Het mislukte aanbod tot benoeming van Spinoza als professor in Heidelberg

Op de website van de Ruprecht-Karls-Universität Heidelberg wordt een korte geschiedenis van deze universiteit gegeven. Daarin ook (de via de uitgegeven Spinoza-correspondentie ruim bekende) informatie over het aanbod in 1673 van een gewoon professoraat in de filosofie aan Benedictus de Spinoza. Een aanbod dat Spinoza om bekende en begrijpelijke redenen afsloeg.

Maar als hij het aanbod wel zou hebben aangenomen, zou hij de enige van de drie grote rationalistische filosofen van de XVIIe eeuw zijn geweest (Descartes, Leibniz en Spinoza) die het tot een universitaire leerstoel zou hebben gebracht. Maar het zou hem heel wat gedonder hebben gegeven. 

Bij de redenen van afwijzing wordt altijd gewezen op de zinsnede, waarin Spinoza wijst dat voor hem niet is in te schatten  "binnen welke grenzen die vrijheid van filosoferen zou moeten worden ingeperkt".

Maar zou ook niet hebben meegespeeld de enigszins vileine tegenstelling tussen de aanhef ("aan de zeer scherpzinnige en zeer beroemde filosoof B.d.S") en de direct volgende mededeling "u, die mij weliswaar tot op heden onbekend zijt". Hij moet hierin direct de aanstaande tegenstander hebben vermoed. Fabritius had zich in 1670 in kleine kring al verontwaardigd getoond over de TTP. Dat kon Spinoza niet weten, maar de schijnheilige dubbele boodschap moet hij hebben aangevoeld.

[Tekst overgenomen van de site van deze Heidelbergse universiteit] 

Das 17. Jahrhundert führte die Universität in zwei existenzbedrohende Katastrophen, im Dreißigjährigen Krieg (1618-1648) und im Pfälzer Erbfolgekrieg (1688-1697). Verursacht durch die Besetzung Heidelbergs durch bayerische Truppen 1622 und seit 1629 rekatholisiert, führte die Universität ein unbedeutendes Leben und bestand schließlich nur noch formal. Mit der Wiedereröffnung 1652 verbandder reformierte Kurfürst Karl Ludwig eine Statutenreform, deren wichtigste Neuerung in einer Lockerung der Konfessionsklausel bestand. Diese Toleranz ermöglichte die Berufung des jüdischen Mediziners Jacob Israel auf den Lehrstuhlfür Physiologie, Anatomie und Chirurgie im Jahr 1652. Karl Ludwig bemühte sich auch um den Philosophen Baruch de Spinoza, dem er 1673 den Lehrstuhlfür Philosophie anbot. Spinoza ließ sich jedoch trotz der Zusicherung der "libertas philosophandi" nicht für Heidelberg gewinnen, da er eine Einschränkung seiner Meinungsfreiheit befürchtete.

[...] Die durch Karl Ludwig wiederbegründete geistige und wissenschaftlichen Blüte der Heidelberger Hochschule war im letzten Jahrzehnt des 17. Jahrhunderts beendet. 1693 wurde die Stadt von französischen Truppen zerstört. Die Universität führte in Frankfurt am Main und Weinheim ihren Lehrbetrieb fort. In Heidelberg konnten die Vorlesungen erst 1704 wieder aufgenommen werden.

 

Brief von Ludwig Fabritius, Professor für Theologie an der Universität Heidelberg, im Auftrag des Kurfürsten Karl Ludwig an Baruch de Spinoza. Heidelberg, 16. Februar 1673. Karl Ludwig bietet Spinoza eine ordentliche Professuran der Universität an, mit der Zusicherung: "Philosophandi libertatem habebis amplissimam", aber: "qua te ad publice stabilitam Religionem conturbandamnon abusurum credit."

In de Nederlandse uitgave "Briefwisseling" gaat het om de brieven 47 (J. Ludwig Fabritius aan Spinoza van 16 febr. 1673) en 48 (van Spinoza aan Fabritius van 30 maart 1673)

Auf diese Vorgabe des Kurfürsten bezieht sich Spinoza in der Ablehnung seiner Berufungnach Heidelberg: weil er nicht wisse, "quibus limitibus libertas ista philosophandi intercludi debeat, ne videar publice stabilitam religionem perturbare velle."

Baruch de Spinoza an Ludwig Fabritius. Den Haag, 30. März 1673.

Kopieën zijn overgenomen van deze site, die ze overnam uit:

Benedictide Spinoza opera quae supersunt omnia. Hrsg. von H. E. G. Paulus. Bd. 1, Jena 1802.

[van hier]

