Cees Nooteboom speelt soms met Spinoza

Gisteren vertelde mijn broer mij tijdens een familiefeestje dat hij z’n twijfels had over een tekstje van Cees Nooteboom op p. 243 in zijn De omweg naar Santiago (1992). Nooteboom koketteert graag met z’n eruditie, maar heeft hij hier Spinoza wel goed te pakken? Zo wilde hij van mij weten.

Ja, die erudiete associaties van Nooteboom… De een stoort er zich aan, voor de ander vormt dat nu juist de grote charme van zijn schrijven. Vooral reisschrijver was hij - reizen was zijn manier van leven. 

Een enkele maal strooit Nooteboom Spinoza door zijn werk. Soms zomaar één keer als namedropping, b.v. in een wat vreemde bosscène in Rituelen. In Allerzielen (1998) fladdert iemand even snel door de geschiedenis: “renaissance, stijl, uiterlijk. Schitterend, maar zonder de vroomheid. Nog even, en de eerste lenzen worden geslepen. Jouw landgenoten, als je Spinoza tenminste een Hollander wilt noemen." Ja, een schrijver kan z’n personages van alles laten zeggen, maar natuurlijk was Spinoza een Hollander, een Amsterdammer zoals hij zelf graag zei.

Over de zes maanden die Nooteboom in een kamer in Berkeley doorbracht waarin hij "meer had gelezen dan in enige vergelijkbare periode in zijn leven," lezen we in de verzamelbundel Avontuur Amerika (2010): "De gewichten die ik torste waren natuurlijk boven mijn macht, Spinoza, Hume, Augustinus, Hölderlin, Stevens, maar de hoge dwingelandij van die teksten nam het op tegen de tortuur van het meubilair."

In de bergen van Nederland (1984), een soort sprookje en essay tegelijk, lezen we: “Ik kan beter een voorbeeld nemen aan Anna, vrouwen zijn altijd wijzer. Zij weten wat ik zelf ook wel weet: dat de wereld die millenaire fantasieën al eerder gezien heeft en verteerd. De vrijwillige armen, de Ranters, de Fraticelli, de zelfvergoding, het gegalm van Plotinus, de broeders van de Vrije Geest waarvan je de weerschijn later als wetenschap verkleed bij Spinoza terugvindt als hij zijn onpersoonlijke God met de natuur laat samenvallen, hemelse goedheid, en dan letterlijk, steeds weer die ene, al omarmende Gezegendheid waarin alles, zelfs de Drie-eenheid, zou worden opgelost, de mensenziel als een druppel die uit de kan van Goddelijke oorsprong was gevallen en er na het vergankelijke, ongoddelijke leven weer in zou worden teruggegooid, al die heilsleren met de hysterie van de gelijkheid die onherroepelijk bij de steeds hoger slaande golven van de totale vergoddelijking kwam te horen, al die spinsels, de vervalste decreten van Pseudo-Isidorus met zijn nooit… etc.”

Laten we nu dan eens omzien naar dat mooie, vaak melancholische reisverhaal De omweg naar Santiago (1992),  en wel in het hoofdstuk dat speelt in León, hoofdstad van de streek tussen Asturië en Castilië. Nooteboom lijkt daar een term uit de filosofie van Spinoza te gebruiken, maar doet hij dat wel op een adequate manier of jongleert hij er wat mee? Ik citeer de eerste alinea's van

“HET VERLEDEN IS ER ALTIJD, EN HET IS ER NIET

Het gebeurt op elke reis, of liever: het gebeurt mij op elke langere reis. De tijd die ik van huis weg ben, stagneert, stolt, wordt een soort massief, raar ding dat zich achter me sluit. Dan ben ik weg, ik ben aan iets anders onderhorig geworden, aan het reizen, aan het ijle element van nergens bij horen, aan het verzamelen van het andere. Ik heb er een woord voor gezocht, en ik kan het niet anders zeggen dan zo: ik raak uitgebreid. Nu is dat in de gedachte van Spinoza een van de twee attributen van God, dus ik moet oppassen, maar toch. Ik dij uit met datgene wat ik opslorp, zie, verzamel. Dat is geen hoger weten, het is eerder een aanslibben, aan-klitten van beelden, teksten, van alles wat van de straat, de televisie, uit gesprekken, uit kranten naar mij toe stroomt en zich aan mij of in mij vastzet.

Ik kan natuurlijk ook gewoon zeggen dat ik dikker word, opzwel door een oneindig aantal trivia, halve gedachten, provinciaal nieuws uit de toevallige landstreek waar ik ben, maar ik moet met dat uitgebreide, verdikte personage zien om te gaan. Een wat opgeblazen iemand die geen weet meer heeft van thuis en zich tijdelijk elders ophoudt.”

