Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872) Spinozist

Momenteel ligt het boek van Jan Drentje, Thorbecke, een filosoof in de politiek [Boom, Amsterdam, 2004] bij Selexyz in de ramsj. Sowieso een schitterend boek over deze grootste staatsman van Nederland die ons de eerste grondwet bracht (en de HBS). Maar het boek is voor Spinozisten extra interessant, omdat Thorbecke zo uiterst serieus met Spinoza´s Ethica bezig is geweest. En dat komt in dit boek op vele plaatsen uitvoerig aan de orde.

Je kunt goed merken dat Drentje niet alleen historicus maar ook filosoof is. Hoe hij in een paar bladzijden de Pantheïsme-strijd in Duitsland schetst is werkelijk subliem. Ook waar hij uitvoerig Thorbecke´s filosofische ontwikkeling en strijd beschrijft, lees je een auteur die begrijpt waar hij het over heeft - ook als het over Spinoza gaat.

Wat ik mistte bij Safranski in zijn boeken over Schiller, de Romantiek en de vriendschap tussen Goethe en Schiller (geen woord over Spinoza), is bij Jan Drentje wel anders. Thorbecke’s uitgebreide studiereis naar Duitsland, zijn ontmoeting met Schelling t.t.v. van zijn worsteling in zijn denken met de metafysische dilemma’s over de relatie tussen het eeuwige en het tijdelijke… het wordt allemaal uitvoerig en zeer goed leesbaar beschreven.

Ik haal enige passages aan die inspelen op de reacties op het blog, waarin ik het over Spinoza´s  immanentie-begrip heb.

Er is een notitie waarin Thorbecke in het begin van zijn Duitse periode het verschil tussen het spinozisme en Schellings panentheïsme samenvat: quod in Deo non ipse Deus est (wat in God is, is niet God zelf). (88)

In zijn tijd in Dresden kreeg het idee van ‘God in de mens’ voor hem betekenis. Hij begon het eindige in de sfeer van het oneindige op te nemen, maar “hoe kon het perspectief van de eeuwigheid met de beperkingen die Kant aan het kennen had gesteld worden verzoend? Het eeuwigheidsperspectief liet zich niet construeren ‘door zaamstellingen en zaamhopingen des eindigens, die altoos weder een eindig resultaat opleveren’. De reflectie zelf kon het eeuwigheidsperspectief dus niet construeren. De wereld sub specie aeternitatis was vooral een innerlijke ervaring. De mens moest zich ‘midden in hetzelve geplaatst’ weten.” (93)

Hij begon in te zien dat de oplossing voor het beëindigen van de onrust die het bestaan van beide perspectieven hem gaf, lag in het plaatsen van het eindige in het oneindige. “De scheppende krachten in de natuur en de geschiedenis hadden hun oorsprong in het oneindige waarin vrijheid en noodzakelijkheid samenvielen. Het oneindige nam de ‘form des eindigen’ aan. Vanuit die vorm kon het oneindige nooit volledig worden teruggevonden, omdat het wezen der dingen zich ‘nimmer volledig in het verschijnsel openbaren kan.’ Hiermee waren de beperkingen die Kant aan de rede had gesteld verklaard. Vanuit het relatief gesloten perspectief van de eindigheid kon de oneindig scheppende kracht dus niet benaderd worden. Dat was alleen mogelijk door een innerlijk besef van de eigen scheppende kracht in de mens zelf, waarin zijn verwantschap met het oneindige tot uitdrukking kwam. Vanuit het oogpunt van de creativiteit was het oneindige in alle levensverschijnselen namelijk volledig tegenwoordig.

