Menno ter Braak (1902 - 1940) over zijn bezoek aan Het Spinozahuis in mei 1935

Ik had een jaar geleden, in een blog over Het Spinozahuis, al een link opgenomen naar Menno ter Braaks beschrijving van een tochtje naar Het Spinozahuis, maar ik vind het bij nader inzien een eigen blogje waard.

Léon Hanssen schrijft erover in Hoofdstuk 17 Jekyll en Hyde, in het eerste deel van zijn Ter Braak-biografie, Sterven als een polemist: Menno ter Braak 1930-1940 [Balans, Amsterdam, 2001]: 

Een prachtige, gevoelvolle ‘meditatie’ die hij in mei 1935 schreef naar aanleiding van een bezoek, samen met Ant en zijn broer Wim, op een koude zondagmiddag aan de woning van Spinoza te Rijnsburg, verraadt zijn verlangen naar de stilte en teruggetrokkenheid die voor de zeventiende-eeuwse filosoof als een levensvoorwaarde had gegolden. Schuifelend door de donkere gang van dit brillenslijpershuisje, vond hij achter de rug van een vriendelijke oude suppoost de weg naar Spinoza's kamer. Hier voelde hij zich plotseling overrompeld door een sensatie van stilte en afzijdigheid en authenticiteit en iets van deze ervaring weerklinkt nog in de beschrijving van de ruimte:

Een lage, kleine kamer, waarin de zon viel door kleine ramen; een tafel met drie ganzenveeren pennen erop, wat oud-hollandsche meubelen, een kast met boeken. Een doorgang naar een nog kleiner zijkamertje met een primitieve machinerie voor het slijpen van glazen. En verder niets dan zon en stilte, zoo intens, dat men niet weet, of men er wel bij kan blijven staan; intense stilte noopt tot zitten.

In de auto terug naar huis ontspon zich een discussie met zijn broer Wim. Of hij niet bezig was de stilte te idealiseren en vergat dat Spinoza geen plezierig leven had gehad? Dat die stilte voor het grootste deel een gedwongen stilte was geweest? Maar dit argument deed voor Ter Braak niet ter zake. De tegenwoordige wereld, meende hij, maakte stilte en afzijdigheid tot een onmogelijkheid. Misschien kan de moderne mens de stilte alleen nog maar midden in het lawaai vinden, ‘met odysseeïsche was in de ooren voor de radiosirenen, die ons omloeien...’ 799 Zo eindigde het artikel met een ode aan wat wij tegenwoordig kennen als Ohropax.

In voetnoot...

79)9Menno ter Braak, ‘Het Spinoza huis. Een meditatie rondom Rijnsburg. De philosophische stilte’, Het Vaderland, 2 juni 1935 (Vw v, 525-530); verg. Gijs Zandbergen, ‘Zelfs Spinoza's voortuintje is opgeofferd’, de Volkskrant, 4 maart 1995. Naar mijn overtuiging heeft Ter Braak de meningen van zijn broer, die in het artikel overigens anoniem blijft, en van hemzelf omgewisseld, waarmee hij zijn gesprekspartner de cultuurpessimistische uitspraken in de mond legde. De secretaris van het Spinoza-huis, W.G. van den Tak, dankte Ter Braak nog dezelfde dag voor deze meditatie, die hem ‘weldadig aandeed na het melodramatische en valsche pathos, waarmede op Hoogduitsch voorbeeld gedurende de laatste jaren de figuur van Spinoza is omringd geworden. Inderdaad met de herinnering aan Spinoza is verbonden de voorstelling van stille overpeinzing; deze dreigt echter verloren te gaan sedert de wijsgeer werd geïntroduceerd in society’.

Tot zover Léon Hanssen [zie hier bij DBNL.nl]

Ter Braaks verhaal over Het Spinozahuis is te vinden bij DBNL.nl

GIJS ZANDBERGEN: Zelfs Spinoza's voortuintje is opgeofferd, in de Volkskrant 

Bij de bezichtiging van de 'staat der renovatie' van Het Spinozahuis op de dag van de jaarvergadering in Rijnsburg, zaterdag 27 juni 2009, werd ons meegedeeld dat in het geheel niet bekend is waar Spinoza in dat huisje precies heeft gewoond. Er zijn vele herinrichtingen en verbouwingen geweest. Welke de kamer van Spinoza was, is uit niets te reconstrueren. Men heeft dus in het verleden bezoekers eenvoudigweg maar een kamer aangewezen.

Maar dat maakt niet uit, zoals Carry van Bruggen vaker schreef: "We geloven niet wat we zien, maar we zien wat we geloven."