening der ervaringskennis tot zinvolle eenheid mogelijk wordt. Het nieuwe in Christus' leer is nu volgens Spinoza, dat zij weerklank vindt in deze algemene begrippen. Nog in een ander opzicht noemt Spinoza Christus' leer algemeen en wel in die zin, dat Christus' geest kan leven in hen, die zijn leer niet kennen of belijden, in zoverre is zij algemene religie, “Religio Catholica". Onder dit begrip verstaat Spinoza de kern en eeuwige waarheid van alle religie en de grondslag van elke waarachtige godsdienst, welke kan worden samengevat in het gebod: God bovenal lief te hebben en de naaste als zichzelf. Besef van verbondenheid met God en den medemensen, zich openbarend in naastenliefde en rechtvaardigheid, zijn de kenmerken der algemene religie, zoals Spinoza deze begrepen heeft.  

[3] Eeuwigheid
Het derde gezichtspunt waaronder wij de betekenis van Christus voor Spinoza willen beschouwen is de eeuwigheid van Christus’ openbaring. Deze is voor Spinoza gesymboliseerd in de opstanding, welke hij, zoals uit een brief aan Oldenburg blijkt, niet letterlijk, maar symbolisch opvat. Niet als wonder heeft de opstanding voor Spinoza betekenis. Immers wonderen kunnen voor hem niet van God getuigen. Evenmin als belofte voor een persoonlijk voortbestaan na den dood, want dit is voor hem niet de zin der onsterfelijkheid, eerder het tegengestelde. Immers onsterfelijkheid is de staat, waarin alle gedachte aan persoonlijkheid en bestaan in de tijd is opgeheven en de mens zichzelf en de wereld begrijpt onder het gezichtspunt van eeuwigheid. Ook de onsterfelijkheid van Christus begrijpt Spinoza als het bewustzijn van verbondenheid met het eeuwige, het zich in en uit God weten. En hierdoor krijgt ook Christus' leer haar eeuwigheidswaarde. In de 75e brief zegt Spinoza: „Christus' opstanding uit de doden is in waarheid een geestelijke opstanding geweest aan de gelovigen verkondigend, dat Christus in de eeuwigheid is opgenomen en, zo door zijn leven als door zijn dood, een voorbeeld van uitzonderlijke heiligheid heeft gegeven en in zoverre zijn volgelingen uit de doden opwekt, als zij zijn voorbeeld van leven en dood volgen." De dood symboliseert hier het tijdelijke en vergankelijke, het leven het eeuwige, de dood is het statische, het leven het dynamische. Het eeuwige leven van Christus symboliseert de eeuwig werkzame openbaring van God in de mensen. In de 73e brief heeft Spinoza dit zeer mooi onder woorden gebracht sprekende van: „Gods eeuwige Zoon, dat is Gods eeuwige Wijsheid, die zich in alle dingen, doch het meest in de geest van de mensen en bovenal in Jezus Christus heeft geopenbaard.”

                                                * * *

Ik denk niet dat Spinoza moeite zou hebben met het beluisteren van het stuk Septem verba a Christo in cruce moriente prolata van Giovanni Battista Pergolesi (1710 – 1736), waarvan niet lang geleden ontdekt werd dat het aan hem moet worden toegeschreven en dat door René Jacobs & de Akademie für alte Musik werd opgenomen en deze maand op CD werd uitgebracht [Harmonia Mundi HMC902155]. De première was in 2012 op het Festival de Beaune en werd door Arte opgenomen.

• Sophie Karthäuser: soprano
• Christophe Dumaux: alto
• Julien Behr: tenor
• Konstantin Wolff: bass

Akademie für Alte Musik Berlin
Conducted by René Jacobs

                                                                               Stan Verdult

Reacties

Bij Drs Roelofsz z.g. geen woord dus voor of besef van de sociaal-politieke missie en aktiviteit van de rebel Jezus, die zijn moedige vrijheidsstrijd met de dood moest bekopen, iets wat we vandaag in het kruisbeeld-symbool zinvol herdenken. De P van de TTP schijnt bij haar vervallen te zijn.

Wim,
Ik 'wíst' dat je zoiets ging zeggen.
Maar als je uitgaat van de woorden die Spinoza aan Christus (die hij nooit Jezus noemt) wijdt, zul je niets over diens rebellie en politieke misse aantreffen. Dus dat kun je mevr. Roelofsz niet verwijten, want haar opzet was: behandelen wat Spinoza over Christus schreef.
En nu: "Es ist vollbracht“ (Joh 19:30)

Op Brief 73 aan Oldenburg na, waarin Spinoza 2x aan Christus Jezus toevoegt: in Christo Jesu en per Jesum Christum.

Had de GezLfde of de Verlosser (whatever you like) het in de bergrede VOLGENS SPINOZA niet in positieve of prijzende zin over degenen die bedroefd zijn vanwege hun bezorgdheid over het rijk gods "eiusque justitia quod ut summum bonum commendat (vide Matth. 6.33)" ? (TTP 7/30). En klaagde hij de corrutie in de door de Romeinen bezette Joodse staat niet aan (vv 33). En handhaafde hij uiteindelijk ook niet het oude gebod om de vijand metterdaad te haten, tegen de gangbare interpretatie in? Zie bewijs hiervoor in mijn CHRISTIAN PIETY op je qebsite. En had zijn makker en mede-samenzweerder Petrus soms geen zwaard bij zich dat hij gebruikte toen het gezelschap gearresteerd werd?

Naast enkele typefouten (die iedere lezer zelf wel ontdekt) heb ik per abuis een verkeerde verwijzing gegeven. Ik verwijs de gemotiveerde lezer naar mijn verantwoording in MET OUDE GRIEKEN, VAN DEN ENDEN EN SPINOZA NAAR ECHTE DIRECTE DEMOCRATIE (2edr. 2007), hoofdstuk 3, sectie 2 (p. 102 vooral).

Wim, ik moet je gelijk geven. Ik ben er in teveel goed vertrouwen ingetuind door er van uit te gaan dat ze wel keurig ALLE passages over Christus in haar verzameling in de bijlage had opgenomen en in haar tekst had behandeld. Maar nu zie ik dat ze de passages uit H 19 van de TTP, die waarop jij jouw interpretatie baseert, helemaal niet heeft opgenomen, dus ook niet de §§ 12 en 13. Dat is een slordige omissie. Of zij overigens de analyse over het politieke van de pietas had voltrokken, zoals jij die geeft, is uiteraard zeer de vraag. Maar ze heeft die tekstdelen – en dus het politieke aspect - gewoon weggelaten. Nogmaals, jij hebt gelijk met je reactie.
Voor een lezer die jouw tekst over ‘Spinoza’s concept van de christian piety’ zou willen lezen geef ik hier de url:

http://www.benedictusdespinoza.nl/lit/Klever_W.N.A._Spinoza's_Concept_of_Christian_Piety.pdf