Albert Verwey over Thijm, Huët, Van Vloten en Spinoza

In De Nieuwe Gids van 1889 [Jaargang 4] verscheen, gedateerd maart ‘89, van Albert Verwey “Bij den dood van J.A. Alberdingk Thijm”; opgedragen “Aan F. van der Goes.” Een heel lang gedicht, dat toen het werd opgenomen in zijn Verzamelde gedichten [1889] opgedeeld werd in vijf delen, genummerd met Romeinse cijfers. Het is dat jaar zelfs apart uitgegeven (‘n dichtbundeltje van 16 pagina’s).

Aan de diverse blogs die ik wijdde aan het Spinozisme van Albert Verwey, onlangs nog over zijn gedicht “Kristal en fontein” (voor de overige blogs verwijs ik naar het zoekvenster), voeg ik graag van de vijf delen van dat lange gedicht het middelste hier toe. Het is voor mij typisch een Spinozistisch gedicht, niet daar Spinoza in dit deel genoemd wordt (in verband met Van Vloten), maar door ’t ethische dat hij oproept en door een zin als die aan het eind van dit deel: “Wie lijdend doen gaat vindt in 't doen-zelf vreugd.”

BIJ DEN DOOD VAN J. A. ALBERDINGK THIJM.

 

                                 III

 

'k Zat met een vriend, een die heel binnen in
Zoo'n héél erg mensch is, — zooals ménschen zijn:
Liever voor and'ren dan zichzelf, — maar ’t niet
Wil wete' uit schaamte, — of heuschen goeden smaak, —
En angstig zijn mooi mensch-zijn kleedt in rechte
Maniere' en eerlijke' ernst in kunst'ge scherts.
Tusschen veel boeken in een hoog vertrek
Zaten we en zei 'k halfluid: Thijm, Huët, Van Vloten.
En hij gaf antwoord: die drie, ja die waren 't.
Van Vloten, 'n mensch, die 't leven in zijn tijd
Alléen al heerlijk vond, daar 't léven was.
Noemde zich Levensbode, had lief Spinoza,
Omdat die 'm zei: dit 's 't al: er wordt geleefd.
Hij liep zijn tijd door als door 'n bosch een man:
Die knapt af takken dor en trapt ’t serpent,
Dat sist en met juweelen oogjes straalt; —
Trapt met de hakken soms, — en dat 's helaas, —
Een groene en jonge tak, die groeien wou;
Maar blijft: het pad van een blij mensch in 't bosch,
En dat 's de liefste weg, die 'n blij mensch baant.
De kleinen haatten hem omdat hij soms
Door 't koorn liep op een Zondag, of hen schold
En floot dan 'n deuntje, zoodat zij de pijn,
Hij al 't pleizier had; maar wat schaadt dat ons,
Die loopen op zijn pad en bloemen zien
Op 't boerekoolland, dat hij heeft ontwijd.

 

Huët, hem heb 'k voor groote' en goeden man.
Hij was zoo'n mensch; heeft tien jaar pijn gehad
Van 't vroom-zijn: God is goed: hoe dan dat de aard
Zoo kwaad is en God 't duldt. Lief hè, zoo'n kind.
Toen zei hij: 'k Ben een mensch en kan niet zien
Achter mijn oogen, hoe 'k daar ben. Maar ’n mensch
Doe wat hij kan, zoo goed hij 't kan. Ja, zoo.
Zóo deed hij, en ik wou wel éen man zien,
Die zich zoo innig voornam goed te zijn
En 't deed. 't Volk haatte ook hem. Hij wist te wel,
Dat al wie moedernaakt door Holland loopt
Sterft van de guurte en wie zijn ziel naakt laat
Gaan onder 't menschdom aan het menschdom sterft.
Hij kleedd' zijn mooie ziel tot ze een recht stijf
Stekelig lijf leek ; — wie haar greep leed pijn;
En schold hem die met staat'ge schreden schreed,
Midde' in de volte en zag 't gepeupel niet.

 

Nu 's Thijm dood; 'k hield van de' ouden Thijm; hij had
Een prettige manier van op zijn tijd
Boos en weer goed te zijn, en beide in ernst.
Dat goed en boos was 't menschespelletje;
Hij had er schik in dat hij werken kon,
Terwijl 't volk keek: — 't spel ernst om de' ernst van 't werk.
O, Thijm moest lachen, — nee, glimlachen meen 'k,
Als hij 't gedebatteer en deftig doen
Hoorde over dingen, die hij daag'lijks schreef.
Want juist doordat zich 't volk daaraan bedroog,
Kon hij, midde' in deez' nucht'ren nieuwen tijd,
Veilig die vreemde Roomsche ridder zijn
En hoofsche Franschman van een vorige eeuw.

 

Hij sprak toen er een inkwam, éen van 't soort —
Als 'k zei: — mooi door veel houden van het mooi;
Een, die uit mooiheidsliefde honger lijdt,
Maar dan op eens zich vorst’lijk regaleert.
Hij huilde altijd als een lief kind, dat hij,
Zóo lief en mooi, zoo'n honger had. Hij zei:
Thijm, Huët, Van Vloten, dat had elk van hen,
Dat elk zichzelf glimlachend leven zag:
Goed werkt, wie 'n lachend oog houdt op het werk.
En dat 's ons lijden, dat wij grooter zijn,
Grooter in voelen, en in doen somtijds,
Maar altijd schreien naar ons eigen zelf:
't Werk vlot niet daar de werker zelf bij schreit.

 

Hij zweeg; en de and're zei: komt, laat ons doen:
Wie lijdend doen gaat vindt in 't doen-zelf vreugd.

 

Albert Verwey, Verzamelde gedichten. 1889
[het complete gedicht bij DBNL]

                                                    * * *

                         Foto Stan Verdult 23 augustus 2009

Wel aardig is misschien nog om te weten dat de kop, die op de cover staat van bovenstaande bundel met een keuze uit Verwey's werk, gemaakt is door dezelfde kunstenaar die ook de buste van Spinoza maakte die in de tuin van het Spinozahuis staat: Oswald Wenckebach (1895-1962). Het beeld van Verwey staat in Noordwijk.

Foto 15 maart 2012, op wikipedia geplaatst door ene Richardkw 
Zo is Albert Verwey ook via de beeldhouwkunst met zijn filosoof Spinoza vereeuwigd.