Coenraad van Beuningen (1622 - 1693) zou Spinoza op zín sterfbed bezocht hebben

In het Huis met de Bloedvlekken [Amstel 216, Amsterdam] werd oud-burgemeester Coenraad van Beuningen krankzinnig. Hij schreef met zijn eigen bloed raadselachtige tekens op de buitenmuren die ook nu nog zichtbaar zijn. Daarover verscheen vandaag een artikel op de website van de gemeente Amsterdam: “Geld, waanzin en een slecht huwelijk: het Huis met de Bloedvlekken.” Al eerder was er een stukje op gepubliceerd over dat Huis met de Bloedvlekken. [Cf.] Ook Geert Mak gaf een gastcollege en schreef uitgebreid over “De smarten van Coenraad van Beuningen.” [Cf.]

 Coenraad van Beuningen was een Nederlandse diplomaat en meermalen burgemeester van Amsterdam. Hij was een kleurrijke, invloedrijk figuur met een zeer grote belangstelling voor filosofie en theologie – hij sympathiseerde met ideeën van de Quakers en voelde zich aangetrokken tot Collegianten. Hij was secretaris van Hugo de Groot (1642) en deed tal van diplomatieke missies voor de Nederlandse Republiek. Volgens wikipedia voelde de ascetische Van Beuningen zich aangetrokken tot Spinoza. Je ziet hem ook als vriend en/of beschermer van Spinoza opgevoerd worden. Je vindt er weinig over. Klever noemt in Mannen rond Spinoza Van Beuningen niet. Meinsma heeft wel e.e.a. over Van Beuningen, maar schrijft heel onspecifiek: “Ook den goeden Coenraad van Beuningen, bekend en bevriend met al wat zijn tijd aan geleerds en uitstekends opleverde, die, belangeloos als weinigen, immer gereed stond de beurs te trekken voor wie hulp nodig had, en allerlei groote en kleine ketters de hand boven het hoofd hield, behoorde tot Spinoza’s vrienden.” [Spinoza en zijn Kring, p. 335]. Misschien is dit wel de magere bron van de bekendheid met die vriendschap? Het Spinoza Web schrijft:

According to a certain testimony, Koenraad van Beuningen had been curious what a philosopher like Spinoza would have to say about religion and mortality in his last hours. The account by Saint-Évremond reads:

Mr. van Beuningen, a man of spirit and erudition, assured mr. de Saint-Évremond that, when he was with the dying Spinoza—because he was curious, and also others had done the same thing—and asked him with which sentiments on religion he was to die, he [Spinoza] said to him: ‘That he put the care of his soul in the hands of God, that he had served him according to the knowledge he [God] had given him and that he had served him otherwise had he given him other [knowledge]’.

Source: (P. Desmaizeaux), ‘Vie de Mr. De St.-Evremond’, Saint-Évremond, 1740, vol. 1, p. 110; quoted in Ternois, 1965, p. 4. [cf. Spinoza Web]

Dit is een opmerkelijke bewering, daar volgens Colerus Spinoza vrij onverwacht en spoedig stierf.

Hier neem ik, om meer info over Van Beuningen mee te nemen, de bespreking over uit het Algemeen Handelsblad van 24-09-1931 onder NIEUWE UITGAVEN van het boek van C.W. Roldanus, Coenraad van Beuningen; staatsman en libertijn. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1931 [Cf. Delpher]

„Coenraad van Beuningen, staatsman en libertijn" door dr. C. W. Roldanus. Den Haag — Martinus Nijhoff. „Het mag verwondering wekken" — aldus in het voorbericht de schrijfster — „dat een figuur als van Coenraad van Beuningen nog nooit het onderwerp van een eenigszins uitvoerige beschouwing is geworden." Zij somt daarna de literatuur op, welke op dezen staatsman en regent betrekking heeft en noemt verder in noten nog verschillende werken, o.a. Elias' „Geschiedenis van het Regentenpaticiaat".

De oorzaak, dat een eenigszins „einheitliche" teekening van Van Beuningen achterwege bleef, zoekt de schrijfster in zijn weinig homogeen karakter, vooral ook in zijn psychischen ondergang met de daaraan verbonden uitingen op godsdienstig gebied, wat onwillekeurig weer zijn terugslag had op de waardeering van zijn wezen in zijn gezonden tijd. Ook zijn ziektetoestand acht dr. Roldanus meestal minder juist beoordeeld.

De schrijfster heeft den persoon van Van Beuningen wel van alle zijden bekeken. Na het biografisch overzicht neemt zij „milieu en sociale positie" nog weer afzonderlijk in bescherming, daarna „afkomst en karakter". Vervolgens geeft zij hoofdstukken over Van Beuningen's binnenlandsche staatskunde, zijn economisch-politieke inzichten, zijn bemoeiingen met betrekking tot de Oost-Indische Compagnie. De laatste jaren voor zijn krankzinnigheid en misschien al eenigszins daardoor beïnvloed in zijn hervormingsijver, deed hij, bekommerd over haar toenemend bederf, in de commissie, welke daartoe was benoemd, middelen tot herstel aan de hand, die hij met de oude heftigheid en dringendheid verdedigde. Dr. Roldanus komt daarbij tot de conclusie, dat hij inderdaad het mogelijke heeft gedaan om de Compagnie voor ondergang te behoeden, al opende hij dan ook geen nieuwe perspectieven.

