George Santayana (1863 - 1952) "Spinoza is a great master"

George Santayana"He is a great master," schreef Santayana in 1951, bijna aan het eind van zijn leven, over Spinoza in een brief aan Richard C. Lyon [Letters 423]

Hier vervolg ik het vorige blog met de ontwikkeling van zijn relatie tot Spinoza die te volgen is aan de hand van deze drie publicaties:

 

1e The Ethical Doctrine of Spinoza, toen hij 22 jaar was, in: The Harvard Monthly, june 1886.

2e Zijn Introduction voor de Everyman’s Edition of Spinoza’s Ethica, toen hij 46 was in 1910.

3e Zijn lezing ‘Utlimate Religion’ in het Spinozahuis van Den Haag in 1932 bij de herdenking van Spinoza’s 300e geboortedag. Toen was hij 68 jaar.

[ad 1e] Het essay The Ethical Doctrine of Spinoza.

Santayana Harvard graduation photoSantayana bewonderde Spinoza, zag hem als hét alternatief voor het katholicisme en correctie van het subjectieve idealisme. Maar vanaf zijn eerste essay (1886) is hij ook zeer kritisch. Hij ziet Spinoza’s Ethica uit twee delen bestaan: 1e een beschrijvende psychologie over hoe gedachten en passies in ‘s mensen geest ontstaan, 2e een normatieve aanbeveling hoe het hoogste goed te bereiken. Inadequate ideeën (waarbij het object niet gerepresenteerd is in ’t idee) leiden tot passies.
Hij vat samen over het ‘hoogste goed’: alleen wat leidt tot behoud van onze natuur kan goed zijn; en onze natuur is alleen behouden als onze adequate ideeën vrij baan hebben: ’t enige goede voor ons is het hebben van adequate ideeën.
Het eerste, het hoogste goed, dat ons behoudt, lijkt Santayana juist. Maar twijfelachtig vindt hij het dat dat alleen met adequate ideeën geschiedt.  Dát onze essentie noemen vindt Santayana vreemd. Oké, dat onze passies ermee vernietigd kunnen worden en dat ze sociale cohesie bevorderen, maar dat veronderstelt dat vernietiging van passies  en bereiken van sociale cohesie ‘goeden’ zijn. Maar Spinoza had toch aangetoond, dat alle idealen arbitrair zijn: een goed is immers wat wij wensen niet het fundament ervan. Hij beschrijft dus slechts wat hem wenselijk voorkomt – hij de man die overweldigd is door de zin voor mystieke eenheid en de wetenschap van de werkelijke dingen. Alsof hij ons zijn idealen als nieuwe standaarden voor goed en kwaad voorhoudt. Maar Spinoza kan dit (zijn arbitraire doelen) niet voor iedereen bedoeld hebben, vindt Santayana.
Sprigge verwijst naar de prefatio van deel IV, waar Spinoza zelf op zoiets wijst: dat we ons een model van een menselijke natuur voor ogen stellen: een ideaal voor wie ’t aangaat. De vraag is dan of Spinoza ’t intellect juist behandelt als de essentie van de mens. Voor Santayana is Spinoza’s ideaal niet geworteld in de natuur der dingen en heeft niets voor op andere idealen (misschien wil een ander rijk zijn, of immoreel, gelukkig trouwen). Heil is niet gewenst omdat het goed is, maar is alleen goed als het gewenst is. Mij moet toegestaan worden de overtuiging te hebben, dat adequate ideeën inadequaat zijn voor het leven. Spinoza’s ideaal is aantrekkelijk voor wie al aan de intellectuele kant van de natuur staat. Voor wie willen weten hoe de wereld in elkaar zit. Maar de mens is meer dan intellect en de hele mens ziet dingen meestentijds in minder absolute termen. Zoeken naar het absolute gezichtspunt is een doel naast andere doelen. Daarmee is Spinoza’s ideaal even arbitrair als andere, maar daarmee niet veroordeeld: hij heeft een hoogstaande optie. Voor zover het inadequate ideeën uitsluit, verwerpt Santayana ‘t, want hij wil er geloof en liefde, plezier en ambitie niet voor opofferen.
Santayana vindt dat Spinoza te weinig respect heeft voor esthetiek en sociale vereisten. Hij vindt Spinoza te eenzijdig gericht op begrijpen van de waarheid van dingen – te intellectualistisch. Te optimistisch ook. Het mag dan mogelijk zijn zichzelf te verliezen in de eeuwige realiteit en er zo geen gewicht meer aan toe te kennen, maar waarom zou men dat doen? Is niet beter naar een voller systeem van idealen te haken, zelfs wetend dat ze niet bevredigend vervuld kunnen worden. Spinoza houdt een nobel ideaal voor maar “it downplays the value of all forms of human fulfilment which are not purely intellectual”.  Vooral wat betreft de ‘sense of beauty’.

 

[ad 2] De Inleiding op de Ethica.

Spinoza zien als atheïst of als “Ein Gottbetrunkener Mensch” zijn beide waar. Om dat in te zien vraagt een diep begrijpen van Spinoza. Z’n grote kennis van ‘t Hebreeuws én zijn onafhankelijkheid van de joodse gemeenschap stelden hem in staat de grondlegger van de Bijbelkritiek te worden. Spinoza was boven alles een profeet van het ideaal van de tolerantie. Santayana ziet hem als vooruitziend liberaal; maar hij was vooral een realist (recht=macht; dat wil zeggen elk heeft zijn conatus).

