De eeuwige essentie van elk enkelding

Ofwel “het eeuwige wezen der dingen”. Wat kan Spinoza daaronder verstaan?

Op dit weblog hebben enige bezoekers en ik in de maand augustus van dit jaar lange discussies gevoerd over de vraag of Spinoza “eeuwige essenties” toekent aan singuliere dingen (ik noem ze in het vervolg soms ook ‘enkeldingen’). En de achterliggende vraag was daarbij uiteraard wat hij daarmee dan bedoeld zou kunnen hebben.

10 augustus 2014 over “De eeuwigheid van de menselijke geest” [cf. blog met 41 reacties] en van 15 augustus 2014 over “Het lezen en begrijpen van Ethica 2/8 e.v.” [cf. blog met 51 reacties]. En tenslotte was er nog 27 augustus 2014: “Ter afronding misschien Don Garrett” [cf. blog met 5 reacties]

“In God bestaat noodzakelijk een idee die het wezen van dit of dat menselijk lichaam onder een aspect van eeuwigheid uitdrukt.” [Ethica 5/22].

Bartuschat daarover: “Spinoza's essentialisme stelt: elk eindig ding dat vergankelijk is, komt een eeuwige essentie toe, en slechts in zoverre dat het geval is, is te zeggen dat het ook in zijn tijdelijkheid van de goddelijke substantie afhangt, dus diens modus is.”

Verderop betoogt Bartuschat: “De menselijke geest is dus niet eeuwig daar hem een eeuwige essentie toekomt, die immers ook aan het lichaam toekomt (V, 22d), waarvan Spinoza niet zegt dat hij eeuwig is. Eeuwig is alleen de geest daar hij het eeuwige kent en dit kennen tot zijn essentie behoort (V, 23), namelijk als een onfeilbare manier van denken (“certu cogitandi modus”, V,23s), die hij zelf voltrekt.” Dat aspect (n.l. dat Spinoza het intuïtieve adequate kennen van de menselijke geest volgens Bartuschat op het oog heeft) laat ik hier rusten (hoewel ik er helemaal op het eind op terugkom). Hier wil ik vooral ingaan op het begrip van die “eeuwige essentie” van zowel lichaam als geest (het complete enkelding dus).

Dat is blijkbaar een moeilijk te bevatten idee. Zo schreef Henk Keizer: “De gedachte dat er ergens een eeuwig 'reservoir' is van de essenties van alle dingen van alle tijden past niet in het nuchtere denken van Spinoza.” (Henk Keizer 14-08-2014 @ 08:39)

Hoe kunnen we de eeuwige essentie van dingen (als die er zijn) begrijpen - wat kan het betekenen? Op dat laatste probeer ik hier een antwoord te geven in de hoop zo te laten zien dat en waarom het voor Spinoza om een zinvol en belangrijk inzicht gaat. Ik wil proberen te laten zien dat het niet in de eerste plaats om iets ontologisch gaat, maar om een manier van zien, van perspectief, van begrijpen.

Formele (eeuwige) essenties funderen op een of andere manier de actualiseerbaarheid van de enkeldingen (singuliere dingen), schreef Don Garrett. Hoe daar kaas van te maken?

Spinoza’s nominalisme

Zoals bekend was Spinoza een aarts-nominalist. Voor hem bestonden en bestaan er in de natuur, in de werkelijkheid, alleen maar singuliere dingen – maar die dan wel in een oneindig verband van reeksen oorzaken waarvan die dingen een gevolg zijn. Universalia waren handige (maar vaak misleidende) hulpmiddelen in de taal (van de verbeelding) om eenvoudig te kunnen communiceren, maar ‘universalia’ (de mens, de mensheid, het paard, de paardheid) bestonden niet als aparte entiteiten. Alleen (enkelvoudige) mensen, paarden, stenen, sterren enz. hebben (als modi van de ene substantie) een reëel bestaan in de werkelijkheid.

Uniciteit

Elk enkelding (elk individueel mens, maar ook elk blaadje aan een boom en elk zandkorreltje) is uniek: geen twee lijken er voor de volle 100% op elkaar.

Volgens mij nu was het de opzet van Spinoza om die realiteit én uniciteit van elk singulier ding uit te drukken. En daarvoor maakte hij gebruik van het begrip “eeuwige essentie.” Van elk individueel ding is er maar één in het hele universum, zowel in het verleden, het heden en de toekomst. Daarbuiten gezien, dus los van de tijd gezien, is dat unieke zijn een eeuwig zijn.

Alleen datgene wat – binnen de tijdelijkheid gezien – heeft bestaan, nu bestaat of ooit zal bestaan heeft een essentie.

Een voorbeeld

Aan het feit dat mijn ouders (Jet en Kees) zeven kinderen hadden, zal, daar zij al lang geleden overleden zijn, nooit meer iets veranderen. Alleen van die zeven directe nakomelingen bestaat in de werkelijkheid een eeuwige essentie. En dat strookt ook precies met Spinoza’s (best lastige) definitie van essentie [2/Def2]: “tot het wezen (essentie) behoort volgens mij datgene waarvan het bestaan noodzakelijkerwijs het bestaan van dat ding stelt en het verdwijnen waarvan het noodzakelijkerwijs wordt opgeheven; of datgene waarzonder het ding en andersom dat zonder het ding niet kan bestaan of gedacht kan worden.” Alleen van dingen die in werkelijkheid ontstaan, bestaan er essenties; die dingen die niet ontstonden of nooit zullen ontstaan, hebben ook geen essenties. Een achtste of negende kind van Jet en Kees heeft nooit bestaan en daarvan heeft dan ook nooit in de werkelijkheid een essentie bestaan.

Het essentie-begrip is in mijn ogen een poging van Spinoza om het eeuwige (en onveranderlijke) en het tijdelijke (en veranderlijke) met elkaar te verbinden. Ik kom daar nog op.

