Carp over Goethe en Spinoza

Bekijk de afbeelding op ware grootteEen jaar geleden, januari 2009, had ik een blog over Goethe en Spinoza, waarin ik zijn gedicht Prometheus had opgenomen. Dit was één van de twee gedichten die Jacobi in 1785 in zijn Spinoza-Büchlein van Goethe had opgenomen als - wat hem betrof - voorbeelden van pantheïsme en verborgen Spinozisme. Het andere gedicht was Das Göttliche dat al eens door despinoza.nl was opgenomen in het blog 'Goethe, Spinoza en Faust'.

Aan Goethe mag best nog een keer een blog worden gewijd. Want "Goethe war der Spinoza der Poesie," zoals Heinrich Heine ooit heel fraai had geschreven.1) En had Goethe zelf niet gezegd: "Spinoza: der Philosoph, dem ich zumeist vertraue."

Hans-Jürgen Schings noemde Goethe's Werther en zijn Faust: the mythical figures of modern times with the two Wilhelm Meister novels the critical countertheme in which the voice of Spinoza is [..] considered the cantus firmus of outstanding significance.” 2)
Kortom, er zat veel Spinoza in Goethe.

De kapstok voor dit blog is een boekje van Carp dat aanleiding geeft straks een misschien nóg Spinozistischer gedicht van Goethe op te nemen: Eins und Alles.

In 1932 hield Carp in het Haagse Spinozahuis een voordracht over ‘Spinoza en Goethe’, die vervolgens door NV Boekh. en Uitgevers Mij. v/h W.P. van Stockum & ZN. te ‘s-Gravenhage in 1932 werd uitgegeven.

Zoals Carp het heeft over "het probleem ‘Spinoza – Goethe’," zouden wij zo’n onderwerp tegenwoordig niet meer aanduiden. Er is echter wel ‘het probleem Carp’:  de Spinozist die tevens NSB’er werd. Daarover had ik eerder een aantal blogs3), waarbij ik de conclusie kon trekken dat het nog altijd boeiend en leerzaam is, van zijn serieuze en deskundige omgang met en verwerking van Spinoza kennis te nemen. Welnu dat geldt ook voor dit boekje. Carp geeft een heel eigen en zinnige beschouwing over de interesse van Goethe in Spinoza. Hij ziet grote verwantschap, een ‘gemeenschappelijke richting van denken’, zoals hij het noemt, bij Goethe en Spinoza.

[1] Carp gaat eerst na wat Goethe uitdrukkelijk over Spinoza heeft gezegd. Dat houd ik hier kort, want daar is al veel over geschreven. De jongeling Goethe, had nog niet de bewondering van de oude Goethe voor Spinoza. In de ‘Strassburger Ephemeriden’ (1770) betreurt hij dat de ‘verheven leer van de eenheid van God en Natuur’ in het Spinozisme zo’n slechte broeder heeft (‘iniquissimus frater’). In die tijd liep zijn kennis van Spinoza nog via Bayle. Een paar jaar later gaat hij Spinoza zelf lezen en schrijft hij (in 1783 aan Knebel): “Ich fühle mich ihm [Spinoza] sehr nahe…” En een jaar later schrijft hij aan Frau von Stein: “Ich bringe den Spinoza lateinisch mit, wo alles viel deutlicher und schöner ist.” In Dichtung und Wahrheit tenslotte is zijn verering onomwonden: “dieser Geist, der so entschieden auf mich wirkte, und der auf meine ganze Denkweise so groszen Einflusz haben sollte.” Naast Linnaeus en Shakespeare hielp de Ethica hem aan een beschouwingswijze om zijn plaats in het universum te bepalen; om alles te helpen inzien en ordenen. Hij vindt er teven ‘Beruhigung der Leidenschaften’. Hij wil zich vervolgens ook nog slechts met het blijvende bezighouden ‘und so nach der Lehre des Spinoza meinem Geiste erst die Ewigkeit verschaffen’. Jacobi’s gelijkstelling van Spinozisme met atheïsme wijst hij af en over Spinoza spreekt hij als ‘Theissimus’ en ‘Christianissimus’. Maar verschil is er ook; Goethe onderschrijft niet alles letterlijk.

[2] Vervolgens probeert Carp de wereldbeschouwing van beiden te vergelijken. Daarbij is de moeilijkheid dat die van Goethe gereconstrueerd moet worden uit een bijna eindeloze verscheidenheid aan beelden en voorstellingen, die niet als opzet hadden een algemeen wereldsysteem te schetsen – en welke ook niet altijd aan zijn eigen, persoonlijke opvattingen uiting gaven.