Er is een bijzondere passie, nl de rede, wat de wens is een harmonisch leven te leiden en die andere passies versterkt of controleert. Spigge wijst erop dat de rede centraal staat in Santayana’s eigen ethiek, maar die is niet gelijk aan Spinoza’s positie, die het meer om adequate ideeën gaat. Santayana interpreteert Spinoza zo dat het leven volgens de rede afwijzing is van wat onmogelijk is en samenwerking met wat noodzakelijk. Dit zou Spinoza kennis en liefde van God noemen.

Er is enig anti-joods sentiment bij Santayana, dat niet zover gaat dat ’t antisemitisme wordt, maar smakeloos is het wel.

Spinoza zou het meest afwijken van het jodendom in z’n idee van vrijheid en onsterfelijkheid. Santayana gaat mee in vrijheid als ‘inward causation’ zonder onbepaalde implicaties. Onsterfelijkheid ziet Santayana zelf als 1e zo opgaan in de eeuwige dingen dat het kleine eigen leven van minder belang schijnt; 2e de eigen plaats in de geschiedenis, hoe nederig ook, is een eeuwige waarheid die nooit meer ongedaan gemaakt kan worden. [Je bent er geweest, ook als je er geweest bent.] Spinoza zag volgens Spigge de eeuwigheid van de geest in Gods geest.

Santayana ziet de eeuwige waarheid en liefde voor die waarheid als het eeuwige i.p.v. concreet bestaande dingen. Voor Spinoza zijn we eeuwig als de ideeën in het werkelijk eeuwige bewustzijn van God zijn. Daar verwijst Santayana niet naar. Maar dat liefde voor de waarheid als een religieuze passie is, is zeker spinozistisch. Santayana ziet het systematisch samengaan van uitbreiding en denken, de mathematisch-fysieke wereld en het zelfbewustzijn, als een te ver gaande overtuiging en een gedateerde paradox.

Santayana ziet bij Spinoza twee terreinen voor de wetenschap waarbij de werkelijkheid kan worden gekend. Zijn 'psycho-physical parallelism' was verwant aan aan Spinoza: materialistische fysica (extensie) en zelfbewustzijn (denken), maar hij vindt de vergaand doorgevoerde consequentie bij Spinoza hij antiek, ongeloofwaardig en paradoxaal. Volgens hem was de natuur niet oneindig. Spinoza verwarde volgens hem twee dingen: het veld van de essenties (ofwel dat van alle mogelijke dingen en individuen) en dat van de natuur of materie. 

 

 [Ad 3] De lezing ‘Ultimate Religion’.

Beiden, Spinoza en Santayana deden een Bijbelstudie: de TTP en The Idea of Christ in the Gospels. Beiden zagen geen bovennatuur, voor beiden was er geen plaats voor wonderen of voorzienigheid. Beiden wilden iets redden van hun godsdienst van afkomst. Beiden zagen in de bijbel een bron van moraliteit, maar ze verschilden wat betreft de betekenis van de begeleidende superstitieuze aspecten. Voor Santayana, een atheïst die positief stond tegenover religie, was godsdienst vooral dichtkunst die belangrijke facetten van het menselijk leven vorm geeft. De teruggang van de verbeeldingsrijke verhalen van de godsdienst zag hij als verlies. Hij zag Spinoza’s notie van een universele religie als een protestants modernisme dat volgens Santayana het valse van de religie behoudt en de schoonheid ervan verwerpt. Dat is als proberen te spreken zonder een taal te gebruiken. Spinoza ging het alleen om het volgen van de basisethiek en niet gom een verrijkt leven.

Time - George Santayana - Feb. 3, 1936 - Books - Poets

Santayana wijst veel af, maar is spinozistisch in concepten als de conatus, in z’n naturalisme en z’n geloof dat men een religieus gevoel kan hebben tegenover een kosmos waarin zich geen persoonlijke god bevindt die zich om menselijk welzijn bekommert.

En zo vergeleek Bertrand Russell hen beiden:

Santayana, like Spinoza, is to be read, not so much on account of his theoretical doctrines, as on account of his view as to what constitutes the good life, and of his standard of values in art and morals. I do not mean to suggest that either his opinions or his values resemble Spinoza's. Spinoza, he says, failed to reconstitute the life of reason because "everything impassioned seemed to him insane, everything human necessarily petty. Man was to be a pious tame animal, with stars shining above his head." The likeness to Spinoza consist in concern for the life of reason, not in the theory as to what it consist of." (Philosophy of Santayana, 435-54 - geciteerd door Henry Tompkins Kirby-Smith, p. 30]

Slechts een paar referenties (want er is heel veel)

He was a highly respected and popular teacher - op Stanford

Of the Modern philosophers, Santayana reserves his highest praise for Spinoza [Internet Encyclopedia of Philosophy]

A weblog dedicated to questioning and conversing about the thought of George Santayana.

The Elements of Poetry By George Santayana

Selected Poetry of George Santayana