J.H. Carp (1893 - 1979) spinozist en nationaal-socialist

Zoals ik in het vorige blog aankondigde, wil ik wat schrijven over Carp. In dit blog eerst maar eens de biografische feiten.

Johan Herman Carp werd geboren uit een geslacht van hoge militairen en predikanten, studeerde in Leiden rechten, met accent op staatsrecht, en promoveerde in 1921 bij H. Krabbe op een proefschrift over het Sovjet-communisme of Bolsjewisme. Krop wijst erop dat Carp de rechtstheorie van zijn promotor aanhing en verder ontwikkelde over de leer van de rechtssoevereiniteit, waarmee deze tegen het rechtspositivisme inging en stelde dat een wet niet bindend is vanwege de wil van de wetgever, maar doordat hij wordt gedragen door het rechtsgevoel en het rechtsbewustzijn van een rechtsgemeenschap.1  

Terwijl hij aan zijn proefschrift werkte kreeg hij een aanstelling bij de provincie Zuid-Holland, eerst als adjunct-commies en uiteindelijk administrateur-afdelingschef.

In de twintiger jaren verschenen diverse publicaties van hem waarin hij de rechtsoevereiniteitsopvattingen van zijn voormalige promotor verder uitwerkte en dit in een Hegeliaans geschiedfilosofisch kader deed waarbij hij een relatie legde met ‘de moderne tijdgeest’.

In die jaren ontwikkelde hij ook zijn kennis over het denken van Spinoza. Hij trad toe tot de redactie van het Chronicon Spinozanum van de in 1920 opgerichte internationale Societatis Spinozana. Van 1921 tot 1927 verschenen vijf nummers van dit jaarboek; in de nummers 2 t/m 5 verschenen van Carp artikelen. 

Ik memoreerde in het vorige blog al dat hij gevraagd was om in 1922 tijdens de vergadering waarin werd gevierd dat de Vereniging Het Spinozahuis vijfentwintig jaar eerder was opgericht, de lezing te houden. Deze lezing droeg de titel “Psychologische beschouwingen in verband met het wezen van het spinozisme” en verscheen in Tijdschrift voor wijsbegeerte, hetgeen wellicht zijn eerste publicatie over Spinoza was. [Hier als pdf2  

Op 21 febr. 1927 om 15:00 uur werd door een internationaal gezelschap herdacht dat Spinoza 250 jaar geleden gestorven was. Na de onthulling door dr. J.H. Carp namens de Societas Spinozana van de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk te Den Haag, waar mogelijk Spinoza’s gebeente uitgestrooid ligt, legde de Franse gezant De Marcilly een krans neer.
De heer Carp in het groepje rechts, blootshoofd met hoed in de hand. Diezelfde avond werden in de Rolzaal der Grafelijke zalen op het Binnenhof herdenkingstoespraken gehouden. Carps toespraak was getiteld Wezen en waarde van het Spinozisme. [Gepubliceerd in: Chronicon Spinozanum Jaarg. 05 (1927)]. De volgende dag werd Spinoza's sterfhuis aan de Paviljoensgraf officieel als Domus Spinozanum 'ingewijd'. [Foto uit Bzzlletin, 13e jg, nr 121, dec, 1984; Themanummer Spinoza en de literatuur]

Deze foto van J.H. Carp is een inzet in bovenstaande foto van de Spinoza-herdenking bij het Haagse Grafmonument in de Sumatra Post van 25 maart 1927 die Henri Krop nog net kon maken, vlak voordat de bibliotheek van het KIT werd ontmanteld. De complete foto staat in zijn boek Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland op blz  611 [Hier toegevoegd op 27 juni 2014]

In 1933 werd een Nederlandse afdeling opgericht van de internationale Societatis Spinozana. Carp werd daarvan de voorzitter. In 1935 gaf deze afdeling het boek uit God-wereld-leven. Gedachten van Benedictus de Spinoza, waarin Carp de inleiding en Bierens de Haan een nabeschouwing gaf. Vanaf 1938 gaf deze afdeling het Spinozistisch bulletin uit, waarin Carp vele bijdragen schreef. In augustus 1940 stopte deze uitgave.

In de jaren dertig verschenen nog meer publicaties van de hand van Carp. In 1931 de studie Het Spinozisme als wereldbeschouwing, in 1940 Spinoza (in een reeks “Uren met…”).

 

En voorts meer politiek-filosofische werken als Van despotie tot vrijheid (1937), Het koningschap (1939) en het dunne, maar invloedrijke werkje Beginselen van nationaal-socialisme (1942). [Ivo Schöffer noemt dit “een helder nationaal-socialistisch geschrift. Vooral de onderdelen ‘Germaans leiderschap tegenover dictatuur’ blz. 39-43 en ‘De eenzijdigheid der beweging en de bezonnenheid van de leider’ blz. 47/50.” Een citaat: “Bij de Beweging behoort de eenpartijstaat, gelijk bij de politieke partijen de partijenstaat. Maar de eenpartijstaat is - bij gebreke van tegenpartij - tevens de partijloze staat, die alleen verbonden kan zijn aan een Volk, dat zich in de organische eenheid van zijn wezen heeft gevonden en daardoor in de waren zin tot Volk is geworden.”]

