Roger Scruton (1944) over Spinoza

Al langere tijd wilde ik eens schrijven over het boekje over Spinoza dat geschreven is door de (conservatieve) Angelsaksisch analytische filosoof Roger Scruton. Het verscheen oorspronkelijk in 1986 bij Oxford University Press in de reeks Past Masters en kwam in 2000 in een vertaling van Hessel Daalder uit in de reeks Kopstukken van uitgeverij Lemniscaat. Het is bij books.google.com in te zien.

Ik heb het inmiddels een aantal malen gelezen en sta elke keer weer paf over hoe knap Scruton Spinoza’s benadering van de filosofie, zijn filosofie, weet samen te vatten en te duiden. Hij laat zijn bewondering voor Spinoza blijken - vindt Spinoza veelzijdig -, maar hij is zeker geen Spinozist.

Onlangs las ik ook Roger Scruton, Moderne Filosofie. Van Descartes tot WittgensteinInleiding tot de moderne filosofieeen korte geschiedenis, Bijleveld, Utrecht, 2006 [Vert. Erik Coenen van A short history of modern philosophy, Routlegdge, London/New York, 1995, 2002], waarin Scruton  in het Hoofdstuk Spinoza (p 69 – 88) een nog verder ingedikte samenvatting geeft en scherp aangeeft wat er begrijpbaar en goed en wat er – volgens hem - on(be)grijpbaar aan is. Ik ben zeer onder de indruk van de heldere uitleg van moeilijke materie die Scruton weet te geven. Tegelijkertijd frappeert me elke keer weer hoe Scrutons eigen filosofie hem in de weg zit om sommige gedachten van Spinoza goed te kunnen mee voltrekken.

Het is goed te weten dat Scruton gelooft dat God louter geest is. En Scruton gelooft ook in de onafhankelijk bestaande menselijke geest of ziel. Ik heb er al vaker op gewezen dat zij die in een persoonlijke God geloven, grote moeite hebben om Spinoza te volgen. Dat zal zo dadelijk ook weer blijken uit de aanpak van Scruton.

Er bestaat trouwens ook nog een boekje over Spinoza van Roger Scruton van slechts 54 pagina's dat in 1999 bij Routledge in de reeks 'The Great Philosophers' uitkwam. De schrijver heeft zijn onderwerp dus goed gemolken...

Ik ga niet helemaal samenvatten wat Scruton van Spinoza samenvat. Ik pak er enige dingen uit die mij opvielen en waarvan ik sommige goed andere minder goed vind.

In het eerste hoofdstuk (Leven en karakter) geeft hij een heel aardige schets van de tijd en wat er van de biografie van Spinoza bekend is. Het blijft een relevant beeld dat hij schetst, hoewel het heel duidelijk op verouderd materiaal stoelt. Er zitten zeker tien foute of zeer aanvechtbare beweringen in, waar niet-kenners maar achter moeten komen door méér over Spinoza te lezen. Het eindigt met een fraaie volzin: “Door te kiezen voor de universele taal van onze cultuur schreef Spinoza het laatste Latijnse meesterwerk, waarin de subtiele concepten van de middeleeuwse filosofie tegen zichzelf worden gebruikt en volledig ontkracht.”(p. 28) *)

In een tweede hoofdstuk (Achtergrond) geeft hij een soort stand van de filosofie, waarmee hij toewerkt naar het samenvatten van deel I van de Ethica. Hij behandelt e.e.a. van Maimonides en Descartes, Grotius en Hobbes, over Spinoza's substantiebegrip en zijn gebruik van het ontologisch godsbewijs. Over Spinoza’s verzoening van het ‘noodzakelijk wezen’ met ‘vrijheid’ zegt hij: “Spinoza’s antwoord is niet alleen vindingrijker en diepzinniger dan alle andere, maar misschien ook het enige dat echt plausibel is.” (p. 35) Later zal blijken dat Scruton er toch veel moeite mee blijft houden.
Uit dit hoofdstuk verder nog enige citaten:

“In Maimonides zou hij het beeld van de filosoof als gids voor het leven hebben ontdekt; in de kabbala de opvattingen over Gods immanentie en de uiteindelijke identiteit tussen de Schepper en zijn schepping.” (p. 30). “Het is net zo gemakkelijk om Spinoza te zien als een van de laatste grote vertegenwoordigers van het middeleeuwse denken, die probeerde een aristotelische theologie te verzoenen met de bevindingen van de moderne wetenschap, en als de nieuwe mens van de Verlichting, die een theorie van de menselijke natuur en het menselijk geluk trachtte te verschaffen waardoor het contemplatieve leven – Aristoteles’ hoogste goed – de plaats kreeg die het vroeger had.” (p. 31) “Spinoza’s prestatie was dat hij aantoonde dat de mens en zijn wereld een onlosmakelijk geheel vormen en dat de mens zelf zowel meester als dienaar is van het lot dat hem creëert.” (p. 32) Dat dat 'meesterschap' overigens niet meer betekent dan de vergroting van inzicht in en begrip van de noodzakelijke eeuwige aspecten van zijn bestaan, vermeldt Scruton er niet bij, daar hem dat waarschijnlijk niet lekker zit.

Je proeft regelmatig de analytische taalfilosoof die kijkt naar Spinoza’s taalfilosofie. Met Maimonides verwerpt Spinoza het belang van de gewone omgangstaal (de taal van de verbeelding: woorden zijn de  tekenen van de dingen zoals zij zich aan de verbeelding voordoen), waarbij hij telkens aandacht vraagt voor zijn verwoording, definiëring van ideeën. Waarbij Scruton aantekent: “Het zij voldoende te zeggen dat de lezer van de Ethica er nooit echt zeker van kan zijn dat hij werkelijk de stap heeft gezet van de woorden op de pagina naar de ‘ideeën’ die in die woorden vervat zijn.” (p. 44)

Het volgende hoofdstuk (God) geeft een knappe samenvatting van de gedachtelijnen én van de moeilijkheden, vooral wat betreft Spinoza’s attributen-begrip. Scruton legt veel nadruk op het aantonen dat achter wat Spinoza bewijst m.b.t. het samengaan van adequate idee en de (ontologische) realiteit ervan, de fundamentele overtuiging dat de wereld begrijpelijk is voor de rede, en dat de ‘oorzakelijkheid van de wereld’ werkelijk een ‘oorzakelijkheid van de rede’ is, al als veronderstelling in zijn axioma’s en definities verborgen zat. Dit wat de ene van twee grondbeginselen (de rationalistische kennisleer) betreft, waarop volgens Scruton Spinoza’s filosofie berust. Over de andere (het substantiebegrip) zegt hij: “Uit het oogpunt van de metafysica is Spinoza’s grote verdienste wellicht dat hij deze notie van substantie diepgaand onderzocht en haar niet los wou laten totdat hij er elk greintje filosofische betekenis uit had getrokken.” (in Moderne Filosofie, p. 70).
Nadat hij de begrippen substantie, attributen en modi heeft behandeld, vat hij samen: “voor zover de wereld voor ons kenbaar is bestaat ze dus uit één ding, bezien in twee gedaanten, die corresponderen met haar twee kenbare attributen.” Maar dan volgt: “Ze kan hetzij beschouwd worden in de gedaante ‘denken’, en in dat geval noemen we haar ‘God’, hetzij in de gedaante ‘uitgebreidheid’, en dan spreken we van ‘natuur’. Zo kwam Spinoza tot zijn beroemde conclusie. God of Natuur (‘Deus sive Natura’) is dat ene en enige bestaande ding dat noodzakelijk bestaat en, als oorzaak van zichzelf, in de eeuwigheid voortduurt.” (in Moderne Filosofie, p. 74-75) Hier geeft Scruton een heel eigen uitleg van Spinoza.**) Alleen zó kan hij hem volgen; want hijzelf is ervan overtuigd dat God louter geest is. Zoals hij het uitlegt staat God toch a.h.w. buiten de materie. Dat hij hier ook Spinoza’s eeuwigheidsbegrip niet vat, waarop ‘duur’ niet van toepassing is, tot daaraan toe; dat heeft hij elders wel beter behandeld. Maar dat hij het godsbegrip louter aan de kant van het denken plaatst, en de uitgebreidheid aan die van de natuur, is natuurlijk niet meer Spinoza echt begrepen hebben. Dit is onversneden Scruton.