In de tijd gezien is de werkelijkheid iets dat in voortdurende ontwikkeling is: een voortdurend veroorzaken door acties van dingen, waardoor nieuwe dingen ontstaan en aan een bestaan beginnen en door acties van weer andere dingen weer tot een einde komen, eindigen en uit de tijdsduur verdwijnen.

Conatus

Nu zijn dingen zoals dieren en mensen (maar ook niet levende zaken als sterren en zand) voortdurend in verandering. Bij dieren en mensen is dat heel duidelijk merkbaar: zij zijn voortdurend bezig met stofwisseling, met het onderhouden van hun bestaan en met vernieuwen ervan; en met gedachtenwisseling en het emotioneel en verstandelijk reageren op elkaar en de wereld. Het lijkt door die voortdurende verandering moeilijk hun identiteit doorheen de tijd vast te stellen. Daarvoor hanteert Spinoza (anders dan Aristoteles die aan alle dingen een vaste, onveranderlijke substantie toekende) twee andere benaderingen (want het substantiebegrip had hij naar een ander niveau verlegd): individu en conatus. Wanneer de eenheden waaruit een ding bestaat in de tijd eenzelfde ratio van beweging en rust hebben, is er sprake van een individu. En het wezen van dat individu wordt bepaald door de kracht en tendens om in het bestaan te volharden, de conatus die het van de natuur heeft meegekregen: het pogen en het vermogen of de kracht om in het bestaan te volharden.

Met de notie “eeuwige essentie” van elk individueel ding drukt Spinoza dus de ware realiteit én uniciteit van elk ding uit. Het betreft dus een manier van zien. Die twee manieren van kijken naar de werkelijkheid (sub specie temporis resp. sub specie aeternitatis) is dus zijn manier om het tijdelijke en beperkte enerzijds te verbinden met het eeuwige en onbeperkte – de modi met de substantie.

Vanuit de substantie (dus vanuit het oneindige, eeuwige en onveranderlijke) gezien bestaan alle dingen als in een enkel eeuwig ‘nu’: dit is hun unieke eeuwige essentie. In de eeuwigheid bestaat er geen voor, tijdens of na. Spinoza geeft ook toe dat het best niet eenvoudig is om iets als of vanuit de substantie te begrijpen of om de relatie te leggen tussen het tijdelijke en eeuwige. De notie “eeuwige essentie” is zo’n poging om die relatie uit te drukken.

Een verschil tussen de ‘echte’ werkelijkheid en de geometrische

Hoewel Spinoza vrij regelmatig en eigenlijk als enige geometrische voorbeelden geeft (de cirkel, de driehoek) om iets van zijn filosofie over de werkelijkheid uit te leggen, toch geeft hij soms (b.v. in het scholium bij 2/8) toe dat de analogie niet helemaal klopt. Hij geeft toe dat het uiterst moeilijk is om de substantie te denken en om vanuit de eeuwigheid het tijdelijke te bekijken.

Wij, wezens die leven in de eindigheid en tijdelijkheid, die een bestaan van enige duur hebben, geen eeuwig bestaan, hebben er geen enkele moeite mee om vast te stellen dat het verleden vastligt. Wat gebeurd is, is gebeurd – daar verandert helemaal niets meer aan (hooguit onze kennis ervan kan veranderen). We onderschrijven dus dat de geschiedenis vastgelegd is, bepaald is, niet meer kan veranderen.

Veel moeilijker lijkt het ons in te denken dat ook de dingen die nog komen gaan in de ene werkelijkheid die er is, al vast liggen. Toch is dat vanuit de ene (onveranderlijke) substantie en vanuit de eeuwigheid gezien wel het geval. “De eeuwigheid kan niet door tijd begrensd worden of met de tijd een relatie hebben.” (Ethica 5/23s). In de eeuwigheid is er geen voor, tijdens of na.

Maar waarom hebben we, wat de toekomst betreft, er moeite mee, dat die ook vast ligt? Waarom willen we dat de toekomst open ligt, dat die nog onbepaald is, dat we nog alle kanten op kunnen? Als ons echter gevraagd wordt ons een toekomstige waarnemer voor te stellen die vanuit die toekomst terugblikt (het maakt niet uit of dat vanuit 1000, 10.000 of 100.000 jaar in de toekomst gebeurt) dan zal die terugblikker dezelfde ervaring hebben, dat van het verleden ‘alsdan’ hetzelfde gezegd zal worden: dat het vastligt. Het verleden vanuit welk punt in de toekomst ook bezien zal altijd geheel vastliggen – gebeurd zijn, iets definitiefs hebben. Want er is maar één werkelijkheid: vanuit het perspectief van de eeuwigheid gezien, waarin er geen richting is, geen voor, tijdens of na, ligt de complete werkelijkheid dus vast. Spinoza zegt het op een plaats zo:

Sub specie aeternitatis zijn “de ideeën van nu nog niet bestaande singuliere dingen op dezelfde manier in de oneindige idee van God besloten, als de formele essenties van singuliere dingen ofwel modi bevat zijn in de attributen van God.”(2/8)

Het voorbeeld dat Spinoza in 2/8s geeft aan de hand van een cirkel, elkaar daarin snijdende koorden en de daarin vervatte rechthoeken, is (als we het op de echte werkelijkheid willen laten slaan) in zoverre niet adequaat daar geometrische figuren denkdingen zijn, waarover het ons en onze verbeelding vrijstaat aannames te doen (b.v. om twee bepaalde lijnen erin te tekenen of desgewenst andere, enz.). De werkelijkheid zelf is zo niet te benaderen. Daarin gebeurt wat er gebeurt. Niet zomaar alles wat ‘theoretisch’ denkbaar is, kan reëel bestaan. Alleen wat voortkomt uit de stand van zaken op een bepaald moment komt tot bestaan en leidt tot een volgende reële stand van zaken waaruit een bepaalde volgende volgt en zo tot in het oneindige.