“Het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie kende zo’n 400 abonnees. Bierens de Haan, die tijdens de oorlog via een open brief in De Telegraaf openlijk afstand nam van het nationaal-socialisme, was op dat moment nog voorzitter. Goedewaagen was redactiesecretaris. In 1937 barstte de bom, vertelt Dr. D. Bartling na de oorlog: ‘Dr. J.H. Carp, mederedacteur van ons tijdschrift, kwam met een artikel getiteld ‘Wijsgerige bezinning en Nationaal-socialistische Idee". In dit artikel nam hij een recente publicatie van prof. dr. Th. Kohnstamm getiteld "het Nationaalsocialisme als geestelijk gevaar" kritisch onder de loep en stelde daartegenover zijn verdediging van het Nationaalsocialisme.’ Omdat ook het Comité van Waakzaamheid er flink van langs kreeg in het artikel van J.H. Carp zat de redactie er mee in haar maag. ‘Redactie en verenigingsbestuur gecombineerd vergaderend, wensten het tijdschrift te vrijwaren, voor dergelijk buiten-wetenschappelijk gediscussieer.’ Maar Goedewaagen kwam Carp te hulp, er ontstond ruzie en uiteindelijk stapten de twee nationalisten op.” [van hier]

In juli 1940 werd Carp lid van de N.S.B. dit gebeurde na opheffing van het verbod dat eerder voor ambtenaren bestond om lid van een politieke partij te zijn. Zijn N.S.B.-stamboeknummer was 106964. Hij had zich door zijn eerdere publicaties gaandeweg al tot de belangrijkste theoreticus van de Nationaal-Socialistische Beweging (N.S.B.) ontwikkeld.

Carp zat vanaf september 1939 in de redactie van De Waag – toen nog een onafhankelijk intellectueel tijdschrift, maar na 1942 koos het een duidelijke SS-richting. Ook had Carp zitting in de Politieke Raad van de N.S.B. In 1941 werd hij adviseur en gemachtigde van de Leider van de N.S.B., ir. A.A. Mussert, wiens persoonlijke vriend hij werd. Vanaf het najaar van 1941 bekleedde hij de functie van hoofd van de afdeling Bestuurszaken van de N.S.B. In die functie begeleidde hij nieuw-benoemde N.S.B.-burgemeesters en was hij politiek toezichthouder van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Al met al had Carp grote invloed op het Nederlandse openbaar bestuur tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Al in 1940 had Mussert een door Carp ontwikkeld plan aan Seyss Inquart voorgelegd om Mussert staatshoofd te maken door eerst de Raad van State te ontbinden en nieuwe (N.S.B.-georiënteerde) leden te benoemen die hem dan als regent zouden kiezen, daar door vertrek van de koningin de functie van staatshoofd vacant geworden was. Seyss Inquart verwierp het als té vergaand, wat niet verhinderde dat Mussert het in 1942 nog een keer probeerde.

In 1941 werd Carp tevens voorzitter van het Vredesgerechtshof, een speciale rechtbank om ‘misdaden tegen de volksgemeenschap’ te berechten. In feite kwam het er op neer dat de ‘vredesrechtspraak’ Nederlanders, die zich tegen N.S.B.-ers hadden opgesteld of uitgelaten, vervolgde en strafte, waarbij niet werd geschroomd om partijdige vonnissen te wijzen.
In 1942 publiceerde Carp Een half jaar rechtspraak van het Vredegerechtshof. Het weekblad 'Volk en Vaderland' van de NSB kwam 3 febr. 1943 met een lijst met benoemingen, die voortvloeien uit het voorgenomen beleid van de bezetter om de NSB vaker te consulteren. Zo werd dr. J. H. Carp hoofd van de Secretarie van Staat van de Nationaal-Socialistische Beweging der Nederlanden, waarheen de afdeling Bestuurszaken was overgeheveld. Het had zich eigenlijk tot een ministerie willen ontwikkelen, maar werd niet meer dan een adviesorgaan.

Nadat op 7 mei 1943 in Volk en Vaderland een artikel, 'Het oordeel der Geschiedenis’, van hem verscheen, waarin hij de Nederlandse nationaal-socialisten vergeleek met de patriotten, die uit vaderlandsliefde gemene zaak hadden gemaakt met de Franse bezetter, maar die na de Franse nederlaag toch hoge posities kregen, kreeg hij van de Duitsers een publicatieverbod.

Op 19 maart 1946 werd hij wegens ‘daadwerkelijke dienstbaarheid aan den bezetter’ tot twaalf jaar veroordeeld. In 1953 werd hij voortijdig vrijgelaten. Tot zijn dood in 1979 onthield hij zich van openbaar optreden.

Noten en bronnen

1 Merkwaardig is dan weer dat het parlementaire stelsel ongeschikt werd geacht voor rechtsvorming, daar het kiezers en gekozenen zou dwingen tot het doen van uitspraken over zaken waarover zij door gebrek aan inzicht geen rechtsovertuiging bezitten. Hoe zou dan het rechtsgevoel en rechtsbewustzijn van een gemeenschap naar buiten kunnen komen?

Correctie: zag inmiddels bij Poortman dat Carp nog een eerder artikel schreef: Spinoza en Marx. in: De tijdspiegel Jaarg. (1921)

Krop, H.A. (1998) Filosofie als levensleer. De spinozistische en hegelsche beschouwingswijze in het interbellum. In: Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland, 9 (1998), 13 pp., 26-42

--  (1999). Johan Herman Carps spinozistische kritiek op de parlementaire democratie. Een wijsgeer tussen nationaal-socialisme en conservatisme. In: Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland, 10 (1999), 13 pp., 62-74

Ivo Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden. HES, Utrecht 1978 (tweede, ongewijzigde herdruk)

Wikipedia

Voor foto's van Carp: toets Carp in op http://www.beeldbankwo2.nl/zoek.jsp
aldaar o.a. een foto van Carp als president van Het Vredesgerechtshof.