In ieder geval had Goethe afkeer van het deterministisch naturalisme. Hij houdt niet van oorzakelijke verklaringen (die verschuiven alles maar naar de verte… meent hij). Hij is alleen geïnteresseerd in ‘Bedingungen unter welchen die Phänomene erscheinen.”
Als vergelijkingspunten tussen Spinoza en Goethe ziet Carp: hun metafysisch uitgangspunt, hun methodisch beginsel, hun godsidee en ’s mensen bestemming.

[I] Het ‘metafysisch uitgangspunt’ zit in de idee van de oneindige eenheid. Deze kan niet in het denken worden omvat. Haar transrationaliteit kan slechts in een symbolisch idee tot uitdrukking worden gebracht (via de godsidee). Het beginsel der oneindige eenheid kan niet uit de empirische ervaring worden afgeleid: het is het apriori der ervaring dat deze laatste in een redelijk verband kan doen begrijpen (‘hinter dem Wechselnden ruht ein Ewiges). Zijn beschouwingswijze vat hij aldus samen: “Im vorübergehenden das Ewige schauen zu lassen.” Het ene, eeuwige en oneindige ziet hij als fundament van het tijdelijke en eindige. Das Augenblick ist Ewigkeit. ‘An der Mannigfakltigkeit der Welterscheinungen freut sich der Lebemensch, an der Einheit dieser Mannigfaltigkeit der höhere Forscher,” schrijft Goethe aan E. Meijer.
Dat Spinoza’s dynamisch vormend beginsel tot uitdrukking komend in de oneindige modi en de bestaansdrang (conatus in suo esse perseverandi) bij Goethe terug te vinden zou zijn in das Ewig Weibliche, de vormende liefde, lijkt mij wat gezocht.

[II] Het ‘methodisch beginsel’. Goethe zei het zo: de mens moet om te kennen scheiden wat niet te scheiden is en alles wat de natuur ons gescheiden aanreikt, weer verbinden en tot eenheid maken. In de levende natuur geschiedt niets dat niet in verbinding met het geheel staat. Zaak is dus de dingen te begrijpen in hun onderlinge verband, onder het gezichtspunt van de eenheid.

[III] In het godsidee zit niets personalistisch, bij Spinoza en Goethe niet. Maar Goethe heeft ook geen rationalistisch godsidee. Dat zou in zijn ogen de pretentie inhouden dat God zich door het denken zou laten omvatten. Maar God is ondenkbaar volgens Goethe. De redelijk onkenbare God openbaart zich echter wel als metafysisch beginsel en symbolische idee, maar valt niet samen met de natuur.
Niet de natuur die de mens kan waarnemen en betasten, is het goddelijke, maar het goddelijke doet zich voor de mens in de natuur voor als (in Carps verwoording van Goethe) “een van deszelfs oneindige openbaringsvormen.” Het goddelijke openbaart zich in de natuur, “welke zelve niet God is”. Het goddelijke is er wel de immanente bestaansnoodwendigheid van.
Zo is het volgens Carp ook bij Spinoza, behalve dat er bij hem een begripsmatig verband ontwikkeld wordt tussen de Goddelijke Oneindigheid en de wereld. Het volkomen wezen van God is onkenbaar, maar God kan door het verstand wel gekend worden onder het gezichtspunt van de beide attributen, denken en uitgebreidheid. Wat aldus de natuur in God en God in de natuur doet begrijpen. Beiden, zowel Spinoza als Goethe, zijn daarmee niet pantheïstisch.

[IV] ‘s Mensen bestemming ligt in zijn bestaan zelf besloten. “Der Zweck des Lebens ist das Leben selbst.” […] “Was auch fürHindernisse sich hervortun, dadurch mit uns Selbst zum Frieden gelangen können.” Daar gaat het Goethe om (p. 54). Vrijheid wordt bereikt indien de mens zijn individualiteit en subjectiviteit overwint en zich tot de objectieve ordening zelf verheft of zichzelf ontstijgt. Spinoza spreekt in dat verband van het bereiken van beatitudo en amor intellectualis Dei.