Op deze plaats zou ik een beschouwing over Spinoza’s necessitarisme kunnen inlassen, zijn opvatting dat er in de werkelijkheid (metafysisch) slechts één mogelijke wereld bestaat, waarbinnen alles noodzakelijk loopt zoals het loopt – het had niet anders kunnen zijn (1/33 en 1/33d); om deze beschouwing niet te laten uitdijen verwijst ik naar secundaire literatuur erover en ga hier eenvoudig uit van Spinoza’s necessitarisme.

Spinoza’s perspectivisme: het is een manier van zien

Is daar verder niets meer over te zeggen? Toch wel, en hier krijgt Spinoza’s begrip van ‘eeuwige essenties’ zijn betekenis. Het is niet zo dat er (zoals met geometrische figuren) maar van alles en nog wat willekeurig kan gebeuren: alleen die singuliere gebeurtenissen (of dingen) kunnen plaats hebben (of ontstaan), waarvan in God of de natuur een eeuwige essentie bestaat. De notie ‘eeuwige essentie’ verwijst niet naar een of ander ontologisch reservoir (geen soort Platoonse ideële ‘hemel’), maar is louter een manier van uitdrukken, namelijk dat vanuit het eeuwige, van buiten de tijd gezien, er in de werkelijkheid alleen bepaalde onderscheidbare dingen kunnen zijn, namelijk alleen die, waarvan “een eeuwige essentie” bestaat. En dat wil zeggen “dat wat in de orde der dingen” of “in de reden ligt”. Een achtste kind in het gegeven voorbeeld van de familie Verdult lag niet meer in de reden van de werkelijkheid (meneer pastoor had geen invloed meer). Van dat mogelijk illusoire kind bestond in God of de substantie ofwel de natuur geen essentie (geen enkel zijn). Met dat begrip “eeuwige essentie” drukt, zoals gezegd, Spinoza de uniciteit en “eeuwige” realiteit qua essentie van elk individueel ding of gebeuren uit.

Het gaat om ethiek
Wat is het belang ervan om dit alles zo te zien? Spinoza had een ethische opzet. Hij heeft de overtuiging dat het ons helpt, dat het ons in ons geluk brengt, te weten en beseffen dat we er niet toevallig zijn. Want contingentie bestaat niet. Zogenaamde ‘contingentie’ is alleen een gebrek van onze kennis: wij zijn niet in staat alles te kennen, maar we kunnen wel in staat zijn met ons intellect te beseffen dát (theoretisch dan) alomvattende kennis vanuit het geheel (de substantie) en vanuit de eeuwigheid mogelijk zou kunnen of moeten zijn. En dat wij als particulier ding daarin een plaats hebben – een bescheiden plaatsje in die eeuwige orde der dingen, maar een die ons nooit ontnomen zal kunnen worden; dat wij concreet bestaan hebben is een eeuwige waarheid. Dat is onze eeuwige essentie en die van elk ding. Alleen wij mensen kunnen dat beseffen – dat te weten is ons voorrecht – is het verschil tussen ons en de andere dingen. (Hier komt even het punt van Bartuschat tevoorschijn).

De ‘eeuwige essentie van onze geest’ (idee van ons lichaam) die in de “eeuwige orde van de werkelijkheid” bestaat, is Spinoza’s alternatief voor de ‘ziel’ (zoals die binnen een andere godsopvatting door God gewild en geschapen is). Ook de particuliere essentie is (dan wel niet contingent gewild) maar wel als eeuwig te bevestigen.

Dat we inzien dat het met betrekking tot alles dat bestaat, bestaan heeft en nog zal bestaan zo is dat het niet anders had kunnen zijn. Dát werkelijk beseffen geeft rust, blijdschap, ja gelukzaligheid. Het helpt je te verzoenen met tegenslagen en negatieve gevoelens: het is zoals het is.

Stan Verdult

Reacties

Een mooi blog Stan en het overdenken meer dan waard. Daarom heb ik nu slechts twee vragen.
1) Spinoza commentatoren zeggen almaar dat volgens Spinoza essenties van particuliere dingen eeuwig zijn. Waar zegt Spinoza dat zelf? (de eeuwigheid van de menselijke geest is een ander geval)
2) Als ik de laatste alinea's goed begrijp: de essenties van dingen zijn eeuwig omdat ze eeuwig of 'van alle eeuwigheid' vastliggen, ofwel omdat ze noodzakelijk uit Gods wezen volgen. Geldt dat ook niet voor het bestaan van dingen? (Bartuschat is niet Spinoza)

Eerst wat vraag 2 betreft: het bestaan van dingen speelt zich af in de tijd, betreft duur (en die heeft geen relatie tot eeuwigheid). Wat ik in mijn blog juist probeer aan te geven is dat Spinoza het essentiebegrip (is altijd eeuwig) inzet om het eeuwigheidsaspect van enkeldingen (die bestaan hebben, bestaan of zullen bestaan) aan te duiden. Daartoe maakt hij het onderscheid tussen bestaan (existentie) en wezen (essentie).
Wat vraag 1 betreft: was het maar zo eenvoudig dat Spinoza op een plaats klip en klaar zegt dat "essenties van particuliere dingen eeuwig zijn." Het heeft te maken met begrijpen van zijn hele filosofie en opzet - vandaar zo'n lang blog. Je hebt de "hele Spinoza" nodig om het te zien.
Wat rechtstreeks van God stamt/in God is, is eeuwig, kan niet anders dan eeuwig en onveranderlijk zijn, want God is eeuwig en onveranderlijk.
"Alles wat uit de absolute aard van een attribuut van God volgt, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met andere woorden door dit attribuut eeuwig en oneindig zijn." (1/21, vert. Henri Krop); wordt verder uitgewerkt in 1/22 t/m 1/28.
"Want hoewel elk enkelvoudig ding door een ander wordt bepaald om op een zekere manier te bestaan, komt de kracht waarmee het in het bestaan volhardt toch voort uit de eeuwige noodzaak van Gods aard. Zie hierover deel I, collolarium van stelling 24." (2/43s. Vert. Corinna Vermeulen). Dit wijst vooruit op de conatus in 3/7 die de feitelijke essentie van elk ding is. Die essentie (conatus) van elke modus, van particulier ding, komt rechtstreeks uit God en is dus volgens 1/21 en volgende eeuwig!
Zie nog eens naar waar ik boven in het blog op wees:
“In God bestaat noodzakelijk een idee die het wezen van dit of dat menselijk lichaam onder een aspect van eeuwigheid uitdrukt.” [Ethica 5/22] In het bewijs van 5/22 werd verwezen naar 2/8s.
Dat moet je echt zo lezen als de bewijsplaats waar jij naar op zoek bent, Henk; dat is de plaats waar Spinoza zegt dat essenties van elk particulier ding eeuwig is. Alleen heeft hij het daar over dit of dat menselijk lichaam - maar dat kun je niet anders lezen dan: elk particulier ding. En "onder een aspect van eeuwigheid uitdrukt" kun je niet anders lezen dan: "eeuwig is." DAAR STAAT HET.

