Melech Ravitch (1893 - 1976) & Barukh Shpinoze (2)

Naar aanleiding van een tip van Kees van Hage op mijn vorige blog over de Jiddische dichter Melech Ravitch, heb ik vandaag een van zijn twintig Spinoza-gedichten die in 1918 in een aparte dichtbundel Shpinoza. poetòisher pruvò in fir tsikòlen uitkwamen bij de Weense uitgever M. Hikòl, kunnen overnemen uit het boek:

Sprakeloos water. Spiegel van de moderne jiddische poëzie. Samengesteld en vertaald uit het Jiddisch door Willy Brill. Meulenhoff, Amsterdam, 2007, p 181-183.

Eerst de vertaling en daarna het originele Jiddische. 

Het is een werkelijk schitterend gedicht - een aanwinst voor het

 

De geometrische vorm van de Ethica

Het was niet je diepe eenzaamheid,
Ook niet de eindeloze droefheid van je blik,
Evenmin wellicht je onbegrensde rust –
Zij hebben niet die hoge lichte brug gebouwd
Voor de stille nachtelijke dwaaltocht
Van mijn ziel, Spinoza, naar jouw land.

Het was omdat een blinde sterke macht
mij opnam in je tovercirkel,
zodat ik meer dan eens bij nacht
op zoek ging naar jouw stille woning
aan de Paviljoensgracht in Den Haag,
ergens in de onmetelijke nacht.

En wat mijn ziel uitholde tot een diepte,
die smacht naar liefde, zuiver en volkomen -
was vaak niet meer dan een eenvoudig axioma,
een toegift of bewijs, een leerstuk van één regel,
een voorbeeld met een enkele lijn, een cirkel
of je vaste voorbeeld van de som der driehoekshoeken.

O, hoe wekte dit mijn moede geest,
mijn geest, die uitgeput
als in een koortsdroom
zich voortsleept als een viervoetig beest.

En jij bewees zo licht en simpel,
met lijnen, punten, driehoeken en cirkels,
met allerlei bewijsmethoden
dat goedheid vrij is
vrij – vrij – vrij
zij hoeft zich niet onder een heer te buigen, van hemel noch van aarde,
de goedheid is – verstand
en wie het niet wil geloven, omdat hij
nog niet rijp of goed genoeg is - hij leze in de Ethica,
deel vijf.

Meer niet – het is de vorm, de vorm bracht mij tot leven.
Het eerste deel van mijn bestaan heb ‘k afgesneden
en ‘k ben gekomen naar jouw land
om de eerstvolgende van tien miljoen te zijn.

Melech Ravitch 

 

 

Di geometrisje form foen der Etik

Nisjt dain tife ejnzamkejt iz es gewen,
oen nisjt der oemendlecher tsar foen dain blik,
oen efsjer oich nisjt dain oemendleche roe -
nisjt dos hot geboit di hoiche, laichte brik
far main nesjomes sjtiln, nachtikn wandl
in dain land arain, Spinoza.

Oen dos wos hot mich gants gesjlosn in dain kisjef-kraiz
mit aza min blinder macht,
az tejlmol gej ich in der nacht arois,
blind, zoechndik dos sjtile hoiz
in Haag oif der Paviljoensgracht,
ergets woe in der oemendlecher nacht –

Oen dos wos main nesjome tif gemacht hot wi a thom,
wos lechtst noch loiterer libe oemendlecher -
iz gewen oftmol nisjt mer wi a posjeter aksiom,
a lernzats, tsoegob, tsi bawaiz,
a mosjl mit a linië, a mosjl mit a kraiz,
oder dain ejbik mosjl wegn der soeme foen drai-ek-winklen:

O, wi hot dos alts main mid geworenem gaist derwekt;
gewezn iz er oisgesjept,
oen hot zich sjoin oif ale fir gesjlept,
wi in a sjwern cholem-kosjmar –

Oen doe host doch azoi laicht,
mit liniës, poenktn, draiekn oen kraizn,
bawizn mit oifanim alerlej,
az di goetskejt iz frai,
frai, frai, frai,
zi darf zich nisjt bejgn tsoe kejn harn foen kejn himl, foen kejn land,
di goetskejt iz – farsjtand,
oen wer es wil nisjt gloibn – wail
r’iz noch nisjt raif oen goet – der zol a koek ton in der Etik,
finfter tejl.

Gornisjt mer; di form iz es gewen; di form wos hot mich oifgewekt,
oen ch’hob di ersjte helft foen lebn mainem foen mir opgezogt,
oen ch’bin gekoemen in dain land arain
der tsen-milionen-ersjter zain.

Melech Ravitch