Niet gering is de lof hem toegekend met betrekking tot zijn inzichten en gedrag als politicus in de buitenlandsche staatkunde: De eenige van de Amsterdamsche regenten, die inzicht had in de Europeesche verhoudingen en die er niet tegen opzag, zoo deze verhoudingen het eischten, de Amsterdamsche belangen daaraan tijdelijk op te offeren. Toen hij had ingezien, dat Lodewijk XIV nimmer te vertrouwen was, stelde hij zich tegenover De Witt aan de zijde van Willem III, met wien hij het overigens niet heeft kunnen vinden, daar deze zich naar zijn zin te zeer partijhoofd maakte en absolutistisch neigingen had. Als gezant vervulde hij belangrijke zendingen in het buitenland, niettegenstaande er in hem een bijna ziekelijke trek was om de wereld te ontvluchten. Doch een hoog plichtsgevoel tegenover zijn stad en zijn vaderland dreef hem telkens weer deze neiging om in lectuur en overpeinzing zich zelf te hervinden, te verzaken. En De Witt wist altijd zoo hij een beroep deed op dit patriotisme, dat Van Beuningen zich weer zou laten gebruiken. Zijn volstrekte belangeloosheid en onomkoopbaarheid waren notoir. In het hoofdstuk over „afkomst en karakter" laat dr. Roldanus uitkomen hoe zijn emotionaliteit die — slecht beheerscht — hem als diplomaat in den weg stond — hem tevens de tooverkracht gaf, die zijn talenten hun waar leven schonk. Van ieder probleem zag hij direct alle zijden tegelijk en wanneer een plan moest worden opgegeven had hij alweer een ander klaar, dat tot in détails was uitgewerkt. Opmerkelijk en aantrekkelijk is ook wat wordt medegedeeld over zijn ijver om in de stadshuishouding van Amsterdam zuinigheid te doen betrachten en misbruiken — al werden ze ontzien in eigen kring — aan te tasten en te doen verdwijnen.

Reeds in zijn studententijd werd Van Beuningen geboeid door denkbeelden omtrent een ondogmatisch en allen omvattend Christendom. Een diepen en blijvenden indruk ontving hij van de byeenkomsten der Collegianten te Rijnsburg, die, in afwachting van de stichting der alle vromen omvattende kerk, godsdienstige samenkomsten hielden, met leekenprediking. Later was hij een typisch libertijnsch regent in zijn houding tegenover de kerk, wier heerschzucht en ketterjagerij hij verfoeide. Hij deed alles wat hij kon om andersdenkenden te beschermen. Over verdraagzaamheid als eerste voorwaarde voor welvaart waren trouwens alle Staatsgezinden — de partij waartoe Van Beuningen van huis uit behoorde — en Libertijnen het eens.

Een belangryk gedeelte van het boek vormt het laatste hoofdstuk: „Humanistische en religieuze denkbeelden", waarin Van Beuningen is geteekend als Nederlandsch renaissancist, Libertijn, behoorend tot de voorloopers van de rationalisten der 18de eeuw. In 't laatst van zijn leven was zijn geest geheel vervuld van chiliastische denkbeelden, waarvoor de indrukken, in zijn jeugd opgedaan, hem ontvankelijk hadden gemaakt. Zijn uitlegging op verschillende hoofdstukken van de Openbaring in brieven, welke hij later tot een verzamelde uitgave vereenigde, werden door tijdgenoot en nageslacht geheel en al beschouwd als uitingen van een gekrenkten geest.

Treffend is in deze biografie de beschrijving van Van Beuningen's trouwe vriendschap jegens Vossius. Nazaten had hij niet. Het huwelijk, dat de tot zyn vier-en-zestigste jaar ongetrouwd geblevene in 1686 sloot met een vroegere maitresse, maakte van Beuningen, die door melancholie gekweld werd, nog des te meer ongelukkig. Zyn vrouw liet hem in de grootste ellende over aan hartelooze bewakers. Den 20sten October 1693 stierf hy, verlaten en vergeten.”

                                                            * * *  

In haar Inleiding op Het leven van Philopater en Vervolg van 't leven van Philopater schreef Gerardine Maréchal: “In 1689 kreeg Duijkerius van de Amsterdamse dominees wel een betrekking, zij het niet als predikant maar als broodschrijver. De ex-staatsman Coenraad van Beuningen (1622-1693) bestookte destijds onder invloed van zijn godsdienstwanen vrijwel elke vooraanstaande godgeleerde met zendbrieven, waarin hij waarschuwde voor het naderende laatste oordeel. Om eindelijk van hem af te zijn droegen de predikanten de proponent ‘J.D.’ op Van Beuningen te antwoorden. Als achter deze initialen inderdaad Duijkerius schuilt, dan sloegen de dominees met deze opdracht twee vliegen in een klap: zowel de lastige Van Beuningen als de om een beroep zeurende proponent Duijkerius werden er mee afgescheept.” [DBNL]