1) Zie bewijs 5/22. Omdat God behalve van het bestaan ook oorzaak is van het wezen van een lichaam, moet dit wezen door/via Gods wezen begrepen worden (dingen worden begrepen door hun oorzaak, 1/ax4) en dit met een zekere eeuwige noodzakelijkheid, op grond van 1/16, zoals 5/22d zegt. Maar op grond van 1/16 moet ALLES begrepen worden met een zekere eeuwige noodzakelijkheid. En het gaat hier om het CONCEPT, het begrijpen (van iets onder een zeker aspect van eeuwigheid, d.w.z de dingen zien als noodzakelijk, zie 2/34c2). Dit concept behoort tot het wezen van de menselijke geest omdat het het wezen van het lichaam uitdrukt (5/23). Waar zit nu dat het wezen van het lichaam eeuwig is?
2) De verwijzing naar 2/8c (niet s) wordt vooral, ook door jou, te onpas aangehaald. De verwijzing dient uitsluitend ter fundering van de uitspraak dat we aan de geest alleen duur toekennen zolang het lichaam bestaat. DAARVOOR wordt 2/8c aangehaald.
3) Dat iets, een kracht, 'voortkomt uit de noodzaak van Gods aard' wil helemaal niet zeggen dat die kracht rechtstreeks voortkomt uit Gods aard/wezen. ALLES komt voort uit de noodzaak van Gods aard/wezen.

Door een verwijzing bij een citaat in jouw blog ging ik kijken naar 1/24 c. Daar lees ik: 'elke keer dat we aandacht besteden aan hun essentie [essentie van dingen], vinden we dat ze geen bestaan of duur insluit ('comperimus')'. Dat zinnetje zou te denken kunnen geven. Je zou kunnen lezen: een essentie sluit geen bestaan of duur in, dus is ze eeuwig. Maar waarschijnlijk bedoelt Spinoza (in het licht van wat hij wil aantonen in de stelling): een essentie op zich sluit niet het bestaan van een ding in. (Dus mijn twijfel was van korte duur).

Henk, ik had gehoopt je via een andere ingang te kunnen overtuigen hoe m.i. Spinoza (altijd eeuwige) essenties ziet en bedoelt. Maar we zitten meteen in het oude spoor. En dat geeft herhaling van zetten.

Inderdaad "alles moet begrepen worden met een zekere eeuwige noodzakelijkheid." Maar dat kan niet gelezen worden alsof maar willekeurig van alles en nog wat het geval kan zijn. Alleen die concrete, particuliere dingen zullen noodzakelijk bestaan (het geval zijn), waarvan een eeuwig wezen uitgedrukt is (bestaat) in Gods wezen, en waarvan uiteraard dan in God een idee bestaat.

Centraal staat (en daar staat het toch duidelijk?) 5/22 “In God bestaat noodzakelijk een idee die het wezen van dit of dat menselijk lichaam onder een aspect van eeuwigheid uitdrukt.”
Meer kan ik er niet van maken.

Je moet alles onder het aspect van eeuwigheid bekijken, d.w.z. als noodzakelijk (voortkomend uit Gods eeuwige wezen). Wat je zo bekijkt, bijvoorbeeld het wezen van ons lichaam (zoals in 5/22), wordt daarmee nog niet eeuwig. Spinoza toont in 5/23 aan dat het wezen van de menselijke geest, als een bijzonder geval, eeuwig is, niet dat van het menselijk lichaam.

Maar "alles onder het aspect van eeuwigheid bekijken" is juist Spinoza's manier van zeggen: dat alles iets eeuwigs heeft (en dat noemt hij "eeuwige essentie"); daaronder valt ook het wezen van dit of dat menselijk lichaam én idee ervan.

5/23 en verder zouden we erbuiten laten, daar begint een nieuw thema, dat echter voort borduurt op alles wat hij daarvoor heeft gezegd over essentie en existentie.

In 2p44c2d geeft Spinoza twee betekenissen van iets waarnemen/beschouwen/ begrijpen onder een zeker aspect van eeuwigheid. Ik citeer zoveel mogelijk:
1) deze noodzakelijkheid van DE DINGEN [niet 'de essenties] is de noodzakelijkheid van Gods eeuwige natuur zelf; het ligt dus in de aard van de Rede om de dingen onder DIT aspect van eeuwigheid te beschouwen.
2) Voeg daarbij dat het fundament van de Rede de noties zijn die laten kennen wat gemeen is aan alle dingen en die de essentie van geen enkel particulier ding leren kennen en die OM DIE REDEN begrepen moeten worden zonder enige relatie met de tijd, maar onder een zeker aspect van eeuwigheid.

Wij hebben van doen met de eerste betekenis. Daarbij is er geen enkele aanleiding om ESSENTIES van dingen eeuwig te noemen. Jij zegt: omdat iets als noodzakelijk wordt beschouwd (een noodzakelijkheid die voortkomt uit de noodzakelijkheid van Gods eeuwige natuur) heeft het iets eeuwigs, volgens jou noemt Spinoza dat 'eeuwige essentie' (waar is dat te vinden?). Als we het begrip 'eeuwig' zo gaan oprekken (wat noodzakelijk is, heeft 'iets eeuwigs'), dan komen we natuurlijk een heel eind. Die stelling op zich is al discutabel, maar er is zeker geen reden om dan alleen de essentie eeuwig te verklaren (het bestaan is net zo noodzakelijk als de essentie). Maar die mythe zal voorlopig nog wel niet de wereld uit zijn.