In een brief aan Ritgen omschreef Thorbecke dit nog duidelijker ‘wie überall nichts ist als dat Göttliche’. Tussen verleden en toekomst lag ‘die grosse Gegenwart welche alles trägt’ die een moment en tevens de eeuwigheid zelf is. De begrenzing, de ‘breking’ van het leven in tegenstellingen was een gevolg van de overgang van het oneindige naar het eindige, ‘daarna tracht de erkennende geest de vaneen gescheurde eenheid des voortbrengenden en des voorgebrachten, van wezen en verschijning’ tevergeefs weer ‘zaamtelappen’. Hoe de wereld vanuit het perspectief van de eeuwigheid ‘doordrongen en doorstroomd wordt en hoe vooral in den mensch de scheppende kracht der oneindige Godheid zich hooger golft en hoe hij uit den slaap in de bedwelming des eindigen ontwaakt tot de zelfskracht der schepping… dat is de grootste opgaaf der wijsbegeerte’.” Een door Schelling heen gegaan Spinozisme, maar Spinozisme. (93)

Zijn vader maakte zich intussen grote zorgen over het uitlekken van zijn contacten met Schelling en zijn bezig zijn met Spinoza; dit kon hem de beoogde hoogleraarsbaan in Leiden kosten. Ook in Berlijn waar Torbecke vervolgens heen ging heeft hij zich uitvoerig in de Ethica verdiept. Ook in de ‘filosofische’ zomermaanden van 1822 in Zwolle hield hij zich weer uitvoerig met de Ethica bezig en schreef hij aan Krause: “Der Spinoza is mir jetzt wieder ein äusserst liebes Studium und es erscheint mir diser einzige Geist in einem immer herrlicheren Glanz”. Opnieuw hield hij er zich bezig met de vraag hoe het perspectief van de absolute eeuwigheid zich tot de tijdelijkheid verhield. Hij wilde beide sferen weliswaar met elkaar verbinden, maar deze tegelijkertijd van elkaar onderscheiden. (118)

Het zijn maar enige grepen. Ook de bladzijden die hierop volgen over zijn benadering van een en ander zou ik kunnen citeren: schitterende passages.
Ik volsta hier met belangstellenden dit fraaie boek te tippen.

Spinoza kostte Thorbecke trouwens de hoogleraarsbaan in Nederland, want in Leiden achtte men het niet verantwoord 'den jongen man, van Spinozisme verdacht, de academische jongelingschap toe te vertrouwen'. Thorbecke week daarop uit naar België, waar hij in 1825 benoemd werd tot hoogleraar in Gent. (Siebe Thissen, De Spinozisten, Hfst 2)

Via Thorbecke's stimuleren van het werk van Karl Christian Friedrich Krause, heeft hij mede aan de wieg gestaan van het ontluiken van de Spinozastudie in de 19e eeuw.

 
Thorbecke kreeg zijn standbeeld in 1876, bijna vier jaar na zijn dood en vier jaar eerder dan Spinoza zijn standbeeld in Den Haag kreeg.


Thorbecke op wikipedia

Reacties

Beste Stan,
Bedankt voor je recensie van dit interressante boekwerkje over Thorbecke. Ik ga kijken of ik het kan kopen.
Wat Thorbecke schrijft over de onmogelijkheid het oneindige ( God) te kennen ( ons verstand is eindig en beperkt, God oneindig en niet beperkt) vanuit de eindige dingen en met een eindig verstand, is m.i. niet spinozistisch, al lijkt het er wel op ( E. deel 1, st. 30) Het is Lutherse theologie ( God is een verborgen God die zich openbaart, ja zeker openbaart, in de concrete wereld en geschiedenis), ruim 100 jaar voor Spinoza geformuleerd.
Wist je , dat Thorbecke een aktief Lutheraan was en de lutherse theologie goed kende? Lid van de Lutherse kerk en geregeld in gesprek met predikanten over aktuele kwesties, o.a. de verhouding kerk-overheid?
Ook een belangrijk thema in de Lutherse theologie.Niet voor niets is de vrijheid van godsdienst in zijn grondwet gegarandeerd. Thorbecke spinozist?
Maar welke moderne filosoof weet nog iets van theologie? Niet de moeite waard om je in te verdiepen , hoor ik vaak. Geen geopenbaarde waarheid, dat is passe. Maar alle waarheid is in laatste instantie geopenbaarde waarheid.En: Spinoza heeft echt niet zelf alle wielen uitgevonden, als het gaat om de fundamentele verhouding eindig-oneindig en het " sub specie aeternitatis".
Hiermede zeg ik niets ten nadele van Spinoza, maar wil ik wel de hype, dat al het diepzinnige bij Spinoza zou beginnen, relativeren.