Tot zover het aan te halen tekstdeel uit De omweg naar Santiago.

Is het niet zo dat Nooteboom het in deze passage heeft over het uitbreiden van het denkende en ervarende ik? Hij speelt dan – terwijl hij zegt “ik moet oppassen” – zó met de woorden dat de totaal verschillende attributen uitgebreidheid (extensio) en denken (cogitatio)  - die zoals we weten volgens Spinoza niets met elkaar gemeen hebben - door elkaar lijken te worden gehutseld. “Ik raak uitgebreid“ lijkt qua woordgebruik te verwijzen naar het attribuut extensio, maar verwijst qua inhoud naar het attribuut cogitatio. Een typisch geval van oproepen van verwarring door een auteur voor wie spelen met het thema schijn en wezen, werkelijkheid en schijn in heel z’n werk zo centraal staat. Hij heeft zowel gelijk als ongelijk.

We kunnen vaststellen dat waar de auteur zich tijdens zijn reizen beweegt door de wereld van uitgebreidheid, ontmoetingen met mensen heeft en gebouwen veel gebouwen bezoekt, en aldus z’n ervaringen opdoet, uiteraard tegelijk door zowel beelden te vormen (1E kensoort, imaginatio) als ideeën/concepten te denken (ratio, 2e kensoort) tegelijk ook innerlijk reist. En daartussen is er wat Spinoza betreft geen verwarring, want “Ordo et connexio idearum idem est ac ordo et connexio rerum” [2/7] - De orde en het verband der ideeën zijn dezelfde als de orde en het verband der dingen.” Als het vermogen om te bestaan en in z’n bestaan te volharden groter wordt, wordt ook het begeleidende complex aan bewustzijnsinhouden (gevormd door vooral inadequate ideeën) omvangrijker – het uitdijen daarvan kún je in een poëtische tekst uitbreiden noemen, maar een filosoof zal er dan op wijzen dat je de termen enigszins door elkaar gebruikt en mogelijk verwarring sticht. Het “ik moet oppassen” van Nootenboom, is niet het caute van Spinoza, maar zal er - Nooteboom kennende -  vastwel een allusie op zijn.  

László F. Földényi schrijft in “De omweg naar de mystiek” over dezelfde passage uit De omweg naar Santiago die ook hij citeert:

“Een mens dijt en breidt uit, maar ondertussen wordt hij op een paradoxale manier innerlijk verrijkt. Zonder ‘intenderen’ geen ‘extenderen’. Hij verstaat de kunst om met zijn vrije aandacht die voortkomt uit die al eerder genoemde Gelassenheit in alle verschijnselen hetzelfde waar te nemen, zonder dat ze daarmee ook maar een ogenblik onderling inwisselbaar zouden worden. Alles is in zijn eigen uniciteit gelijk aan zichzelf, en verwijst tegelijkertijd naar iets allesomvattends wat daarboven uitstijgt.” *) En ach, zo paradoxaal als Földényi het noemt, is dat proces van jezelf verrijken door te reizen nu ook weer niet.

Enfin, mijn broer had het dus goed gezien. Ik dank hem langs deze weg voor de gelegenheid die hij me met zijn vraag en attendering bood om een blog aan Nooteboom en Spinoza te wijden.  

 

                                                     * * *

In Tumbas [Atlas, Amsterdam, 2007] bezoekt Nooteboom de graven van en geeft hij een beschouwing over beroemde schrijvers, zoals Carlos Drummond de Andrade, Guillaume Apolinaire, W.H. Auden, Honoré de Balzac, Samuel Beckett, Walter Benjamen, Jorge Luis Borges, Bertold Brecht, Elias Canetti, Julia Crtázar, Dante Alighiere, T.S. Eliot, Willem Elschot, Gustave Flaubert, Johann Wolfgang von Goethe, James Joyce, Franz Kafka, Thomas Mann, Vladimir Nabokov, Ezra Pound, Marcel Proust, Jean-Paul Sartre, Oscar Wilde en vele anderen. En deze Nederlandse schrijvers: Pierre Kemp, Lucebert, Multatuli, Paul van Ostaijen, Adriaan Roland Holst, Jan Jacob Slauerhoff en… Baruch de Spinoza

                               (ja, Baruch, altijd weer Baruch).

 

_____________

*)  hoofdstuk In: Harry Bekkering, Daan Cartens & Aad Meinderts, Cees Nooteboom Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één! (Schrijversprentenboek 40). Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen / Letterkundig Museum, Den Haag 1997 – DBNL]