Net zoals 100% Scruton te proeven is op diverse plaatsen, zoals in de openingszin van het vijfde hoofdstuk (Vrijheid): “Er ontbreekt iets aan Spinoza’s filosofie van de geest: iets essentieels waarvan de aan- of afwezigheid het gehele denken van de filosoof beïnvloedt. Dit ontbrekende element is het subject of het zelf: het punt waar alles bij Descartes om draaide en waarvan het bestaan werd vastgesteld door het cogito.”(p. 87) Scruton heeft grote moeite met de opvatting dat wij grotendeels (sic) beheerst worden door ‘onbewuste’ krachten. Hierop komt hij meermalen terug, bijvoorbeeld: “Zoals ik al suggereerde, is er voor Spinoza geen ‘zelf’, geen ‘eerste persoon’ die als het ware de oorzakelijkheid van mijn handelingen voor mijn rekening neemt.”(p. 99) Hij vat dit samen in de omschrijving als een ‘zelfloze’ metafysica (p. 101). En zo heeft Scruton ook moeite met Spinoza’s vrijheidsbegrip: “De vrije mens is de mens die zich bewust is van de noodzakelijkheid waaraan hij is onderworpen.” (p. 104)

Daarna heeft hij een hoofdstuk over De staat, en een laatste kort, maar informatief hoofdstuk over Spinoza’s nalatenschap. Daar laat ik het bij.

"Een heldere en kritische samenvatting van Spinoza's filosofie," zo omschreef Rob Hartmans het in 2001 in een artikel Biografieën van een ‹bijna-heilige› in De Groene Amsterdammer (hier op despinoza.nl). Ik kan me - met een aantekening bij dat 'kritische' - in deze typering wel vinden.

Bekijk de afbeelding op ware grootteIk heb intussen, hoop ik, voldoende laten zien, hoe moeilijk het ook voor een bijzonder kundig vakfilosoof kan zijn, om echt ver mee te wandelen met een Spinoza die hij telkens het liefst mee zou willen trekken in een net iets andere richting. Maar juist dat te doen kan een student helpen om beter oog te krijgen voor allerlei problemen die er bij Spinoza’s filosofie kunnen opduiken. Maar dan moet die student degene die hem inleidt vooral niet als dé autoriteit willen zien.

Spinoza (Great Philosophers)NB, zojuist zie ik dat hier iemand vijf dagen geleden een heel aardige bespreking van dit boekje gaf.

              Heruitgave 2002 in Oxford Paperbacks

Spinoza: A Very Short Introduction

Stan Verdult

 _____________

*) Deze passage is ook aan te treffen in Roger Scruton, Thinkers of the New Left (1983): “Spinoza wrote the last indisputable Latin masterpiece, and one in which the refined conceptions of medieval philosophy are finally turned against themselves and destroyed entirely.”

 

**) Of Scruton volgt Alexander Pope:
"All are but parts of one stupendous whole,
Whose body Nature is, and God the soul;
That, chang'd thro' all, and yet in all the same
[cf blog]

Reacties

Nieuwsgierig om te zien wie hier achter zit en wat je onderwerpen zijn. Een goededag toegewenst.

Ik bewonder je uithoudingsvermogen, Stan, om zo veel te lezen van een auteur die een haat-liefde-verhouding met Spinoza heeft. Is het niet vooral omdat hij zo origineel schrijft? Ik deel je kritiek niet alleen, maar vind ook dat je die doetreffend formuleert. Je zou er nog aan kunnen toevoegen dat Scruton totaal voorbijgaat aan Spinoza's fysicalisme en kentheoretisch empirisme.