@Bertus, Je zegt 'boekwerkje',maar het is een prachtig uitgegeven pil van 671 bladzijden. En een echte recensie is mijn blog niet; slechts een signalering. Wel heb ik inmiddels genoeg gelezen om te kunnen zeggen dat het goed geschreven is.
De typering van Thorbecke als "Spinozist" was enigszins een grapje - ik heb het boek nog maar net in huis en heb alleen nog, bladerend, de passage over zijn omgang met de Ethica gelezen. Daarin kon ik aan alles merken dat hij in z'n jonge - formatieve - jaren als beginnend filosoof een meer dan gemiddelde interesse in Spinoza had en zeer serieus bezig was met Spinoza onder de knie te krijgen. Dat ook deed met grote belangstelling voor logica. En zo was voor hem een terecht punt dat als je (eindige) feiten optelt je bij eindige verzameling blijft. Terecht had hij het over: "door zaamstellingen en zaamhopingen des eindigens, die altoos weder een eindig resultaat opleveren". Langs de weg van groeiende wetenschap kom je niet bij het oneindige. Dat hij Lutheraan was wist ik nog niet; daar zal het boek neem ik aan ook wel op ingaan.
Tot slot, Bertus, als je serieus meent "Maar alle waarheid is in laatste instantie geopenbaarde waarheid," dan betekent "openbaring" ineens niets meer - of kan het kennelijk van alles betekenen.

O.K. Stan, een dikke pil. Ik ga serieus proberen hem ergens op de kop te tikken en tijdens een vakantie in alle rust te lezen.
Wat je laatste opmerking betreft: inderdaad, dat is zo. Ik denk wel eens, dat het om die reden zo is, dat Spinoza met het hele begrip openbaring niets kon aanvangen. ( Hij ontkende het niet, maar wist er geen raad mee)
Toch denk ik , zag hij over het hoofd, dat het zgn. "natuurlijke licht" van de rede in laatste instantie ook een openbaring is, of anders gezegd zijn wortels heeft in openbaring. Sp. verwijst er in de tractaat over de verbetering van het vestand misschien toch vaag naar, als hij zegt, dat er bij de waarheidsvinding geen sprake is van een onderzoek tot in het oneindige ( geen regressio ad infinitum) maar van verstand dat aangeboren is en door zijn aangeboren ( denk) kracht zijn eigen verstandelijke werktuigen produceert. Anders gezegd: God openbaart zich in het verstand en het verstand kan daardoor ( iets van) God herkennen.
Het lijkt een woordenspel, maar toch...

Stan en Bertus, ik heb het boek van Drentje gelezen toen het uitkwam in 2005. De eerste helft is een wat moeizaam, maar uitgebreid verslag van Thorbecke's toe-eigening van de toen moderne idealistische filosofie van Hegel c.s. tijdens een langdurig verblijf in Duitsland. Wat mij vooral interesseerde was dat hij daar de z.g. 'organische opvatting' van de staat opdeed, en op die grondslag de staatsinrichting van Nederland vormgaf met de grondwet van 1848: een centralistische staat met met een drieslag van Rijk, Provincie en Gemeente, en in de laatste twee een door het Rijk benoemde commissaris, resp. burgemeester aan het hoofd, die organiek bedoeld waren als de ogen en oren van de centrale overheid. In een brief geeft hij, als minister, aan de burgemeester van Borculo een flinke schrobbering wegens eigengereidheid. De organische opvatting van de staat is hegeliaans-idealistisch, maar zeker niet spinozistisch, zie TTP17.26: 'De natuur maakt helemaal geen naties, alleen individuen, die alleen maar in naties worden onderscheiden door verschillen in taal, wetten en algemeen aanvaarde zeden'. Thorbecke liep een hoogleraarschap in Leiden mis uit angst van de toenmalige minister voor de import van de filosofische nieuwlichterij uit Duitsland, inclusief het spinozisme. Maar de organische opvatting heeft in NL flink wortel geschoten, zie het immobilisme van CDA, VVD, PvdA enz. m.b.t. tot staatkundige vernieuwingen. De invoering van het referendum, een doodnormaal instrument van de democratie, wordt al als een verstoring van het organisme gezien. Dit land heeft veel Pruisen in zijn staatsbestel.