Carp wijst er dan op dat Goethes gedicht Eins und Alles hiervan de samenvatting is. Daarom hier

 

Eins und Alles

Im Grenzenlosen sich zu finden,
Wird gern der Einzelne verschwinden,
Da löst sich aller Überdruß;
Statt heißem Wünschen, wildem Wollen,
Statt läst'gem Fordern, strengem Sollen
Sich aufzugeben ist Genuß.

Weltseele, komm, uns zu durchdringen!
Dann mit dem Weltgeist selbst zu ringen
Wird unsrer Kräfte Hochberuf.
Teilnehmend führen gute Geister,
Gelinde leitend, höchste Meister,
Zu dem, der alles schafft und schuf.

Und umzuschaffen das Geschaffne,
Damit sich's nicht zum Starren waffne,
Wirkt ewiges lebendiges Tun.
Und was nicht war, nun will es werden
Zu reinen Sonnen, farbigen Erden,
In keinem Falle darf es ruhn.

Es soll sich regen, schaffend handeln,
Erst sich gestalten, dann verwandeln;
Nur scheinbar steht's Momente still.
Das Ewige regt sich fort in allen:
Denn alles muß in Nichts zerfallen,
Wenn es im Sein beharren will.

Johann Wolfgang von Goethe

 

Bronnen en noten

1) Heinrich Heine ‘Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland. Drittes Buch’.
“Um mich kurz auszudrücken: Goethe war der Spinoza der Poesie.“
Quelle: Heines Werke. Siebenter Band. Die romantische Schule. Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland. Hrsg. von Ewald A. Boucke. Berlin o. J. [1931], S. 286f. [Hier PDF]

2) Schings, Hans-Jürgen_Goethe's `Wilhelm Meister' and Spinoza_ Interdisciplinary Science Reviews, Volume 11, Number 2, June 1986 , pp. 118-121(4) [Hier]

3) Vier blogs over J.H. Carp van 9 t/m 11 september 2009:

1• J.H. Carp (1893 - 1979) - eerste opstapje: over een schijntegenstelling
2 • J.H. Carp (1893 - 1979) spinozist en nationaal-socialist
3 • J.H. Carp (1893 - 1979) hoofdlijnen van zijn Spinozisme
4 • Carps spinozisme: immanentiefilosofie die in het nationaal-socialisme zijn logische uitkomst vond?

Reacties

Stan, naar mijn mening heeft Goethe's 'Eins und alles' niets van Spinoza, maar veel van Hegel:
1. Het is idealistisch van toonzetting - 'Weltseele', 'Weltgeist'. Spinozistisch gezegd: alleen het attribuut denken.
2. Het attribuut uitgebreidheid komt niet ter sprake, de materiële dingen ook niet.
3. Het benadrukt het eeuwige worden, ook een hegeliaans motief.
4. In de eerste twee regels verdwijnt het individu in het "Grenzenlosen'. Dat is wat anders dan Spinoza's 'eenheid van de geest met de gehele natuur' in de TIE.
4. Het benadrukt het scheppende karakter van de 'Weltseele'. Scheppen = iets uit niets tot stand brengen, onspinozistisch dus.
5. Er ontbreekt elke rationaliteit, geen beginsel van voldoende rede.
Het probleem is dat het denken van Spinoza, zowel in Duitsland als in Nederland tot aan de Tweede Wereldoorlog in sterke mate hegeliaans beïnvloed is. Ook Carp is daar een voorbeeld van. Denk je eens in dat je een Hegel-blog had en niet een Spinoza-blog. Je zou je gehele verhaal over Carp, inclusief het gedicht van Goethe er onveranderd in kunnen zetten.

Na je uitstekende inleiding heb ik wederom ontzettend genoten van Goethe's formidabele gedicht "Eins und Alles". Ik zou het uit mijn hoofd moeten leren om het altijd paraat te hebben. Helaas lukt dat niet meer.

Adrie, je wijst terecht op Hegeliaanse invloeden, maar je gaat wat te ver door te menen dat er "niets van Spinoza" in te vinden is. Ook bij Spinoza verliest het individuele/subjectieve zich uiteindelijk in het beseffen van de eeuwigheid van alles. Ook Spinoza gebruikt nog wel eens metaforisch het woordje 'scheppen'. Inderdaad kan niets "in Nichts zerfallen" (dichterlijke vrijheid?). Er is uitgebreidheid in: Und was nicht war, nun will es werden / Zu reinen Sonnen, farbigen Erden...
Maar je hebt wel gelijk: hier is een door Hegel gegaan Spinozisme te ervaren. Dank voor je attendering.