Het is opmerkelijk, Henk, dat je met de tweede kennissoort, de rede, komt en daaraan blijft haken, terwijl de rede alleen tot algemene kennis leidt, maar niet tot het wezen der dingen komt. Daartoe te geraken is voorbehouden aan de intuïtie. Pas die komt tot kennis van het wezen der dingen. Enigszins triomfantelijk zet je DE DINGEN in hoofdletter met tussen haken [niet 'de essenties']. Het lijkt je nogal een 'vondst'; maar dat is precies wat Spinoza over de rede, de tweede kensoort, zegt. Om het wezen der dingen te kunnen kennen, hebben we de derde kensoort nodig.
2/44c2 staat al jaren als motto bovenaan dit blog, met als vertaling "Het is de rede eigen om het eeuwige der dingen te zien." 'Der dingen' inderdaad, zoals ze in het universum bestaan, niet het wezen van de dingen. Die gaan we pas kennen als we ons richten op individuele dingen als individueel (en niet het algemene ervan) en waartoe we geraken als we de individuele dingen in verband met de idee van God brengen. En daarvoor moeten we in deel 5 zijn, 5/13 en vanaf 5/22; 5/24, 5/29 EN 5/29d (tot de natuur van de geest behoort ook het WEZEN van het lichaam onder het aspect van eeuwigheid te kennen). Ik wijs ook op 5/29 en 5/31 (ik ga niet alles citeren). De essentie van dingen ontdekken, is de verankering ervan gaan zien in de essentie van God. En daaraan ontlenen de essenties van alle dingen hun eeuwigheid.

Henk en Stan,
Het wezen van de door God (ofwel de door de Natuur) voortgebrachte dingen sluit geen bestaan in zich (st. 24), betekent volgens mij dat ze alleen afhankelijk, niet losgezongen, van de Natuur (God) kunnen bestaan.
Spinoza herhaalt dan en dat doe ik ook def. 1. Hij heeft het daar over de zijns oorzaak die het wezen of de natuur van het bestaan substantieel insluit en dan is God ofwel de Natuur, zowel oorzaak van de dingen als van het voortbestaan van de dingen, ofwel datgene, waarvan de aard niet anders dan bestaand gedacht kan worden.
Scholastiek het Zijn (substantieel levend bestaan) veroorzaakt door God. Want buiten God is er geen substantie of werkende Natuur.
Die noodwendig werkende kracht van de Natuur (God) zit daarom noodzakelijk ook relatief in de dingen zelf. Alle bestaan en voortbestaan is zodoende altijd (constant) natuurwetmatig verbonden met elkaar.
De Natuur is het Zijnde de enige Substantie. God is enig, d.w.z. dat er in de wereld van de dingen niets anders dan 1 substantie kan bestaan en dat deze volstrekt oneindig (onbegrensd) is. Er volgt ten tweede uit dat het Uitgebreide zijn en het denken attributen van God ofwel van de Natuur zijn die eigenschappelijk werken naar het soort lichaam en de wijze van denken. Verstand, rede, deugd en wil is dan een kenmerk van natuurlijk ontwikkeld zelfbewustzijn.
Spinoza zegt daarmee dat er niets boven de Natuur staat. De natuur is, en kan slechts uit zijn eigen werkingen (dynamiek) begrepen worden. Het begrip God past Spinoza aan (accommodeert), aan de noodwendige werking en de ordening van deze (zelfstandige) natuur die noodzakelijk ook concreet in de dingen en in de zogenaamde bijzondere dingen (en onszelf) natuurlijk werkzaam is. Spinoza hanteert daarmee een essentieel natuurwetmatig, ofwel een fysiek vanzelfsprekend voortplantingsmodel. Een evolutionair werkende ordening waar alle eenvoudig chemisch samengestelde en zeer gecompliceerd samengestelde bestaanswijzen ook naar genus uit voortvloeien. Deze kenmerken kunnen slechts in deugdelijk werkende verhoudingen en niet op zichzelf bestaan en voortbestaan. De onbegrensde fysieke gebeurtenissen schrijven slechts in begrensde menselijke zin geschiedenis, daar werkt de beperkte macht van ons verstand aan mee...
De wetenschappelijke ontwikkeling die we aan de werking van de omringende natuur ontlenen en als aangeboren begripsvermogen in ons zelf herkennen speelt een hoofdrol in zijn gedragsleer. Want door die kennis zelfbewust toe te passen moeten we onze grenzen leren kennen en kunnen we soms prachtig grensverleggend navigeren. Mooier kon Spinoza zijn wijsbegeerte, zijn ontologische kennisleer niet maken. Wijsbegeerte was In zijn tijd en in de drie eeuwen die volgden gaf onze auteur BdS al veel stof tot nadenken, dat leverde vele op zijn natuurlijke levensvisie geïnspireerde geschriften op.

Stan, je reacties prikkelen me om steeds verder te denken en ik kan niet met zekerheid zeggen of ik daar later niet iets van terug zal moeten nemen (maar het is wel een prima manier om de Ethica te leren kennen)
Het gaat er om uit te vinden wat Spinoza vindt.
5/22, 23: Er is een idee/kennis in de menselijke geest van het wezen van het menselijk lichaam onder het aspect van de eeuwigheid. Dat behoort tot de derde vorm van kennis, zoals je terecht zegt (en voor zover de menselijke geest eeuwig is, volgens Spinoza, zonder relatie met het lichaam). Dit is KENNIS VAN. Ik kan het wezen van mijn lichaam beschouwen onder het aspect van eeuwigheid, los van het actuele bestaan in de tijd, maar dit is BESCHOUWEN. Betekent het ook dat het wezen van het lichaam in een of andere vorm BESTAAT los van de tijd en los van het actuele lichaam? Dat is de kwestie waar het om gaat. Dan moeten we weten wat Spinoza bedoelt met 'onder het aspect van de eeuwigheid'. Ik verwees al naar 2/44c2, waar het betekent: dingen zien als noodzakelijk voortkomend uit Gods eeuwige wezen (het betekent daar dus niet dingen zien als eeuwig). Maar dat is nog de ratio van deel II. Dan ga ik naar deel V. Ik citeer:
5/30d: 'dingen begrijpen onder het aspect van eeuwigheid is dingen begrijpen voor zover zij door/via Gods wezen begrepen worden als reële zijnden (entia), ofwel, voor zover zij door Gods wezen het bestaan omvatten (involvere).'