Reacties

Beste Stan,
Twee kleine correcties. 1) Het is een beetje kort door de bocht om te zeggen (wat overigens gebruikelijk is) dat Spinoza het aanbod uit Heidelberg 'afsloeg'. Als je zijn antwoord op de uitnodiging goed leest, zul je zien dat hij Fabritius zeer dringend vraagt "dat gij de doorluchtige keurvorst verzoekt mij toe te staan nog wat langer hierover na te denken, en verder dat gij voortgaat de gunst van de allergenadigste vorst voor zijn deemoedige vereerder te winnen, waardoor gij, edelachtbare enweledele heer, mij zeer aan u zult verplichten". In feite kwam dit op neer op een afwijzing, omdat de bemiddelaar Fabritius er zelf mordicus op tegen was en er wel voor gezorgd heeft dat het niet doorging.. Hij loog ook tegen Spinoza dat deze hem geheel onbekend was. Het is geboekstaafd dat hij in 1670 hevig verontwaardigd was over de TTP en de Hollandse autoriteiten verweet dat zij het boek niet effectief hadden onderdrukt. Hij was, zoals men tegen deze achtergrond ook uit zijn brief kan opmaken, een eerste klas huichelaar zoals zo veel CDA-ers uit onze tijd. Een en ander heb ik uit de doeken gedaan in mijn hoofdstuk "Professor?" in "Zicht op Spinoza. Twintig tijdschetsen" (Amsterdam 1994) p. 52-56.
2) Het is zeer misleidend om Spinoza met Nadler en zo veel anderen altijd maar een 'rationalistische filosoof' te noemen. Ten eerste is hij geen filosoof in de gangbare betekenis van dit woord, maar puur sang wetenschapsbeoefenaar. Ten tweede wordt hij (evenals zijn tegenpool Leibniz en de door hem gekritiseerde Descartes) in de zgn. filosofische traditie met dit woord tegenover de Angelsaktische empiristen gezet. En dat is zeer ten onrechte, omdat hij zelf juist uitdrukkelijk de wetenschappelijke ratio op empirie en experiment baseerde. Zie daarover mijn uitleg van Ethica 2 in mijn "Ethicom" (in herdruk nog verkrijgbaar). Hij is ook niet 'rationalistisch' in die zin dat hij de mens als een bij uitstek redelijk wezen karakteriseerde. Integendeel, de menselijke kennis bestaat primair en hoofdzakelijk uit verbeeldingen en wordt volgroeit in de intuitie van het wezen der dingen, hetgeen eveneens geen abstracte ratio is.

Beste Wim,

Bedankt voor de twee correcties, die ik overigens niet helemaal als correcties beschouw.

De eerste correctie beschouw ik meer als een aanvulling: inderdaad is 'het aanbod afsloeg' kort door de bocht (Spinoza deed het leiper), maar jij komt er toch ook op uit. Op het 'huichelende', 'liegende' van Fabritius had ik ook al gewezen. Ik sprak in mijn stukje het vermoeden uit dat Spinoza daar waarschijnlijk een fijne neus heeft gehad.

Wat je tweede correctie betreft ben ik het met je eens dat er met de term 'rationalisme' een etiket op hem wordt gedrukt dat een te sterke tegenstelling met het empirisme suggereert. Helemaal eens ook ermee dat je er op wijst dat Spinoza absoluut niets moest hebben van het typeren van de mens als 'animal rationale' om hem zo af te scheiden van de rest van de natuur (als een staat in de staat). Voor de naturalist Spinoza was er één natuur en golden alle natuurwetten op alle plaatsen envoor alle dingen gelijk - voor de mensen, de dieren, planten en voor alle dingen.
Maar ik noem hem rationalistisch in de betekenis dat voor hem alles een verklaring heeft; dat hij het meest consequent het principe aanhing van 'voldoende grond' dat Leibniz formuleerde, maar minder consequent toepaste dan Spinoza. Naar verklaringen van standen van zaken en gebeurtenissen in de ervaring zoeken we met onze ratio - wetend dat er oorzaken (d.w.z. voor Spinoza dus zeggen: verklaringen) voor te vinden móeten zijn. Voor mij is Spinoza, net als voor jou zo heb ik begrepen, door en door naturalistisch. Voor mij is hij daarbij tevens dé aarts-rationalist (meest consequente aanhanger en toepasser van het principe van de voldoende reden).

Over je boekje 'Zicht op Spinoza. Twintig tijdschetsen' ga ik apart wat schrijven.

Toch moet ik je, ondanks je instemming met mijn commentaar, een beetje afvallen. Alles heeft wel een adekwate oorzaak van zijn bestaan; als je dat met het 'principe van voldoende grond bedoelt', OK. Maar in tegenstelling tot wat jij schijnt te beweren, kunnen wij de concrete oorzaken der dingen nimmer echt met zekerheid kennen. Ze zijn immers oneindig in aantal. Noch jij noch ik zullen ooit met zekerheid te weten komen wat je allemaal dwingt om op mij te reageren. "Pauca' hebben wij uit de algemene natuurkunde (Ethica 1 en 2/13); verder kunnen we strikt genomen allen maar zeggen dat we niets weten en veel verbeelding hebben. Spinoza is in dit opzicht volledig Lockiaans. Of beter: het is omgekeerd, Locke is Spinozistisch en heeft zich Ethica 2 toegeeigend.

Hier ben ik het geheel eens. Het ging mij in mijn reactie over Spinoza's overtuiging van de principiële intelligibiliteit van alles. We dringen met wetenschap toch ook steeds verder in de natuur door. Maar uiteraard de eindige mens staat voor téveel oorzaken, dan dat hij alles zou kunnen kennen.
Wat je zegt over mijn (onze) drang te reageren... kom daar maar eens achter. Spinoza is (tijdelijk?) een heerlijke passie geworden en hoe ik daarmee moet proberen om te gaan, kan ik bij hem nalezen.

Ik plaats hier een citaat uit het laatste verhaal op de één na laatste bladzijde uit je boekje Zicht op Spinoza, dat iets van Spinoza’s naturalisme en rationalisme weergeeft. Ik kan me geheel vinden in wat je daar schrijft: “Voor Spinoza is er geen enkel ‘vanzelf’ maar moet er voor elke gedragswijze, veranderlijk of niet, een oorzaak worden gepostuleerd die deze tot stand brengt. Zou men die niet aannemen, dan loochent men niet alleen het oorzakelijkheidsbeginsel, maar doet men ook zijn eigen rationaliteit tekort. Dat geldt zowel voor de bewegende steen als voor de willende en strevende mens.”
Naar dat rationalisme verwees ik, meen ik. We zijn het eens!