Door Bertus Keizer wordt beweerd dat Thorbeckes opvattingen Luthers waren. Dat is beslist niet het geval. Na zijn studiereis in Duitsland maakte hij zich juist van het Lutherse geloof los. Het soort spinozisme dat Thorbecke aanhing staat bekent als panentheisme. Idealistische filosofen als Schelling gebruikten spinoza om een immanente godsidee te formuleren, denken en zijn samen te brengen. In hun funderingsdenken past het absolute niet rechtstreeks in de tijdelijkheid. Zij namen de kritiek van Wolff en Leibniz op het spinozisme over. Spinoza problematiseerde het eeuwigheidsbegrip niet in relatie tot het tijdelijke. Er ontstond een soort filosofisch quietisme. Eind achttiende eeuw werd juist de geschiedenis als geschiedenis ontdekt - het historisme. Vandaar dus ook de problematising van het eeuwige en het tijdelijke. En dat vind je bij Thorbecke terug in diens panentheïsme, dat wel degelijk verwant is met het pantheïsme.
En voor Adrie Hoogendoorn: het soort organisch denken dat Thorbecke aanhing was beslist niet conservatief, zoals uit Drentjes boek toch duidelijk blijkt. Ook Hegel moet je niet te snel met staatsconservatisme in verband brengen, zie de Hegelbiografie van Pinkard. Er bestonden natuurlijk zeker conservatieve organische varianten, maar bij Thorbecke draaide het om het concept organische vernieuwing!!! Van de politieke structuur zoals die zich in de tijd uitdrukt!!

Simone, 3 opmerkingen:
1. De Pruisische staat in de 19e eeuw is denk ik het schoolvoorbeeld van wat Foucault 'biomacht' noemt: verlicht despotisme met controle op, en zorg voor de burgers.
2. Hegel kan je niet een democraat noemen, Thorbecke is dat in meerdere mate, maar zuinigjes.
3. Mijn kritiek betreft niet het conservatisme van Hegel Thorbecke of wie dan ook, maaar het immobilisme en het wantrouwen jegens de burger van de politieke elite in dit land, en het onvermogen om de drieslag te hervormen. De macht is gecentraliseerd in den Haag, provincie en gemeente zijn leeggezogen en praktisch machteloos. Voorbeeld: de gemeentelijke herindeling. Een lid van gedeputeerde Staten verwoordde het aan mij zo: "Burger, u hebt niets te vertellen, Gemeente u mag een voorkeur uitspreken, wij, de Provincie doen een zwaarwegend advies, en den Haag besluit". Mooier voorbeeld over de machteloosheid over je eigen leefomgeving kan een inwoner niet hebben. Het Groen Links - congres is tegen het referendum, en Femke zegt: "daar trek ik me niets van aan".

Beste Adrie, met jouw duiding van de politieke situatie in Nederland van nu kan ik het wel eens zijn, maar dat zegt niets over Thorbeckes organische staatsopvatting. Daarin gaat het nu juist om relatief zelfstandige democratisch gekozen lagere overheden die daarmee 'Haagse almacht' temperen. En: bij Thorbecke ging het ook om de burger daardwerkelijk zeggenschap over de afvaardiging te geven - in die tijd een vorm van directe democratie. Het gevoel van machteloosheid dat jij beschrijft, was nu juist de aanleiding voor de grondwetsherziening! Thorbecke benadrukt in de toelichting op de herziening nadrukkelijk de versterking van het staatsburgerschap. Ook was hij een voorstander van de gekozen burgemeester. En wat ik belangrijker vindt: in zijn visie moet de staatsinrichting in de tijd aanpassen aan de verdere ontwikkeling van de maatschappij!!