Vrij vertaald: dingen begrijpen onder het aspect van eeuwigheid is begrijpen hoe dingen, voortvloeiend uit de noodzakelijkheid van Gods eeuwige wezen, het bestaan omvatten, d.i. bestaan (eigenlijk dezelfde omschrijving als in deel II).

Er is dus niets uit af te leiden over de eeuwigheid van het wezen van dingen. Spinoza praat hier over het bestaan van dingen en niet over het wezen van dingen. Dat 'wezen van het menselijk lichaam' in 5/22 (waar jij zoveel belang aan hecht) was alleen nodig om de stap te kunnen maken naar de derde vorm van kennis (en naar de eeuwigheid van de menselijke geest).

Henk, het gaat inderdaad (zoals ook ik in het blog benadrukte) in eerste instantie om een manier van begrijpen der dingen. Maar daarin zit uiteraard een ontologisch aspect (anders zou het geen Spinoza zijn). Inderdaad zoals jij schrijft "dingen begrijpen onder het aspect van eeuwigheid is begrijpen hoe dingen, voortvloeiend uit de noodzakelijkheid van Gods eeuwige wezen, het bestaan omvatten." Er is geen "reservoir van essenties" o.i.d., maar om aan te geven dat dingen niet toevallig gebeuren, maar dat noodzakelijk precies déze dingen die een tijdlang reëel bestaan, noodzakelijk bestaan, en niet contingent zijn, gebruikt Spinoza de notie "essenties". Die vormen niet een of ander aparte metafysische laag of reservoir, maar liggen vast in "de hele orde der dingen." In de tijd gezien heeft die "orde der dingen" een geschiedenis (met verleden, heden en toekomst). Vanuit de eeuwigheid gezien, van buiten de tijd, heeft die "orde der dingen" een vaste 'structuur' die maakt dat in de tijd alleen maar gebeurt wat daarin kán gebeuren; en dat dus alleen dingen tot bestaan komen, die een essentie hebben (volgens de def. van essentie). Dat essentie-begrip behoort tot de eeuwige orde van het zijn (zo zijn het "eeuwige essenties") en is tevens te gebruiken in de tijdelijke orde om de verbinding van deze met de eeuwige orde uit te drukken. Dat poogde ik in dit blog te beschrijven. En zo is er volgens mij kaas te maken van grote stukken van Spinoza's filosofie.
Jij hebt de neiging om dat te bagatelliseren, waar je schrijft: "Dat 'wezen van het menselijk lichaam' in 5/22 (waar jij zoveel belang aan hecht) was alleen nodig om de stap te kunnen maken naar de derde vorm van kennis (en naar de eeuwigheid van de menselijke geest)." "Alleen nodig?" Dat is precies waar het om gaat - want precies zo maakt Spinoza die verbinding. Dat 'wezen van het menselijk lichaam' wordt niet zomaar als onbetekenend tussenstapje gezet, maar is een grote stap voor de mensheid... verwijst naar de "eeuwige essentie" van lichaam en geest - precies waar het om gaat. En daarop kan Spinoza verder borduren om het zgn. "grotere eeuwige deel van die geest dat blijft" te ontwikkelen.

@ Bas, deze keer (h)erken ik je beschouwing als die van een kenner!
Alleen heb je jammer genoeg steeds de neiging er teveel, liefst alles, bij te halen i.p.v. bij het aangekaarte onderwerp te blijven.

Prima, zoals je stelt: "Die noodwendig werkende kracht van de Natuur (God) zit daarom noodzakelijk ook relatief in de dingen zelf. Alle bestaan en voortbestaan is zodoende altijd (constant) natuurwetmatig verbonden met elkaar."
Daarmee geef je treffend aan wat ik in mijn reactie hierboven omschreef met 'structuur' en 'orde der dingen'.
Opvallend is dat je over het 'essentie'-begrip en de al dan niet eeuwigheid van de essentie der singuliere dingen niets zegt. En daar ging het hier over. Maar je raakte in de buurt ervan met de geciteerde passage. Dank daarvoor.

Je schrijft:
"maar dat noodzakelijk precies déze dingen die een tijdlang reëel bestaan, noodzakelijk bestaan, en niet contingent zijn, gebruikt Spinoza de notie "essenties"."
Waar, in hemelsnaam, gebruikt Spinoza hiervoor de notie 'essenties'?
Je schrijft:
"Dat essentie-begrip behoort tot de eeuwige orde van het zijn (zo zijn het "eeuwige essenties")"
Dat vind jij en dat zeg jij. Maar waar zegt Spinoza dat?

Als mijn poging tot begrijpen niet overkomt, zij dat zo. Jammer.
Wat tot God behoort en direct uit God is, is eeuwig.
Ik laat het hierbij.

Of, Henk, toch een tegenvraagje. Wat betekent en hoe (en waarom) gebruikt Spinoza het begrip 'essentie' volgens jou? Waarom heeft hij dat nodig?

Nee Stan, ik had twee vragen en die ontloop je.

Spinoza heeft de term en het begrip 'essentie' niet uitgevonden. Hij geeft er, zoals met wel meer termen, een eigen betekenis aan. Voor Spinoza is essentie, op alle niveaus, en dat weet jij natuurlijk, de 'kracht' van dingen. Van God de potentia, van particuliere dingen de conatus. Daarvoor gebruikt hij de term 'essentie'. Denk jij dat Spinoza de term 'essentie' heeft ingevoerd om te kunnen zeggen dat alle dingen noodzakelijk voortvloeien uit de noodzakelijkheid van Gods eeuwige natuur?

Dan mijn (eerste) vraag nog maar een keer. Het zit in je hoofd en het wil er niet uit, die eeuwige essentie (hoe je de betekenis van 'eeuwig' en van 'essentie' ook geweld aan moet doen). Dat is me wel duidelijk. Maar waar zit het bij Spinoza? Ik herhaal daarom mijn vraag: WAAR ASSOCIEERT SPINOZA "ESSENTIE" MET HET BEGRIJPEN DAT ALLE DINGEN NOODZAKELIJK VOLGEN UIT DE NOODZAKELIJKHEID VAN GODS EEUWIGE NATUUR?
Dat lijkt me een alleszins redelijke vraag als je pretendeert de mening van Spinoza weer te geven. In elk geval heeft hij het begrip niet nodig als hij uitlegt wat hij verstaat onder 'iets begrijpen onder het aspect van eeuwigheid' (in 5/30).

Henk, als het zo simpel is als jij hier zegt, waarom heeft Spinoza dan zo'n ingewikkelde definitie van essentie in 2/def2? Met nog eens zijn eveneens niet zo simpele uitleg in 2/10cs?
Je moet dan dus zien hoe hij wezen/essentie gebruikt in de door mij vermeldde plaatsen in deel 5. En daar spreekt hij echt niet simpel over 'kracht'.
De passage waar ik mij het meest op baseer (en wat mijn antwoord is op de vraag waar je mijn uitleggende lezing in Spinoza vindt) is 5/29s: "Op twee manieren kennen wij de dingen als actueel bestaand of omdat zij bestaan in een relatie met een bepaalde tijd en plaats, of omdat zij in God vervat zijn en uit de noodzakelijkheid van de goddelijke natuur voortvloeien. Op de tweede manier kennen wij hun waarheid of werkelijkheid, kennen wij hen onder het aspect van de eeuwigheid en zijn hun ideeën in het eeuwige en oneindige wezen van God ingesloten, zoals wij in stelling 45 van deel 2 hebben aangetoond. Zie ook het commentaar daarbij."
Als je geneigd zou zijn te zeggen "waar vindt je hier de essentie der dingen?" dan wijs ik erop dat dit een scholium, ofwel toelichting is bij 5/29 waar het gaat over het kennen van het wezen van het lichaam onder het aspect van eeuwigheid (corporis essentiam concipit sub specie aeternitatis); en dat mag je uitbreiden naar particuliere dingen.


Stan,
In mijn opvatting is de oneindige natuur renormaliseerbaar juist omdat we de natuurlijke ordening of de eigenschappelijke werkelijkheid als lichamelijke vergelijkbare fysische eigenschappen delen. We bezitten die eigenschappelijke ordening dus ook in de conceptuele natuurlijke betekenis van zijn en denken, naar menselijke geestelijke maat geschaald, als ons soort (zelf)bewustzijn waarmee we de actuele wereld verkennen.
De uniekheid van ieders brein beseffen en het naar verstandsvermogen laten zijn, groeien en inspannend laten werken daar worden we niet TOEVALLIG blij van. Dat is de essentie. (Van beïnvloedende pastoors worden we meestal niet blij en gelukkig, daar hadden je ouders kennelijk ervaring mee.)

Die kloppende (evenwichtige) wijze van denken en redeneren, dat eigen denkvermogen maakt ons blij (st. 27) en geef aan hoe en waarom ons denken werkt, maar dat we ons daarvan slechts tijdelijk bewust van kunnen zijn zo lang als we bestaan. Het onder het gezichtspunt van de eeuwigheid beschouwen, ofwel naar de aard van de Rede, levert geluk en wetmatigheid op (st. 5/28). Descartes en Bacon/Boyle worden hier door Spinoza methodisch gekoppeld en beter verklaart. De eeuwige en tegenwoordige werking van de Geest levert dan niet slechts speculatieve ideeën maar een juistere voorstelling van zaken op die ons verder kan helpen. 

In de wetenschappelijke ontwikkeling m.b.t. tot rust en beweging van lichamen bijvoorbeeld werd eerst door Huijgens, en even later door Leibniz, Newton de dynamische bewegingskracht al mechanisch beschreven, maar pas betere verklaringen en natuurwetten zijn pas met de kennis van de 20ste eeuw mogelijk geworden.

Spinoza deed dat m.i. al voor ons eigen menselijke denken en bestaan dynamisch, omdat de bewuste uiteenzetting van verstandelijk (redelijk) vanzelfsprekend (intuïtief) gedrag, in een moderne Ethica, zijn wijsgerig (en politiek) streven was. Hij inspireerde met zijn gedragsleer daarmee vele denkers en wetenschappers en SCHREEF via en met zijn vrijdenkende vriendenkring geschiedenis. Dat is iets dat alleen wij mensen kunnen en kennen, ons soort lichaamstaal brengt figuurlijk en letterlijk allerlei en heel veel gedachten voort. Wij zijn zodoende de beste gedachtelezers van het dierenrijk. We moeten ze allemaal wel zelf leren gebruiken, dat is vaak het probleem en dat hangt van veel dagelijkse toevalligheden af.

Stan, mijn omschrijving van essentie is niet van belang in deze discussie. Volgens mij spreekt Spinoza in deel V helemaal niet over essenties, ook niet op de door jou genoemde plaatsen. Maar ik ga naar jouw punt in je laatste reactie.
In 5/29s spreekt Spinoza over DINGEN die actueel bestaan (tweede manier) voor zover ze besloten liggen in God en volgen uit de noodzakelijkheid van de goddelijke natuur. En op deze manier opgevat zijn ze waar en werkelijk, we begrijpen ze onder het aspect van eeuwigheid [zie de 'definitie' in 5/30!!] en hun ideeën omvatten het eeuwige en oneindige wezen van God (dus niet andersom). Hier staat duidelijk DINGEN die volgen uit God en geen essenties. Het gaat er om wat er in de uitspraak staat en niet wat ergens anders staat.
Maar laten we kijken naar 5/29. Waar gaat deze stelling over? Deze stelling gaat over het vermogen van de menselijke geest om dingen (!) te begrijpen onder het aspect van eeuwigheid. Waaraan ontleent de menselijke geest dat vermogen? Dat is de vraag waarop de stelling een antwoord geeft. De menselijke geest ontleent dat vermogen aan het feit dat het de essentie van het menselijk lichaam begrijpt onder het aspect van eeuwigheid. Dat is de inhoud van 5/29. Staat hier dat de essentie van het menselijk lichaam eeuwig is? Nee, hier staat dat de menselijke geest de essentie van het lichaam begrijpt als noodzakelijk voortkomend uit de noodzakelijkheid van de goddelijke natuur. Op die 'eigenschap' van de menselijke geest is gebaseerd dat hij dingen (!) kan begrijpen onder het aspect van eeuwigheid. Dat is de inhoud van 5/29. Daar staat dus helemaal niet dat de essentie van het menselijk lichaam eeuwig is. Zij wordt GEKEND onder het aspect van eeuwigheid, wat niet wil zeggen dat ze eeuwig is (de betekenis van 'begrijpen onder een aspect van eeuwigheid' is hier nu vaak genoeg gepasseerd)

Spinoza verbindt dus de 'notie van essentie' niet met begrijpen onder het aspect van eeuwigheid, zoals jij in je vorige reactie stelde.

Henk, ik laat het even rusten. En ga alles wat je schrijft nog eens rustig op me in laten werken en heroverwegen. En intussen wacht ik het artikel af wat je misschien hierover nog eens gaat schrijven? Aan even afstand nemen heb ik nu behoefte.

Stan en Henk,

Onder het aspect van de eeuwigheid is bij Spinoza in een natuurwetmatige context begrijpen. Wij en andere levende wezens doen dat veelal instinctief, met veel vallen en opstaan.
Spinoza zegt dat je dat met meer kans van slagen kan doen als je de orde en dynamiek van de natuur zelfbewust begrijpt, want dan begrijp en herken je de dingen niet slechts van horen zeggen, of door onkundige leermeesters, zoals pastoors, voorgezegd en dus traditioneel aangeleerd.
Kennis van de juiste ordening en van de bewegingswetten in de natuur vergroten de kans dat je de dingen sneller in de juiste verhoudingen ziet, ofwel ordent in de juiste volgorde en proporties, maar daarvoor moet je wel eerst je verstand ontwikkelen. Wetenschappelijke ervaring en kennis opdoen in je leven is daarbij dus onontbeerlijk.

Spinoza's streeft er naar dat je door die inspanning ook de concrete zaken, dingen, mensen onder en in de juiste verstandsverhoudingen leert kennen en beschouwen, omdat op die wijze je gedrag en gevoelsleven direct al redelijk positief overeenstemmen. Ze vormen dan weer een natuurlijk dynamisch geheel. Daar wordt je niet zielig maar wezenlijk gelukkig(er) van, juist omdat je jezelf niet hoeft op te hemelen of laten vernederen. Je kunt je dan - in zijn psychologische opvatting of kritiek op vallen en opstaan - vanzelfsprekend beter bewegen en sneller goede keuzes maken in je persoonlijk leven en je netwerk. Meer zelfbestuur en samenwerking is zijn niet makkelijke parool. Over essenties gesproken.
Hij stelt in ieder geval geen eenvoudige bottom up of top bottom benadering voor.

Stan, ik ging achter de computer zitten om een vergelijkbaar bericht naar jou te sturen. Ik had het als volgt bedacht: We kunnen er nu maar beter mee stoppen. Wij gaan elkaar niet overtuigen, jij zweert bij 'eeuwige essenties' en ik vind het een ongefundeerd idee fixe. Het zij zo. En wat anderen vinden, voor zover ze de discussie hebben gevolgd, moeten zij zelf maar uitmaken.
Bedankt voor de discussie. Ik ben er door op passages en gedachten gekomen waar ik anders niet op was gekomen.

Wat ik tot mijn verwondering in bovenstaande mis, is het onderscheid tussen "essentia formalis" (bv. In 2p8), en "essentia actualis" (bv. In 3p7). Dat zijn twee verschillende begrippen, maar in het blog wordt het onderscheid niet met zoveel woorden gemaakt. Ga je er van uit dat dit "vanzelfsprekend" is, Stan?

Ik had me al afgevraagd: waar blijft Mark in deze discussie. Maar daar doe je dan toch ook een duit in het zakje. Je hebt gezien dat Henk en ik onze uitwisseling beëindigd hadden - we waren uitgepraat. Jouw opmerking líjkt te suggereren dat het 'verhaal' niet klopt of iets mist, maar dat is volgens mij toch niet zo. De 'essentia formalis' van2/8, de feitelijke essentie is in het blog dat zich vooral op deel 5 baseert,' "het wezen van dit of dat menselijk lichaam" in 5/22. Het 'actuele wezen' van 3/7 is het tot bestaan in de tijd gebrachte wezen, waar het blog m.i. uitvoerig over gaat. Daarover hebben we het eerder gehad. Bij Spinoza staat tegenover het 'actuele wezen' niet het 'potentiële wezen', maar het 'formele wezen' dat - volgens Don Garrett - de actualiseerbaarheid van de concrete enkeldingen aanduidt. Het is in bovenstaand verhaal allemaal gebruikt (maar inderdaad niet exact met gebruikmaking van deze termen). Het zou tot herhaling van reacties leiden, dus ik stel toch voor het thema vooralsnog - tot er nieuwe inzichten opkomen - als voldoende besproken te beschouwen.
Intussen bedankt en hartelijk gegroet.